fbpx


Cultuur

Jezelf opwinden

Dagboekaantekeningen (64)


oorlog

Aangeboden door deze bibliotheek


Dit plus-artikel wordt u aangeboden door deze bibliotheek die voor u een abonnement nam.

Vindt u het interessant? Neem dan vandaag uw eigen gratis proefabonnement van 30 dagen.



Woensdag 9 februari De situatie aan de Oekraïense grens is onveranderd, een schemeroorlog, waar dan ook televisiebeelden van een schemerige wereld bij horen: een rommelig platteland, besneeuwde velden, waar de zon permanent bezig is onder te gaan... Die Slavische beelden herinneren me aan de tocht die ik in januari 1998 per auto naar het mythische Sarajevo ondernam. De Balkanoorlog was min of meer uitgewoed en we reden door een landschap vol krankzinnige zetstukken, uitgebrande huizen, kapotgeschoten dorpen, staketsels van een…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Woensdag 9 februari

De situatie aan de Oekraïense grens is onveranderd, een schemeroorlog, waar dan ook televisiebeelden van een schemerige wereld bij horen: een rommelig platteland, besneeuwde velden, waar de zon permanent bezig is onder te gaan…
Die Slavische beelden herinneren me aan de tocht die ik in januari 1998 per auto naar het mythische Sarajevo ondernam. De Balkanoorlog was min of meer uitgewoed en we reden door een landschap vol krankzinnige zetstukken, uitgebrande huizen, kapotgeschoten dorpen, staketsels van een normaal leven waaroverheen draperieën van sneeuw en ijs hingen – het was adembenemend, ik stak een bevroren slagveld over en er dreigde geen ander gevaar dan een lekke band.
Mijn gezelschap was de roodharige Servische Rada, die mijn theatermonoloog Het mens had vertaald en een opvoering in het zogenaamde Oorlogstheater geregeld (tijdens de belegering had Susan Sontag daar Wachten op Godot geënsceneerd). Sarajevo gold in die dagen als de morele hoofdstad van Europa; en ik moet zeggen dat ik er uitsluitend fatsoenlijke mensen heb ontmoet, die naasten hadden verloren, het mensdom enige jaren in zijn stompzinnigste vorm hadden gadegeslagen en het etnisch-religieuze fanatisme van de drie stammen verafschuwden.
We reisden door de schemering, die de hele dag viel. ‘Mijn vaderland is gek geworden,’ zei Rada, die melancholieker klonk naarmate de schemering dichter werd. Een bleke maan wees meer ruïnes aan.
Maar ik stuurde en voelde me belangrijk. Was ik niet Godot? Op mij zaten ze te wachten in Sarajevo. Joy, vier maanden zwanger, kwam per vliegtuig. Ik, Godot, stuurde. Om vijf uur was het aardedonker. We bereikten een
controlepost van de SFOR: de brug was kapotgeschoten en we werden begeleid naar een pont verderop. ‘De schering van de haat, de inslag van de kogels,’ zei de zwartharige Rada.
‘Wat?’
‘Dat is een regel uit een oorlogsgedicht. Stond in een tijdschrift. Beetje vrij vertaald.’
Nooit heb ik het inferno van de nacht sterker ervaren dan op die pont, in een duisternis die uitsluitend bestond om een enkele gaslamp te omringen, die aan een ijzeren staak op de boeg schommelde en die op haar beurt enkel bestond om deze helse duisternis te intensiveren. Twee kerels trokken het vaartuig langs kabels naar de overkant. Niemand sprak. De maan was gedoofd. Nu zou geweervuur de nocturne van vogelkreten en krakende kabels doorboren.
Maar we bereikten Sarajevo, dat beschadigd tussen zijn bergen lag. Joy arriveerde, blond en met een buikje; we logeerden bij iemand van het toneelgezelschap, in een woning met meubilair van voor het communisme – het was er van een gezellige stoffigheid, die vroeg om een daghitje en antieke sociale verhoudingen; ons bed stond in een kamer waar het tochtte door een mooi rond gat (ongeveer zo groot als een voetbal) in de hoek, waardoorheen je een paar mannen aan de overkant van de straat bij een vuurtje kon zien kamperen. ‘Een kleine granaat,’ zei onze gastheer opgewekt. ’s Ochtends rook de kamer naar ouderwetse benzine.

Donderdag

Het leven is niets. Maar voor de schrijver is het een geannoteerd niets.

’s Avonds

Een wonderbaarlijk boek is The Mouse and His Child van Russell Hoban, mij aanbevolen door John Crook. In taxonomische zin is het een kinderboek, maar dan toch een voor bijzonder verbale kinderen, zoals John Crook, die ‘chtonisch’ zegt als hij aards bedoelt.
Het boek (uitgekomen in 1967) doet enigszins denken aan The Wind in the Willows, maar de antropomorfe dieren worden gewoon opgegeten, een concessie aan Darwin die veel griezeliger is dan de wolf van de gebroeders Grimm. De hoofdpersonen zijn een blikken speelgoedmuis, die zijn zoontje bij beide handen vasthoudt en met hem ronddanst als je de sleutel in zijn rug opwindt.
Door een verandering in hun mechaniek leren ze rechtdoor lopen – en nu begint de lineaire geschiedenis: een zoektocht naar de mama olifant en het poppenhuis uit de speelgoedwinkel, in het eerste hoofdstuk begeleid door een ‘gibbous moon’, zoals Russell Hoban en John Crook een voor driekwart volle maan noemen.
De muizen hebben het geluk dat ze oneetbaar zijn, maar ze kunnen zichzelf niet opwinden. Ze verroesten, gaan kapot… Probeer maar eens een boek te schrijven over de odyssee van twee speelgoedmuizen die – omringd door de permanente oorlog van de voedselketen – telkens hulp nodig hebben om weer een eindje verder te komen, zonder dat het saai wordt. Maar je begint van de kleine blikken Odysseus en zijn Telemachos te houden. En goddank loopt alles goed af: de muis trouwt met de olifant, het kind krijgt zijn moeder en hun aartsvijand de rat ontwerpt het gedroomde zelfopwindsysteem.
Een bekoorlijk filosofisch verzinsel over de vrije wil. Maar is het verzonnen? U en ik hebben ook een sleutel in onze rug. De literatuur is als een geleid bezoek aan de Galapagoseilanden.

Zondag

Op verzoek van het vogeltijdschrift De scharrelaar schrijf ik vogelgedichten. Ik weet in ornithologische zin bedroevend weinig over vogels – en dus worden mijn papieren vogels mythisch (u had niet anders verwacht), om te beginnen de uil, die al eeuwen in gedichten heeft doorgebracht. Er is ook een uit het nest gevallen mereljong, een ‘Ongerijmd vogeltje’:

Buiten de keukendeur ligt iets:
een (zodra je je hebt gebukt)
uit
De oorsprong der soorten gedonderd
van cellen gemaakt onvoltooid ding.
Piepjong probeersel ter verbetering
van het ongevederde niets,
prefiguratie van een merel.

Maar het bloed is nog rood
in het bijna doorzichtige vlees. Gek
die gele stekels waar de veren zijn mislukt.
De bek snakt nog. Hij lijkt verwonderd
dat een zo dun vlies de zon bedekt.
Elke dag verwondt ons, alleen de laatste doodt.

Later

Zo’n mereltje bestaat uit een paar miljoen geprogrammeerde cellen, tot het doodvalt en de cellen zinloos worden. Je moet dat soort zaken als een klein kind bekijken: eerst kon het vliegen, toen nooit meer. Maar wat is er dan met dat vliegvermogen gebeurd? Dat was de ziel, anachronistisch uitgedrukt.
Het vliegvermogen is universeel onder merels. Dat is de idee ‘vliegvermogen’. De ziel is de individuele uitwerking daarvan (net als de zang, enzovoorts). De idee splitst zich dus op; maar zodra dat gebeurt, zodra er een vogeltje ontstaat, is het vliegen, zingen enzovoorts geen idee meer; en als het geen idee meer is, is het dus een werkelijkheid. Het doodvallen doet daar niets aan af: een herinnerde werkelijkheid is nog steeds een werkelijkheid. Sterker nog, het doodvallen zelf is een werkelijkheid.
Het is onbegrijpelijk, maar niet erg moeilijk.

Nog later

Als kind zeg ik u dat het onredelijk is voor een of andere cherub met een brandend zwaard om Roffel en Sammie de toegang tot het hiernamaals te ontzeggen.

Woensdag

Troost in de literatuur? Laat ik zeggen dat ze me soms afleidt, zoals een courtisane een verveelde potentaat.
Ik ben nu begonnen in The Good Soldier, ondertitel The Saddest Story Ever Told, van Ford Madox Ford, die nog in het pittoreske Winchelsea heeft gewoond, een stadje hier in de omgeving, waar sentimentele Engelse aquarellisten dol op zijn. Maar toen hij dat boek schreef, had hij zijn vrouw verlaten en was in Londen ingetrokken bij de feministische schrijfster Isobel Violet Hunt, die hij vervolgens zou verlaten voor een Australische kunstenares, die hij weer in de steek zou laten voor een Pools-Amerikaanse kunstenares. Dit wanordelijke liefdesleven ging gepaard met sympathie voor de suffragettes en de Fabian Society – veelwijverij als politieke daad.
Om een of andere reden bewonderde mijn vader de roman. Omdat ik The Good Soldier nu pas lees, terwijl mijn vader alweer ruim een decennium dood is, kan ik niet meer te weten komen wat precies hij zo bijzonder vond aan dit in 1915 verschenen relaas van liefdesrelaties in een Duits kuuroord, met een onbetrouwbare ik-verteller, zodat je nooit weet wat er nu echt aan de hand is. Aan tafel kan ik voortaan wel mijn erudiete verbazing etaleren: ‘Meen je dat nu? Heb je nooit van The Good Soldier gehoord?’ Maar tot gisteren kende ik alleen maar de titel, een van de vele titels in die aparte kamer hierboven, waar zijn zo zorgvuldig opgebouwde Engelse bibliotheek staat, honderden boeken, die mij bij het binnenkomen verwijtend hun rug toekeren…
Wat waardeerde hij toch zo in deze ingewikkelde keukenmeidenroman over rijke mensen die zich vervelen? De ironie – ongetwijfeld. Maar de springerige modernistische vertelstijl, het literaire kubisme van een niet-chronologische vertelling, die mogelijk vooral uit leugens bestaat? Er sterven drie mensen en de ik-verteller zou twee van hen best vermoord kunnen hebben – zeker zijn op Isobel Violet Hunt gebaseerde echtgenote… Of niet. De sleutel ontbreekt.
Maar mijn vader was dol op Engelse detectives en hield ook van kubistische schilderkunst, en op een kubistisch schilderij weet je ook niet per se wat onder of boven is.
Bij de wake op de vooravond van zijn begrafenis speelde de organist een tamelijk oorverdovend stuk van Olivier Messiaen – mijn vader had het kakofonische curiosum als jongen gespeeld en wilde dat het een onderdeel van zijn afscheid vormde. Dat stond op een papier met aanwijzingen voor de liturgie.
O vader, wat las je toch in Ford? Wat hoorde je in Messiaen?

Vrijdag

Een storm, door meteorologen Eunice gedoopt, wijst de Britse eilanden op hun nietigheid. Eunice heeft de elektriciteit in de wijde omgeving uitgeblazen. In Brussel is Joy onbereikbaar. De politie houdt het verkeer richting Hastings tegen: er is een boom over de weg gevallen. Sammie kruipt met haar oren plat tegen haar kop op de bodem van de kosmos weg. Eunice: ook van een storm maken we ons een antropomorfe voorstelling. Ze huilt.

Zaterdag

Ik ga bij Westfield aan de andere kant van het veld staan, waar het voetbal even slecht blijkt te zijn. Maar ik ontdek dat het weiland een stijging van minstens vijf graden in noordoostelijke richting vertoont en dat het op sommige plaatsen golft als een wiegende zee, maar dat komt misschien door de koude wind die van de storm is overgebleven, het zuchten van de stervende Eunice.
Nu onderbreekt een woeste tackle een dribbel: Liam of Mason vliegt door de lucht, de inwendige veer van die roodharige volksjongen wordt bij de landing samengedrukt en terwijl de scheidsrechter nog bezig is het fluitje naar zijn lippen te brengen is Liam alweer overeind gesprongen en heeft zijn opponent een klap gegeven… Geel voor de ander. Rood voor Liam. Het had twee keer rood moeten zijn en voor sommige tackles lijkt zwart mij gerechtvaardigd, met standrechtelijke executie achter de kantine als sanctie.
Liam trekt zijn geelgroene shirt uit en verlaat het veld, terwijl hij in een onnavolgbare bewustzijnsstroom, waarin de fucks voorbijkomen als drollen in het riool, te kennen geeft dat hij onheus is behandeld. Ik zie de sproeten op de magere witte rug van de naar het noordoosten wegsjokkende Liam of Mason – het is alsof ik naar een gedetermineerde kijk, alsof hij die klap net zomin zelf heeft gegeven als hij die sproeten heeft aangebracht.

Zondagavond

Bij de open haard van John Crook heft de Brede Drinking Club for Gentlemen of the Stronger Sex het glas. Leden van deze Zwarte Hand voor oudere heren zijn John, Gary, Duncan, Darryl en ik. De ballotage is een over de rand van het acceptabele tot diep in de afgrond daarachter ontwikkeld gevoel voor humor. Elkaar en alle afwezigen beledigen is een vereiste. Subtiliteit in de taal is een voorwaarde: de grofheid kan op meer instemming rekenen naarmate zij verfijnder is. De Drinking Club is nogal goed voor mijn Engels.
We krijgen het halverwege de derde fles over Amerikanen. Ik vertel over mijn kennismaking met een puriteinse oom van Joy. ‘He concluded, as they always do, poor, dear old things, with the aspiration that all American women should one day be sexless – though that is not the way they put it…’ (Deze zin heb ik ter voorbereiding van onze bijeenkomst uit mijn hoofd geleerd.)
‘Your good lady sexless?’ zegt Darryl.
‘Die oom,’ zeg ik, ‘kwam regelrecht uit The Good Soldier.’
‘Uit de wat?’
‘Maar John! Heb je nooit van The Good Soldier gehoord?’

Maandag 21 februari

Hoe je tegenover een onverwachte lentedag te gedragen? Je luistert naar het gedicht dat het roodborstje voordraagt en voelt de kus van de zon op je gezicht… de zoete verlakkerij van Rousseau. Maar de waarheid is dat we de natuur romantiseren, terwijl we onze duisterste neigingen met datzelfde woord aanduiden. Zo raken we altijd weer verward in semantisch struikgewas. Tenzij we natuurlijk, onbevangen als een knapenkoor, willen geloven dat de mens goed is en het roodborstje aardig…

12 uur

De honden grommen, maar de oorlog is nog altijd niet losgebarsten.
Pieter Waterdrinker, schrijver van Tsjaikovskistraat 40, meesterlijke evocatie van zijn woonplaats Sint-Petersburg, schrijft me dat hij van plan is naar Frankrijk te vertrekken: ‘We zijn als de dood dat de Russische grenzen dichtgaan.’

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.