Actualiteit

Joachim Pohlmann: ‘Politiek verandert niet, enkel de omstandigheden’

Zoals gebruikelijk in deze reeks stuurde Pohlmann in aanloop naar het interview enkele boektitels door die hij zou bespreken. Eigenlijk enkele namen te veel voor de voorzienbare tijd, daarom zal het in dit interview vooral gaan over enkele auteurs zoals Louis Paul Boon, Benedict Anderson, Hannah Arendt en Ernst Jünger. Vooral die laatste en Friedrich Nietzsche vormden een inspiratiebron bij het schrijven van zijn eigen boeken, Altijd iets (2012) en Een unie van het eigen (2016). ‘Er zit bij hen een zekere filosofische achtergrond die ik deel’, zegt Pohlmann. ‘Zeker in mijn laatste boek waarin ik de idee verweef van het soevereine individu met gehechtheid aan traditie en afkomst.’

Ernst Jünger

Jünger is een Duitse auteur die Pohlmann enorm fascineert. Net zoals bij Nietzsche heeft hij ook Jüngers werk uitvoerig gelezen. ‘Zo word je met Jünger heel vertrouwd. Je gaat er bijna een dialoog mee aan, omdat je er zelf over begint te redeneren.’

‘Het interessante aan Jünger is net dat hij zo controversieel is. Hij is een typisch product van het wilhelminische Duitsland. Hij heeft op zeer jonge leeftijd al een enorme drang naar avontuur en vertrekt als zeventienjarige naar het vreemdelingenlegioen. Vooral om de oversteek naar Afrika te kunnen maken om op ontdekking te gaan. Hij schrijft er later een boek over: Afrikanische Spiele. Eens aangekomen in Algerije, deserteert hij om op avontuur te trekken, maar wordt hij vrijwel onmiddellijk gevat en zijn vader moet hem vrijkopen. Terug in Duitsland moet hij de belofte maken om te stoppen met avonturieren tot hij afgestudeerd is. Maar iets later breekt de Eerste Wereldoorlog uit en Jünger was allesbehalve een goede student. Hij wordt vrijwilliger in het leger, waardoor hij zijn diploma bijna voor niets krijgt.’

‘De kritiek die hij op zijn verslag In Stahlgewittern. Aus dem Tagebuch eines Stoßtruppführers krijgt is dat het oorlogsverheerlijking zou zijn, quod non. Het is alleszins miserie alom, bloederig en hard. En net zoals veel jongeren uit zijn tijd ging hij met heel romantische beelden naar de oorlog. In zijn geval niet zozeer over de natie, maar over persoonlijke heroïek. Voor velen werd de oorlog een enorme ontnuchtering op vlak van humanisme, moderniteit en ideologie. Maar zijn grote ontnuchtering was dat in een oorlog de techniek de rol van de mens heeft overgenomen. Duitsland ging de oorlog in met Napoleontische wapens en strategieën, maar door de industrialisering is de oorlog heel snel technologisch van aard geworden. Denk aan gifgas, prikkeldraad, tanks … Jünger beschrijft heel mooi de schok wanneer hij de eerste Duitse staalhelm  ziet, terwijl hijzelf nog een lederen helm draagt. Heel zijn leven lang zal het gegeven van de mens die overheerst wordt door een technologische en technocratische samenleving zijn denken beheersen. Tot aan Der Arbeiter, Herrschaft und Gestalt, een essay gepubliceerd in 1932, laat hij in het midden of hij dat positief of negatief vindt. Het is eigenlijk een boek over totalitarisme, maar je weet nooit welke soort. Hij schrijft over een samenleving waar alles arbeid is. Ontspanning, familie, sport … alles komt in het teken van arbeid te staan. Niet in de ideologische marxistische betekenis, maar in de zin van efficiëntiedrang, een beetje zoals in de huidige samenleving. Later heeft hij wel kant gekozen en is hij daar kritiek op beginnen geven.’

‘In tegenstelling tot veel oud-strijders geloofde hij niet in de dolkstootlegende; dat Duitsland de oorlog niet militair verloren heeft, maar in de rug gestoken is geweest door de communisten en de Joden … Volgens Jünger verloor Duitsland omdat hun technologie niet op kon tegen die van de Amerikanen, de Britten en de Fransen. Een heel mooi voorbeeld in In Stahlgewittern is wanneer hij beseft dat de oorlog verloren is. Meer bepaald wanneer hij met een aantal kameraden tegen de orders in beslist om een Britse loopgraaf aan te vallen. De Britten vluchten en ze maken die loopgraaf leeg. Ze komen in een kombuis en ze vinden daar confituur, kaas, worst, fruit, … terwijl de Duitsers al maandenlang uiensoep met brood aan het eten zijn. Toen besefte hij dat als de Britten nog steeds dat soort eten hebben, Duitsland de oorlog nooit kan winnen. Hij ziet in dat alle individuele heroïsche inzet en kracht dat niet zal kunnen keren. Het individu is dus verwaarloosbaar geworden en dat zal heel veel van zijn verdere denken bepalen.’

‘De kritiek die Jünger gekregen heeft is dat hij nooit die oorlog moreel heeft willen veroordelen. Andere werken uit die tijd – denk aan Im Westen nichts Neues van Erich Maria Remarque of zelfs Reis naar het einde van de nacht van Louis-Ferdinand Céline zijn geschreven met een naoorlogse blik. Daarin wordt de oorlog afgewezen als fout en zinloos. Jünger heeft daarentegen altijd geschreven vanuit het blikveld van de loopgraaf. Omdat hij zo oud is geworden (Hij werd net geen 103 jaar oud en stierf in 1998, S.C.) was hij ook een van de laatste overlevenden van de Eerste Wereldoorlog tijdens de herdenking van Verdun in 1984. Toen is hij samen met Helmut Kohl en François Mitterrand, hij kende ze allebei zeer goed, naar het slagveld gegaan. Achteraf kwam er een journalist naar hem die vroeg wat hij het ergste aan de Eerste Wereldoorlog vond. In ons tijdsgewricht verwacht je dan antwoorden zoals “dat ik zoveel vrienden heb verloren” en “de zinloosheid daarvan”. Hij antwoordde: “Dat we verloren hebben”. Dat is de blik van de loopgraf, niet van de moralisering achteraf. Dat hij die oorlog heel zijn leven lang weigerde te veroordelen heeft hem natuurlijk zo controversieel gemaakt.’

‘Je kan van Jünger veel zeggen, maar hij is heel zijn leven rechtlijnig geweest in zijn eigen visie. Hij hield afstand van massabewegingen en dus ook, zeker op het einde van de jaren 20, van de nazi’s. Nadat hij Der Arbeiter, Herrschaft und Gestalt geschreven heeft, kreeg hij regelmatig bezoek van de Gestapo. Hij heeft dan Berlijn verlaten en is op het platteland gaan wonen, waar hij Auf den Marmorklippen heeft geschreven. Het is een allegorisch verhaal over twee broers waarin je heel gemakkelijk zijn broer Friedrich Georg en hemzelf in kan herkennen. Ze leven heel cerebraal, bijna als monniken en hun leven wordt bedreigd door de Opperhoutvester, een mystificatie van Hitler. Hij beschrijft er ook, hoewel hij dat toen nog niet kon weten, de concentratiekampen. Na dat boek is in de nazikrant Völkischer Beobachter geschreven dat Jünger het nekschot verdiende. Hitler himself heeft hem toen de hand boven het hoofd gehouden. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, ging Jünger opnieuw uit Duits patriottisme het leger in – hij werd in Parijs gestationeerd als stafofficier van de generale staf. Er is onduidelijkheid in welke mate hij betrokken was bij het complot tegen Hitler. Hijzelf heeft dat geminimaliseerd. Hij vond dat na de oorlog plots iedereen verzetsheld was geworden. Juist om daar tegenin te gaan wilde hij vanuit zijn aristocratische consequentie niet bij het Duitse verzet gerekend worden. Daarom wilde hij ook niet dat Auf den Marmorklippen als een verzetsboek werd gezien.’

‘Nu wil het “toeval” dat zijn zoon, die op dat moment ook in het leger zat, zich eveneens kritisch had uitgelaten tegen Hitler. Hij werd veroordeeld tot een strafbataljon, dat instond voor zelfmoordmissies. In Italië sneuvelde hij uiteindelijk op de marmerklippen van Carrara door een nekschot. Als je dat leest, is dat toch allemaal wel zeer toevallig. Jünger heeft trouwens geweigerd om te onderzoeken of zijn zoon gesneuveld is of dan wel is afgemaakt als represaille, dat typeert hem ook. Ik ben ooit in zijn huis, een soort museum, in Wilflingen geweest en de gids zei dat Jünger zich altijd enorm schuldig heeft gevoeld voor de dood van zijn zoon. Thuis sprak Jünger namelijk vrijuit over wat voor een verwerpelijk figuur hij Kniebolo, zoals hij Hitler in codetaal noemde, wel niet vond. Zijn zoon heeft die woorden dan later publiekelijk gereproduceerd, vandaar dat schuldgevoel.’

Louis Paul Boon

‘Ik heb intussen een groot deelvan Louis Paul Boons oeuvre gelezen. Op mijn zestiende ben ik ermee begonnen met zijn debuutroman De voorstad groeit. Dat was de eerste keer dat een boek me overdonderde, ik heb het daarna ook niet meer vaak meegemaakt. Louis Paul Boon heeft een enorme vertelkracht. Ik was daar helemaal ondersteboven van; ik heb dat boek in die periode bijna jaarlijks herlezen. Als we Willem Elsschot en Stijn Streuvels tot de ‘Grote’ vooroorlogse schrijvers rekenen is Boon van de naoorlogse schrijvers de grootste die we hebben. Boon was trouwens wat jaloers op Claus. Die laatste was de mooie jonge literaire god. Boon maakte zichzelf kleiner, Claus was mondain. Die vertoefde in Parijs en Boontje zat maar in Aalst boekjes te schrijven zoals De zwarte hand en over pastoor Daens. Los van zijn imago, zijn De Kapellekensbaan, Zomer te Ter-Muren en Pieter Daens schitterende boeken. Ik verschiet er trouwens soms van hoe Vlaams zijn ingesteldheid wel niet was.’

‘Boon kwam ook uit het Daensistische milieu. In de jaren 30 had je daarin een splitsing. Een stuk ging naar wat uiteindelijk de nieuwe orde is geworden, een ander deel ging naar de communisten. Hij behoorde tot die laatste groep, waarvan hij na de oorlog heeft ingezien dat dit opnieuw een verabsolutering is. ‘Het communisme is de nieuwe Kerk’, zei hij vaak. Hij heeft dat heel mooi beschreven in zijn bewerking van het Reynaert epos Wapenbroeders. Het is op zo’n manier verteld dat voor een jonge lezer die geen kennis heeft van de geschiedenis van de jaren 40 en 50 het verhaal wel te volgen is.’

Handorakel en kunst van de voorzichtigheid van Balthasar Gracian y Morales

‘In het Handorakel probeert Gracian aan mensen die leefden in de omstandigheden van het vroegere Spanje, met zijn zeer strikte moraal en hiërarchische maatschappij, duidelijk te maken hoe ze sociaal mobiel konden zijn. Hij vertelt hen hoe ze zich konden aanpassen aan de steeds wisselende context. Dat wordt cynisch genoemd, maar het is nu eenmaal de realiteit. Wat het cynisch maakt is dat mensen zoals Gracian, Jünger of Machiavelli dat beginnen te abstraheren, op papier zetten en zelf tips geven. Eens je het spelletje doorziet kan je het ook manipuleren en dat is wat Gracian in dit boek doet.’

All The Kings Men van Robert Penn Warren

‘Ik heb dit boek gekozen omdat het volgens mij een van de weinige fictieproducten is die het beste benadert hoe het politieke bedrijf echt in elkaar zit. Politiek verandert niet, enkel de omstandigheden veranderen. Kijk naar wat Cicero, Machiavelli en Robert Penn Warren schrijven en dan zie je dat het politieke bedrijf an sich niet verandert. Wat wisselt is de technologie, de staatsvorm en de verschillende verhoudingen. All The Kings Men dateert van zestig jaar geleden, maar dat verschil is amper te merken. Ik heb af en toe wel stukken gezien van House of Cards of van De 16. Dat gaat over politiek, maar het is niet de realiteit zoals ik ze ervaar. Die realiteit is een heel menselijk gegeven, de botsing tussen het streven naar macht en de tol die dat vraagt van een mens en zijn omgeving. Dat is waar Robert Penn Warren in dit boek heel mooi op ingaat. Zelfs al verzet je je daartegen, je persoonlijk leven geraakt gecorrumpeerd door politiek, dat is wat hij weergeeft. Het boek gaat over een jonge journalist die eigenlijk al stoemelings meegezogen wordt door een charismatische, nogal populistische politicus uit het zuiden van Amerika. Hij duikt mee in zijn opgang en zijn persoonlijk leven geraakt erin vervlochten. Politiek begint op den duur een mensenleven te sturen, je komt daar nooit ongeschonden uit.’

Totalitarianism van Hannah Arendt

‘Ik denk dat Hannah Arendt zeer persoonlijk die totalitaire verleiding ondervond. Niet bij zichzelf, maar in haar omgeving. Arendt was als joodse vrouw een leerlinge en geliefde van Martin Heidegger. Zij heeft gezien hoe iemand die tot de grote geesten van haar tijd behoorde verleid werd om enorm ver mee te gaan in de nazi-ideologie, tot in het extreme. Hij verraadde zelfs zijn oude leermeester Husserl – hij was ook joods. Het interessante aan haar boek is uiteraard de banaliteit van het kwaad. Elk idee draagt iets totalitair in zich. Een kaartersclub kan bij wijze van spreken van zijn leden een dermate engagement vragen zodat het een gesloten totalitair clubje wordt. Elke ideologie heeft dat in wezen in zich. Vandaag zie je dat ook, alleen in een andere gedaante. De grootste totalitaire bedreiging op dit moment is ongetwijfeld de radicale islam. Maar als het dat niet was geweest, dan misschien iets anders. Wat ik van Jünger heb geleerd is dat de objectieve werkelijkheid voor ons onkenbaar is. Hij kleedt dat haast metafysisch in, ik iets rationeler. We kunnen nooit weten wat de werkelijkheid echt is. De absolute waarheid heb je in nooit in pacht. Je kan een overtuiging hebben, maar dat is nog niet de waarheid. De twijfel over de werkelijkheid is essentieel en weerhoudt je van het totalitaire.’

Imagined Communities van Benedict Anderson

‘Rond mijn veertiende ben ik Vlaams-nationalist geworden, dan spreken we over de jaren 90. Toen was er de enorme opkomst van Vlaams Blok na Zwarte Zondag en werd er over Vlaams-nationalisme alleen maar in morele termen gesproken. “Dat is slecht”, zei men. Op school maakte ik toen mijn eindwerk over Vlaams-nationalisme en las ik de gangbare werken zoals Het klauwen van de leeuw van Marc Reynebeau. Daarin werd vaak verwezen naar de grote auteurs over nationalisme zoals Ernest Gellner of Eric Hobsbawn, maar ook Benedict Anderson. Zijn sleutelbegrip werd in die tijd vaak vertaald als ingebeelde gemeenschappen. ‘Het volk’ is een fictie, dat was zowat de pensée unique in de jaren 90. In Leuven ben ik dan pol en soc gaan studeren. We kregen daar vooral linkse auteurs. Daarna heb ik antropologie gestudeerd. Ik dacht dat het een nog linksere richting zou zijn, maar dat viel eigenlijk ‘tegen’. Antropologie was een zeer ruimdenkende en open studie. En een van de eerste boeken die we moesten lezen was Imagined Communities van Benedict Anderson.’

‘In tegenstelling tot wat me werd aangepraat in de jaren 90, dat het boek een kritiek was op nationalisme, bleek het bijna een pleidooi voor nationalisme te zijn. Het ging niet over ingebeelde gemeenschappen, maar over verbeelde gemeenschappen. We zijn een gemeenschap, ook al kennen we elkaar niet persoonlijk, en we hebben bepaalde symbolen en bepaalde instituties waarmee wij onze eenheid verbeelden, was het uitgangspunt. Anderson zei dat nationalisme niet per se een destructieve kracht hoeft te zijn. Nationalisme kan een enorme integratieve kracht zijn als het erin slaagt om een samenleving aan elkaar te smeden door een aantal gedeelde waarden. Dat was toch iets totaal anders dan wat me verteld werd door sommige leerkrachten en proffen. Ik denk dat Anderson wel goed begrepen werd, maar verkeerd werd toegepast in dat postmoderne verhaal over achterhaald Vlaams-nationalisme.’

‘Anderson zegt dat naties een modern product zijn waarbij technologie en al zeker communicatietechnologie een enorme impact hebben op hoe die natie verbeeld wordt. Op welk moment beseffen de Duitsers dat ze in dat versplinterde Heilig Roomse Rijk der Duitse naties samen een verbondenheid hebben? Op het moment dat de Lutherbijbel het Duits standaardiseert. Dan pas is er een communicatiemiddel dat al die vorstendommen begint te verenigen in hun cultuur. Kijk ook hier naar Vlaanderen. Wanneer heeft die verbeelding van Vlaanderen een enorme vlucht genomen? Op het moment dat VTM kwam en Vlaanderen begon te verbeelden als een natie en de BRT, later de VRT, daarin volgde. Wat Michael Billig banal nationalism noemt, zie je voortdurend in de reproductie van Vlaanderen in alle vormen en maten. Kritisch in het beeld van In de gloria als een knullig volkje wonend in een verkaveling tot het meer lovende beeld van het heroïsche Ronde van Vlaanderen-gegeven.’

 

 

Foto: (c) Reporters

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans

[email protected]
[email protected]
[email protected]
[email protected]