fbpx


Buitenland, Cultuur, Multicultuur & samenleven
David Dessin

‘Ja, soms begrijp ik die racisten wel’

Een verdediging van ‘Drarrie in de Nacht’



In zijn stuk Arkprijs voor politiek correct denken (Doorbraak 21 april 2015) klaagt Chris Ceustermans over de ‘verwatering’ van de Arkprijs van het Vrije Woord. Dat deze prijs – oorspronkelijk bedoeld om elke vorm van verzet tegen religieuze autoriteiten en de ‘farizeese handen’ – wordt uitgereikt aan een schrijver die kritiek durft te geven op seculiere denkers als Etienne Vermeersch stuit hem duidelijk tegen de borst. Het ‘vrije woord’ is blijkbaar enkel vrij als het kritiek geeft op religies. Los van de vraag of het vrije woord wel aan zo’n keten dient te worden gelegd kunnen we ons ook afvragen of Ceustermans de roman in kwestie, ‘Drarrie in de Nacht’ van Fikry El Azzouzi wel gelezen heeft? Of is het voldoende dat Tom Lanoye en Ico Maly de roman aanprijzen, dat de schrijver het hoofddoek verdedigt, én kritiek heeft op Bart De Wever (hoe durft hij?) om het werk als ‘politiek correct’ (lees: linkse onzin) aan de kant te schuiven? Soms, heel af en toe, moet je ook eens een boek lezen voor je erover oordeelt.  

Onlangs nog analyseerde ik Drarrie in de Nacht in het themanummer van het cultuurkritisch tijdschrift Rekto.Verso (ik weet wat u denkt, ‘cultuurkritisch’ komt in de regel neer op links en wellicht ook ‘politiek correct’. Maar wees gerust, deze editie (april-mei 2015) is helemaal aan het rechtse en conservatieve denken gewijd).* Daarbij toon ik aan dat de tweede roman van El Azzouzi complexer is dan wat de linkerzijde ervan gemaakt heeft. De schrijver geeft namelijk wel degelijk kritiek op de islam, én illustreert prachtig waarom religieuze radicalisering géén gevolg is van blank racisme. 

Zo moeilijk is het overigens niet om die analyse te maken. Al in de eerste pagina’s lezen we ‘wij Marokkanen zijn de meest vervelende, de meest onbetrouwbare en de meest perverse van allemaal’. ‘We hebben een te grote mond, zoeken met iedereen ruzie en hebben geen respect voor de ouderen.’ Of wat verder, als Ayoub Marokkanen van Marokko (als tegengesteld aan Belgische Marokkanen) beschrijft als ‘luidruchtige debielen die altijd in de belangstelling willen staan’ en die zichzelf heel slim vinden, ‘terwijl ze heel dom zijn.’ ‘Ook al zijn ze hier tien jaar, ze kunnen niet eens fatsoenlijk Nederlands praten. Daar moet je echt achterlijk voor zijn. Ja, soms begrijp ik die racisten wel.’ Zo politiek correct klinkt dat niet… Voor mensen die ‘er is te weinig sociale mobiliteit in de gemeenschap van Marokkanen met Berberse afkomst’ al racistisch vinden moet dit toch moeilijk te slikken zijn… Maar daar houdt het niet op. El Azzouzi durft wel degelijk kritiek op de islam te geven, wanneer hij zijn radicaliserende personages bijvoorbeeld citaten in de mond legt als: ‘Als je een vrouw met reden slaat en het doet haar niet te veel pijn, dan valt het wel mee.’ Bovendien lacht El Azzouzi ook hartelijk met het hysterische anti-racisme van de linkerzijde. Het personage Kevin bijvoorbeeld, een ‘debiel’ in een djellaba die voortdurend overal over racisme klaagt maar zelf zo blank is als ‘een glas melk op een slaperige zondagochtend.’ Het is overigens net Kevin de blanke bekeerling die later Abu Karim zal worden en naar Syrië trekt, niet omdat hij last heeft van blank racisme, maar omdat hij en andere drarries door zijn eigen religieuze gemeenschap uitgesloten werden. Wil Ceustermans nu echt beweren dat El Azzouzi ‘de archaïsche religieuze gevoeligheden van zijn gemeenschap niet in vraagt durft te stellen’? De kleinburgerlijkheid en domheid die de imam en de lokale geloofsgemeenschap verweten wordt passen nochtans perfect in de traditie van de arkprijs, zoals Ceustermans die begrijpt tenminste. En als het fysiek mishandelen van de lokale imam nog niet voldoende is kan men zich altijd nog verlustigen aan het cliché van Meneer Harry, de joodse juwelier, zionist, geldklopper, fraudeur. Dat is altijd goed om de gezworen vijanden van de ‘farizeeërkaste’ te plezieren… 

Drarrie in de Nacht bevat heel wat meer politieke incorrectheid en religiekritiek dan – bijvoorbeeld – Altijd iets (2012) van Joachim Pohlmann (dat zelf met een multicultureel huwelijksaanzoek eindigt). En waarom zou dat perse een probleem zijn? Waarom moeten we van alle schrijvers eisen dat zij dezelfde boodschap brengen? Bovendien, als jonge schrijvers in de religie een identiteit vinden die ze in onze postmoderne, kapotgedeconstrueerde samenleving niet vinden, is dat op zich niet al een kritiek op die samenleving die voor de rechterzijde heel herkenbaar moet overkomen?

* David Dessin, ‘Mooie Jonge Godenkinderen’ in Rekto.Verso, tijdschrift voor cultuur & kritiek. Apr-Mei 2015, No 66, pp 73-77.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel, cartoon of podcast wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels, podcasts, cartoons of video-uitzendingen op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

David Dessin