Jan Verroken en de taalgrens

Faciliteitengemeente Voeren, een laat gevolg van de vastlegging van de taalgrens, die wijlen Jan Verroken trok op een Michelinkaart.

In de Sint-Walburgakerk van Oudenaarde, de stad waarvan hij gemeenteraadslid, schepen en burgemeester is geweest, wordt volgende week gelovig afscheid genomen van Jan Verroken, in de intimiteit die de coronacrisis oplegt – en daardoor zonder het eerbetoon dat hij verdient als ‘bezieler Vlaams maatschappelijke strijd’, zoals op het overlijdensbericht staat. Misschien kan deze bijdrage over zijn betrokkenheid bij de vastlegging van de taalgrens dat enigszins goedmaken.

‘Jan Verroken, de geestelijke vader van de taalgrens tussen Vlaanderen en Wallonië’, schreef Hendrik Vuye hier op 11 juli 2013. Helemaal verkeerd is dat niet – maar evenmin helemaal juist. De grens tussen het Germaanse en het Romaanse taalgebied is al tot stand gekomen in een complex proces dat duurde van de vierde tot zevende eeuw. Politieke betekenis kreeg en een politiek probleem in België werd ze pas in de tweede helft van de 19de eeuw, toen flaminganten het project om van het in 1830 ‘gestichte’ koninkrijk België een Frans-eentalige staat te maken kelderden en nadien wallinganten de algehele tweetaligheid van België afwezen. Vervolgens gaf de bestuurstaalwet van 1921 de aanzet tot, en bevestigde en versterkte de bestuurstaalwet van 1932 de regionale eentaligheid van Vlaanderen en Wallonië.

De invoering van de regionale eentaligheid vergde een wettelijke regeling voor de taalgrens tussen het Nederlandstalige Vlaanderen en het Franstalige Wallonië. De taalwetten van 1921 en 1932 voorzagen in een flexibele grens: de uitslag van de tienjaarlijkse volks- en talentelling bepaalde het taalstatuut van de gemeente. Daardoor kon een gemeente van taalregime en taalgebied veranderen of extern, dit wil zeggen: voor de contacten met de inwoners, tweetalig worden.

Sociale strijd

De eerste talentelling na de taalwet van 1932 vond plaats eind 1947, begin 1948. Met de vervalste talentelling van 1930 in het geheugen – Flor Grammens had er breedvoerig over geschreven in zijn maandblad De Taalgrenswacht – werd in Vlaanderen gevreesd dat de Franstaligen er alles aan zouden doen om in het anti-Vlaamse repressieklimaat Vlaamse gemeenten op de taalgrens en aan de rand van Brussel een ander taalstatuut te geven. Mede daarom werden ‘gewestelijke commissies’ aangesteld om de talentelling te controleren. Zo raakte Jan Verroken betrokken bij de taalgrenskwestie.

Jan was vijf jaar leraar geweest toen hij in 1946 nationaal propagandist werd van de pas opgerichte CVP (bij de stichting van de partij, eind 1945, was hij secretaris van de arrondissementele afdeling Oudenaarde geworden). Als leraar in Ronse en medewerker (later hoofdredacteur) van het lokale katholieke weekblad De Ronsenaar had hij het sociale karakter van de ‘taalkwestie’ leren kennen. Ronse was een stad van Vlaamse textielarbeiders en francofone en francofiele textielbaronnen en bourgeoisie. Op voorstel van het katholieke Davidsfonds, het socialistische Vermeylenfonds en het liberale Willemsfonds nam de regering hem op in de ‘gewestelijke commissie’ die toezicht hield op de talentelling in de streek van Ronse.

Interpellatie

Bij de verkiezingen van 4 juni 1950 werd Verroken als lijsttrekker van de CVP in het kiesarrondissement Oudenaarde tot lid van de Kamer van Volksvertegenwoordigers verkozen. Op 19 december 1950 hield hij zijn eerste interpellatie, over het uitblijven van de officiële publicatie van de resultaten van talentelling van 1947 in Ronse en 43 andere gemeenten – resultaten die bekend waren maar in Vlaanderen betwist en daarom niet in het Staatsblad afgedrukt werden.

In geuren en kleuren, zoals hij zijn hele parlementaire loopbaan zou doen, zette Verroken uiteen hoe Ronse, waar bij de talentelling van 1930 minder dan een kwart van de inwoners verklaard had ‘meestal of uitsluitend’ Frans te spreken, plotsklaps 32,5% Franstalige inwoners telde – boven de norm van 30% om externe tweetaligheid (‘faciliteiten’) te krijgen. Ook in de andere 43 gemeenten was de uitslag van de talentelling vervalst, zei Verroken, en bijgevolg was het talentellingstelsel mislukt. De tijd was gekomen om de taalgrens definitief vast te leggen, concludeerde hij.

Harmelcentrum

Zijn interpellatie bleef niet zonder gevolg. Het parlement verzocht het Harmelcentrum om de taalgrenskwestie op zijn agenda te zetten. Dat ‘Centrum van onderzoek voor de nationale oplossing van de maatschappelijke, politieke en rechtskundige vraagstukken in de Vlaamse en Waalse gewesten’ was in 1948 opgericht, op voorstel van de PSC’er Pierre Harmel en met de bedoeling de Waalse federalistische stroming de pas af te snijden. (Het klopt dus niet dat, zoals Jan Verroken bij zijn honderdste verjaardag in een interview met Doorbraak zei, het Harmelcentrum is opgericht door socialisten en liberalen. En dat de toen nog unitaire CVP niet heeft deelgenomen aan zijn werkzaamheden, zoals hij eveneens zei, klopt evenmin. Van de dertien leden tellende Politieke Afdeling waren er vijf CVP’ers, onder wie één uitgesproken flamingant: eerst Geeraard Van den Daele, vanaf 1952 Renaat van Elslande.)

Die Politieke Afdeling – een van de vier afdelingen van het Centrum – werd voorgezeten door de socialistische minister van Staat Eugène Soudan, die tevens voorzitter van het hele Harmelcentrum was. Zoals de andere afdelingen kon ze specialisten uitnodigen. Soudan was sinds 1926 burgemeester van Ronse en kende Jan Verroken en diens vertrouwdheid met de taalgrensproblematiek. Toen de Politieke Afdeling zich eind 1950 op verzoek van het parlement over de taalgrens ging buigen, nodigde hij Verroken uit als expert.

Van Crombrugge

Verroken verdedigde er de stelling dat de bestuurstaalwet van 1932 aanleiding gaf tot conflicten langs de taalgrens en in de Brusselse agglomeratie, dat de talentelling de verstandhouding tussen Vlamingen en Walen schaadde en dat het onzinnig was dat een gemeente om de tien jaar van taalstatuut kon veranderen. Hij stelde voor dat een Vlaams-Waalse commissie, op grond van historische, filologische en statistische gegevens, de taalgrens voor eens en voorgoed zou vastleggen. Daarvoor kreeg hij steun van Jean Van Crombrugge, een andere uitgenodigde expert. Van Crombrugge was leraar Frans aan de normaalschool in Luik en actief in de Waalse beweging (als afgevaardigde van het Congrès national wallon zou hij in 1952 mee een Vlaams-Waals ontwerp van federale grondwet opstellen). Ook hij pleitte ervoor de taalgrens definitief en bij wet af te bakenen, en taalkundigen te belasten met een onderzoek van de betwiste delen van haar traject.

De Politieke Afdeling aanvaardde op 20 maart 1951 het principe van de vastlegging van de taalgrens, niet op basis van de talentellingen maar van de sociologische realiteit. Ze stuurde een delegatie op ‘studiereis’ naar de betwiste plaatsen: Ronse, Komen, Moeskroen, Edingen en de Voerstreek. Vervolgens gaf ze Verroken en Van Crombrugge de opdracht om, als externe deskundigen, op basis van de reisverslagen en andere documenten een voorstel voor het traject van de taalgrens te doen.

Twee kaarten, twee verschillen

Onafhankelijk van elkaar zetten beiden de taalgrens uit: Van Crombrugge op een kadasterkaart, Verroken op een Michelinkaart. Zijn informatie haalde Verroken bij de lokale CVP-secretarissen die hij als nationaal propagandist had leren kennen.

Op de vergadering van de Politieke Afdeling van 12 juni 1951 legden beiden hun kaart op tafel. Tot verrassing van de leden verschilden ze slechts op twee punten van elkaar: de gemeenten Spiere en Houtem, die volgens Verroken Vlaams en volgens Van Crombrugge Waals waren. Met het akkoord van Verroken besliste de Politieke Afdeling de kaart van Van Crombrugge in aanmerking te nemen. Een maand later, op 12 juli 1951, overhandigde een delegatie van het Harmelcentrum de kaart aan minister van Binnenlandse Zaken Maurice Brasseur. Het precieze verloop van de taalgrens op de kaart is niet bekend, want ze is op onverklaarbare wijze spoorloos geraakt. Wel zouden er kopieën van (hebben) bestaan (de in 1995 overleden historicus Jean Baerten meent er één van gevonden te hebben in het archief van Flor Grammens).

Uit een resolutie weten we wel dat de Politieke Afdeling, om de taalgrens wettelijk te verankeren, voorstelde om overeenkomstig de kaart 52 gemeenten naar een andere provincie of, in de provincie Brabant, naar een ander arrondissement over te hevelen, veertien gehuchten van een Vlaamse gemeente af te scheiden en bij een Waalse te voegen, en zeventien gehuchten los te maken van een Waalse gemeente en bij een Vlaamse te voegen. Alleen over de (toen) zes gemeenten van de Voerstreek sprak de Politieke Afdeling zich wegens onenigheid niet uit – al wijst alles erop dat de Voerdorpen op de kaart-Van Crombrugge-Verroken in Limburg lagen.

Moyersoen

Dat het tot 1962 heeft geduurd vooraleer de taalgrens wettelijk werd vastgeklonken, is niet alleen de verantwoordelijkheid van de CVP, zoals Verroken in het Doorbraak-interview stelt. Maurice Brasseur, de minister van Binnenlandse Zaken in de homogene CVP-regering-Pholien die de kaart van het Harmelcentrum had gekregen, schreef een wetsontwerp dat de voorstellen van het Centrum volgde. Nog voor hij het bij het parlement kon indienen, viel de regering (9 januari 1952).

In de daaropvolgende, eveneens homogene CVP-regering was de Aalstenaar Ludovic Moyersoen. Hij diende – op dat punt heeft Verroken gelijk – een wetsontwerp in dat het Harmelcentrum niet volgde. De Senaat keurde zijn ontwerp goed, maar omdat de CVP verdeeld was – de Vlamingen hadden ‘ja’ gestemd, de meeste Walen ‘neen’ – stopte de partij het in de koelkast.

Van 1954 tot 1958 was een ‘linkse’ regering van socialisten en liberalen aan de macht. Ondanks herhaalde beloften van minister van Binnenlandse Zaken Piet Vermeylen (BSP), slaagde ze er wegens interne verdeeldheid niet in een wetsontwerp in te dienen.

Onder de regering-Eyskens-Lilar (rooms-blauw), die na de verkiezingen aantrad, sleutelde de unitaire CVP lang en moeizaam aan een communautair vergelijk tussen Vlamingen en Walen. In de zomer van 1960 werd een akkoord over de taalgrens gevonden. Het was de bedoeling het in de vorm van een wetsvoorstel bij de Kamer in te dienen, maar de stakingen tegen de Eenheidswet en de door de liberalen veroorzaakte val van de regering (februari 1961) dwarsboomden dat.

Faciliteiten

Het zou uiteindelijk onder de regering-Lefèvre-Spaak (CVP-BSP) zijn dat het parlement in 1962 de taalgrens vastlegde (wet van 8 november 1962). Verroken zei aan Doorbraak dat aan ‘zijn’ taalgrens ‘geen jota is veranderd’, en op enkele details na klopt dat. Door de taalgrenswet veranderden minder gehuchten – een tiental – van gemeente en taalregime dan het Harmelcentrum had voorgesteld, en bleef de gemeente Spiere bij West-Vlaanderen (zoals Verroken op zijn kaart had getekend, maar anders dan op de in aanmerking genomen kaart-Van Crombrugge stond).

Het belangrijkste verschil tussen de taalgrenswet en de voorstellen van het Harmelcentrum betreft de faciliteiten – en staat dus los van de taalgrenskaart-Van Crombrugge-Verroken. Voor het Centrum zouden die er enkel in Edingen, Moeskroen en Ronse komen. De taalgrenswet van 1962 begiftigde 25 taalgrensgemeenten met faciliteiten, en de bestuurstaalwet van 1963 zou daar nog eens zes Vlaamse randgemeenten van Brussel aan toevoegen – met alle gevolgen vandien.

(Dit artikel is deels gebaseerd op de eindverhandeling van Veerle Deweerdt, De vastlegging van de taalgrens. Communautaire conflictbeheersing en politieke besluitvorming in het begin van de jaren 1960.)

Mark Deweerdt :Mark Deweerdt (1952) was journalist bij De Standaard en De Financieel-Ekonomische Tijd/De Tijd, en schreef als kabinetsmedewerker toespraken en teksten voor Yves Leterme, Kris Peeters, Herman Van Rompuy en Geert Bourgeois.