fbpx


Buitenland
Japan

Japan, economische supermacht

Het land dat altijd herrijst


Het uitstel van de Olympische en Paralympische Zomerspelen zat er aan te komen. Minister-President Shinzo Abe, met 3000 dagen op de teller recordhouder onder de Japanse regeringsleiders, neemt er noodgedwongen vrede mee. Nu zullen de Spelen vrijwel samenvallen met het einde van zijn ambtstermijn. Het zijn een beetje zijn Spelen, net zoals de Olympische Spelen van 1964 die van zijn grootvader en premier Nobosuke Kishi waren.

Het Japanse mirakel

Met de Olympiade van 1964 verbaast Japan de wereld. Minder dan twintig jaar na de verpletterende nederlaag is het land uit zijn puin herrezen. Het zijn jaren van razendsnelle groei en van torenhoge ambitie. De bittere armoe van na de oorlog is nog slechts een herinnering. Dankzij haar eensgezindheid kan de bevolking bergen verzetten en ze wordt daar zelf ook beter van.

Eerste minister Ikeda heeft de Japanners in 1960 beloofd de inkomens binnen tien jaar te verdubbelen en hij houdt woord. De Golden Sixties: het gaat goed in de westerse wereld, maar in Japan gaat het nog beter. Het land heeft veel te danken aan de Verenigde Staten die in de eerste bezettingsjaren kostbare hulp bieden: het nieuwe, democratische Japan moet voor de Amerikanen immers een succes worden. Het is strategisch ontzettend belangrijk nu het communistisch virus zich in de Koude Oorlog over het oosten van Azië dreigt te verspreiden.

Met jaarlijkse groeicijfers van elf, twaalf procent van het bnp stelt het land de Amerikanen niet teleur. Japan wordt al heel snel de tweede economische wereldmacht. Zijn producten veroveren de wereld. Fujitsu, Casio, Sony, Toyota,… Het gaat snel, te snel: de westerse economieën zullen dat al snel ondervinden. In autostad Detroit gaan woedende Amerikaanse arbeiders een Japanse auto met voorhamers te lijf.

… gevolgd door een stevige kater

Nu, ruim vijftig jaar later, is Japan nog altijd een moderne welvaartsstaat, lid onder meer van de G7, de groep van de sterkste industrielanden. Maar de Chinezen hebben de Japanners verdrongen van de tweede plaats op het lijstje van economische grootmachten. Het imago van Japan is verbleekt. Het barsten van de speculatieve zeepbel en de recessie van de jaren 90 zijn moeilijk verteerbaar. Het sprookje is uit.

Er volgen twee verloren decennia. Het herstel is moeizaam, de overheid werkt zich diep in de schulden, met grote, geldverslindende openbare en soms zelfs overbodige werken. Voor de meest innovatieve producten moet het landen als Zuid-Korea, Taiwan en ook China steeds vaker laten voorgaan. De ramp in de centrale van Fukushima, veroorzaakt door de moordende tsunami van 2011, maakt een einde aan het blinde geloof in kernenergie. Ze beschadigt de reputatie van Japan dat er de oplossing in zag van zijn eeuwige energieproblemen.

De wereldwijde aandacht voor het groeiwonder Japan is nooit echt teruggekeerd en daar wil het land iets aan doen. Dat het die aandacht krijgt via de Spelen en straks ook de wereldtentoonstelling in Osaka is verdiend, want het land pakt de problemen waarmee het worstelt aan op een eigenzinnige manier. Het zijn problemen die zich ook bij ons aandienen.

Eigenzinnig Japan

Qua vergrijzing staat Japan aan de wereldtop: almaar meer mensen worden afhankelijk van het krimpende, economisch actieve deel van de bevolking. Topje van de ijsberg: een legertje van 70 000 eeuwelingen. Werken tot 70 wordt stilaan de regel, langer actief blijven wordt zeker niet ontmoedigd. Heel erg mondjesmaat laat Japan vreemde arbeiders toe, het noemt hen stagiairs omdat hun verblijf tijdelijk is en ze een vak komen leren. Het woord immigratie is taboe. Egoïsme? Allicht speelt dat mee, maar meer nog de insulariteit: het besef met 126 miljoen mensen op een reeks kleine eilanden te wonen, die eeuwenlang geïsoleerd bleven. Daaruit is een sterk gevoel van eigenwaarde en trots ontstaan. Van oikofobie is hier geen sprake.

Japan wàs al de internationale nummer 1 in de bouw van robots voor de industrie. Nu bouwt het ook machines die de mensen veel zwaar werk uit handen nemen, in de bouw of om rekken te vullen in warenhuizen. Of nog om hoogbejaarden in bed te leggen of een trap op te helpen, humanoïde robots ook met wie een praatje te slaan valt. Nuttige robots, door het tekort aan werkende handen, mogelijk deel van de oplossing voor de vergrijzing.

Jonge Japanners hebben hun vaders en grootvaders dikwijls amper gekend. Die zaten op hun werk of waren onderweg ernaartoe en hadden nauwelijks of helemaal geen vakantie. Een werknemer moest al te vaak zijn werk laten voorgaan op zijn gezin. Moeder zorgde thuis wel voor de kinderen. Dat beeld is de jongste jaren grondig veranderd. De vrouw begint haar plaats in te nemen in de samenleving. Jongeren willen best nog de handen uit de mouwen steken, liefst in een voltijdse baan, maar toch zijn ze veel minder ‘met hun werk getrouwd’ dan de vorige generaties.

Een ander Japan

De cultuur weerspiegelt die evolutie. Niet voor niets had het British Museum in Londen vorige zomer een uitgebreide tentoonstelling over het typisch Japanse fenomeen van de manga (strips) en anime (tekenfilms), waarvoor de elite niet zo lang geleden nog de neus ophaalde. Al ettelijke maanden loopt in het Antwerpse MAS de expo Cool Japan (niet langer toegankelijk om de reden die u onderhand wel kan raden). Haute couture, design en de kawaii-schattigheidscultuur zijn enkele van de instrumenten van de soft power  waarmee het hedendaagse Japan uitpakt. Soft power  (dringend gevraagd: een equivalent van deze uitdrukking in het Nederlands) is een glijmiddel waarmee Japan zichzelf aan de wereld verkoopt.

Het land blijft inmiddels ambitieus én innovatief, ook – om maar wat te noemen – in lucht- en ruimtevaart. Het heeft uitstekend onderwijs en is technologisch zeer bij de les. Al bij al een harmonische, puik georganiseerde samenleving (weinig misdaad, nauwelijks sociale conflicten) die zich langzamerhand bekeert tot een andere manier van leven, en lang niet alles wat uit het Westen komt voetstoots aanneemt. Een samenleving met huizenhoge problemen maar vindingrijk genoeg om die te boven te komen.

Op maandag  30 maart ligt Paul Muys’ boek Geen zee te hoog  in de handel. Koop het hier.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Paul Muys

Paul Muys is oud-journalist en oud-communicatieman. Hij schrijft vooral over Frankrijk en Franstalig België.