Binnenland, Cultuur, Geschiedenis, Politiek
Johan Swinnen

Johan Swinnen: ‘Terreur van extreem-links wordt minder serieus genomen’

 De brand in de Innovation in de Nieuwstraat in Brussel op maandag 22 mei 1967 ontstond niet door een kapotte tl-lamp maar was een communistische aanslag, schrijft Swinnen. Op die bewuste dag gingen zijn ouders winkelen in het megalomane grootwarenhuis in Brussel. In de Innovation, nu bekend als Galeria Inno, kon je werkelijk alles krijgen: meubels, kledij, huishoudgerief, voeding … Er was ook een restaurant en een kapperszaak. Dit allemaal met de bedoeling om klanten er zo lang mogelijk te laten winkelen. Maar bij de brand werkte dit als een muizenval.

Zelf ontsnapte de toen 13-jarige Swinnen aan de brand. Hij was stout geweest en mocht niet mee op uitstap naar Brussel. ‘Soms kreeg ik er schuldgevoelens over’, vertelt Swinnen. ‘Was ik er beter bij geweest? Of had ik ze kunnen redden? Je weet dat niet. Ik hoop dat ze bovenaan het gebouw in het zelfbedieningsrestaurant zijn omgekomen, waar veel kans was op verstikking. Hopelijk waren ze bij wijzen van spreken met hun hoofd in hun kom soep gevallen, zodat ze niet bij bewustzijn in brand hebben gestaan (stilte) en aan hun drie kinderen konden denken …

‘Ik heb mijn vrouw en mijn kinderen nooit willen belasten met dat verhaal. Mijn voordeel was dat je als professor (Swinnen was hoofddocent hedendaagse kunstgeschiedenis en beeldcultuur aan de Vrije Universiteit Brussel, S.C) sowieso veel moet schrijven en aan onderzoek moet doen. Zo viel het voor mijn collega’s en mijn gezin niet op dat ik ook met de Innovation bezig was.’

Twintig jaar geleden begon hij met zijn studie naar de brand. ‘Mijn kinderen werden groter. Ik dacht toen soms wat er met hen zou gebeuren als mijn vrouw en ik zouden wegvallen. Toen ik 50 werd, kreeg ik het ook moeilijk; mijn vader stierf op zijn vijftigste. Evenzeer op de momenten toen mijn zoon en dochter dertien werden (de leeftijd waarop Swinnen zijn ouders verloor, S.C.).’ ‘Toen het boek uitkwam, was het voor mij ook even een moeilijke periode. Mijn kinderen, nu 36 en 35 jaar, schrokken zich rot toen ze in Happening over mijn eerste dagen, weken en jaren als wees lazen. Ze vroegen zich na het lezen van Happening bezorgd af of ik toch wel gelukkig was geweest. Ze hadden dat verhaal van mij namelijk nooit zo nauwkeurig gehoord. Ik wilde hen een ongestoorde en niet door trauma beheerste jeugd meegeven. Mijn vrouw en de kinderen hebben de voorbije maand enorm zorgend gereageerd en dat heeft me behoed voor een depressie. Jaren onderzoek doen in de luwte en beseffen dat je ouders vermoord zijn door een aanslag, kruipt in je kleren. Gelukkig hebben we warme en sterke familiebanden waar niemand die het slecht voor heeft, ook geen terrorist, kan inbreken. We vormen een cocon.’

Het verhaal valt op zijn minst explosief te noemen. Swinnen spreekt van een aanslag met drie brandbommen tijdens de Amerikaanse veertiendaagse in de Innovation. Met 323 doden en honderden gewonden zou dit de grootste terroristische aanslag in België geweest zijn. Volgens Swinnen pleegde een extreem-linkse groepering de aanslag uit verontwaardiging over de steun van het Westen aan de oorlog in Vietnam en vanwege de onrechtvaardigheden van de kapitalistische samenleving. De boektitel Happening verwijst naar hoe de communisten hun vorm van actievoeren noemden: ‘ein großes Happening’.

Om mogelijke juridische klachten te vermijden, gebruikte Swinnen fictieve namen en verwerkte hij zijn onderzoek in de vorm van een roman. ‘Ik heb eigenlijk ook een “Flemish novel” willen schrijven. Ik ben opgegroeid in het Limburgse Loksbergenen beschrijf het Hagelandse dorpsleven, het ontwaken van de puberseksualiteit, de opkomst van de Volksunie en het verzet hiertegen door de pastoor op de kansel. Maar ook de enge internaatssfeer, de mijnwerkers- en Ford-staking … Ik wilde na al die jaren over mijn jeugd vertellen. Ook over pedofilie door paters in internaten. Dat was niet eenvoudig, want ik heb het nooit aan mensen verteld. Ikzelf ben nooit misbruikt geweest. Wel hadden we op de lagere school een onderwijzer gehad die was weggestuurd omwille van pedofilie. Mijn ouders hadden toen verteld dat zoiets niet mocht, andere kinderen wisten vaak niet goed hoe te reageren. Nu krijg ik veel brieven van lezers; mensen die vroeger slachtoffer geweest zijn van pedofilie. Vooral bij de Jozefieten in Leuven. Ook hier zijn namen van paters veranderd. Sommigen leven nog en zouden klacht kunnen indienen.’

Een maand na de boekpublicatie interviewt Doorbraak Swinnen. Meer dan tweeënhalf uur zijn we bij hem thuis in Antwerpen-Zuid te gast. Tijdens een intermezzo toont hij een voor ons klaargemaakte doos vol onderzoekswerk met gekopieerde documenten; publicaties in nasleep van de brand en indrukwekkend fotomateriaal van de Innovation. Niet alleen plaatjes van de brand, maar ook van de gloriedagen. Allerlei tentoonstellingen, wereldsterren die te gast zijn en het personeel dat de directeur als een koning ontvangt. De Innovation zelf bestond uit talloze balkons van drie verdiepingen die uitkwamen op een enorm grote inkomhal. Iets wat nu onbestaande is, want na de brand werden de bouwvoorschriften verstrengd.

Ondanks de bijzonder fijne reacties van talrijke lezers uit Nederland en Vlaanderen is Swinnen ietwat teleurgesteld over het gebrek aan Vlaamse media-aandacht. Hij vertelt enkele anekdotes. ‘In Nederland heb ik de mooiste recensies gekregen en mocht ik opdraven in landelijke tv-uitzendingen en radioprogramma’s.’ Prachtig beschrijft Swinnen hoe hartelijk hij in Hilversum verwelkomd werd en hoe oprecht geïnteresseerd de Nederlandse journalisten waren en ook de roman volledig gelezen hadden. ‘Nergens werd me daar gevraagd of ik lid was van N-VA’, zegt Swinnen. Een wereldwijd verschil met de mediaontvangst in Vlaanderen, zo blijkt. De week voor dit interview was hij te gast bij een VRT-radioprogramma. ‘Het was een goed persoonlijk gesprek. Maar na 45 minuten vroeg de journalist: “Is de diepere grond van je verhaal toch niet de haat naar de Belgische staat? En speelt ook je Vlaams-nationalistische gezindheid en je lidmaatschap bij de N-VA niet mee?” Dan denk ik: Jeroen Olyslaegers en Lize Spit worden toch ook niet gevraagd naar hun politiek engagement en hun stemgedrag? Waarom moest ik me wel verantwoorden? Een ander voorbeeld volgt. ‘In Gazet van Antwerpen staat dat Happening geschreven is door Johan Winnen, die fractiesecretaris is voor N-VA in de Kamer.’ (Hij werkte tot drie jaar geleden in die functie, S.C.). ‘En bij een interview voor Kanaal-Z had de journalist het boek niet gelezen. Mag je niet verwachten als schrijver dat men je leest vooraleer men je interviewt? Een lichtpunt was de lovende bespreking in de gratis krant Metro: de recensent schreef over “een pareltje” en bekroonde het met vier sterren. Verder geef ik graag een pluim aan BRUZZ voor het interview over mijn boek alsook aan de andere regionale zender RINGtv. Voor de rest heeft het weinig aandacht gekregen.’ ‘Er zijn nochtans weinig literaire boeken in Vlaanderen die na tien dagen de filmrechten verkocht hebben, waarbij drie filmproducenten kandidaat waren.’ Swinnen koos voor Peter Bouckaert, CEO van Eyeworks Film & TV Drama, die een grote staat van verdienste heeft. Bouckaert zal trouwens ook de bende van Nijvel (het boek hierover Niet schieten, dat is mijn papa! verscheen bij dezelfde uitgever)produceren met Stijn Coninx als regisseur.

Intussen is een Franse vertaling van zijn roman in de maak. ‘Volgens mij zal het een grotere respons in Wallonië en Frankrijk hebben dan in Vlaanderen.’ Swinnen vermoedt dat zijn verhaal hier in een doofpot zit. ‘Tot nu toe heb ik geen enkele letter gekregen in De Standaard, De Morgen, Humo, De TijdKnack schreef wél een artikel over zijn boek. ‘ Jeroen De Preter (de journalist die het artikel schreef, S.C.) is hier een hele dag geweest en daarna nog eens een halve dag. Bovendien had de fotograaf Johan Jacobs prachtige portretfoto’s gemaakt. Maar Knack heeft het artikel compleet gewijzigd daags voor het ter perse gaan. Bovendien moesten alle foto’s eruit, er mocht geen portret van mezelf in staan. In het artikel zelf werd het cynische verhaal van die tl-lamp heel fel naar boven gebracht. En in de tweede zin van het artikel moest volgens Bert Bultinck (de hoofdredacteur van Knack, S.C.) staan dat ik een N-VA’er ben. En zo was de trend gezet.’ Swinnen werd zelf niet ingelicht over de aangepaste versie. ‘Ik voelde aan de lichaamstaal van De Preter, toen hij me voor de tweede keer thuis interviewde, dat hij niet meer dezelfde open-mindedjournalist was als bij onze eerste gesprek.’

Ook deredactie.be publiceerde op dezelfde dag als Knack een stuk over Swinnens boek. Als enige Belgische media kregen zij de roman in primeur te lezen. ‘Dat artikel van Ivan De Vadder was wél een correct stuk. Maar daar bleef het bij, er was ons meer beloofd.’ Volgens De Vadder heeft Swinnen geen smoking gun om te bewijzen dat de brand een aanslag was. Zijn meest overtuigende element is een op band geregistreerd diepte-interview van vier jaar geleden met Delphine Lafontaine, Gaston Leenaerts en Suzanne Dubois (het zijn verzonnen namen) waarin ze hun aanslag politiek duiden en onthullen. ‘Waarom maakt Swinnen die bandopname niet openbaar?’, vroeg De Vadder zich af. Hijzelf is hier duidelijk over. ‘Ik kan van hen moeilijk een notariële akte voorleggen waarin staat dat ze de aanslag bekennen. Bovendien voelen de daders zich “niet schuldig maar wel verantwoordelijk”. Mijn boek bevat veel materiaal en als je dat samen legt, wijst alles duidelijk naar een aanslag.Ook de verantwoording achter aan is een boek op zich. Ik heb bovendien al die elementen laten nakijken door onder meer historici en juristen. En de voorbije weken zijn er nieuwe getuigen naar boven gekomen met relevant bewijsmateriaal. Niets belet dat er een tweede boek komt, ik heb nog stof genoeg op overschot.’

‘Mijn verhaal is trouwens heel duidelijk gebaseerd over de eerste week na de brand. Toen waren de media, de politiek en de verzekeringsmaatschappijen nog niet gemanipuleerd, ook de directieleden van de Innovation niet. Zo zei adjunct-directeur Bolle aanvankelijk dat er verschillende brandhaarden waren.’ Swinnen haalt er een artikel bij van journalist Paul Walheer in Spécial dat dateert van 1 juni 1967, maar dat hij pas na publicatie van Happening in handen kreeg. ‘Dit ondersteunt volledig mijn thesis. Ik heb heel lang getwijfeld of ik het woord “commando” wel zou gebruiken, maar in dat artikel staat het al in de eerste zin: “commando des terroristes opera l’interieur de l’Innovation …”’

Doorbraak: U zegt in het boek dat er een duidelijke afspraak is gemaakt met het gerecht, de politiek en de Innovation om de zaak een andere draai te geven.

‘Dat is heel eenvoudig te verklaren. De Innovation was niet goed verzekerd. Er was al eens een grote brand geweest in de opslagruimte in Zellik en nog een brandje hier en daar. Emile Bernheim, de directeur van de Innovation, vond dat hij van de verzekeringsmaatschappij onvoldoende kreeg voor de opgelopen schade. Bernheim was machtig; hij had ook filialen in Hasselt, Gent, Luik en Antwerpen. “Als jij niet over de brug komt, zoek ik een wel een ander”, zei hij tegen zijn verzekeraar. Beiden bleven koppig, waardoor de Innovation in een vacuüm zat. De verzekering was daardoor nog in onderhandeling. Die verzekeringsmaatschappij kreeg schrik toen de opslagruimte uitbrandde, want hoeveel zou een brand in een warenhuis dan wel niet kosten? Bovendien was de Innovation totaal niet in orde op vlak van brandveiligheid.’

‘Daarnaast was de toenmalige premier Vanden Boeynants al twee jaar voor de brand aan het praten met bouwpromotoren als Blaton. Heel het kwartier aan de Nieuwstraat zou worden omgetoverd. Wanneer de brand uitbreekt, zit Vanden Boeynants met een groot probleem: Brussel heeft een slechte reputatie gekregen. Zo komt de politieke top en de directie van de Innovation samen met de vraag: “Hoe gaan wij dat hier aanpakken?” Vanden Boeynants had al voorbereidende gesprekken gehad met de verzekeringsmaatschappij en zij wilde in de buidel tasten als het een ongeval bleek te zijn. Hij stelde voor om de Innovation volledig van alle schuld te ontzien en dat de verzekeringsmaatschappij zou betalen. De voorwaarde was dat er naar de familie van de slachtoffers een geste zou worden gedaan. Dat is die fameuze dading geworden. Ook mijn oudere broer heeft dat document ondertekend. We kregen dus als familieleden van de slachtoffers een bescheiden geldsom en namen daarbij afstand van alle mogelijke klachten. Dat bleek dus de deal te zijn en vervolgens speelde iedereen het spel mee.’

‘Experts werden aangeduid om een rapport te schrijven waaruit bleek dat de brand door een ongeval ontstond. Vanaf dat moment, de vooravond van 1 juni 1967, mocht daar niet meer over gesproken worden. Heel het onderzoek heeft slechts tweeënhalf jaar geduurd. Aan de daders van de brand – vooral aan Delphine, de coördinatrice – werd een voorstel gedaan om uit Brussel te verdwijnen. Ze zijn er allemaal op ingegaan. Ze hadden namelijk niet verwacht dat er 323 doden zouden vallen.

Normaal wordt een aanslag meteen opgeëist. Waarom toen niet?

‘Dat is het net, die aanslag is opgeëist. Er is een pamflet, geschreven door het koppel Claude Laloum en Suzanne Bernard, die brief bestaat. Er zijn daarvan kopieën die circuleren. Ik heb er zo een. Ze vonden dat Delphine plooide, maar de rest kreeg schrik.Er is ook een dader, in mijn boek noem ik hem Bernard, in de aanslag omgekomen. Waarschijnlijk stak hij zichzelf in brand, daar zijn getuigenissen over van personeel en klanten die de aanslag overleefden.’

U heeft enkele daders gesproken.

‘Ik heb Delphine, de coördinatrice, verschillende keren uitgebreid gesproken. Ik wist al een achttal jaar wie Delphine was –ze zat in mijn professionele omgeving– maar ze gebruikte een andere naam. Toen ik haar naamkaartje te pakken kreeg, heb ik er contact meegehad. Ik heb haar wel niet verteld dat mijn ouders zijn omgekomen bij de brand.’

Waarom onthult u haar echte naam niet?

‘Wie daarnaar op zoek gaat, kan heel veel vinden, vergeet niet: het is een sleutelroman. Het punt is dat de daders nooit veroordeeld zijn geweest. Als ik morgen de namen bekend maak, dan is het voor hen heel eenvoudig om mij aan te klagen voor reputatieschade – het gaat hier tenslotte over 323 doden en zovele gewonden.De passages met en over de daders zijn gedocumenteerd en deels gefingeerd. Het boek is trouwens drie weken later verschenen: na overleg met juristen hebben we namen en plaatsen veranderd.’

En daarom heeft u er een roman van gemaakt in plaats van een naslagwerk.

‘Door te kiezen voor de romanvorm kon ik het historisch verhaal veel beschouwelijker schrijven. Ik had de drang om de ramp als verhaal te vertellen, niet als onderzoeksjournalist maar als betrokkene, schrijvend op de grens van fictie en non-fictie. Ook omdat ik hier niet zou kunnen rondlopen, als ik een documentair boek met de echte namen erin zou geschreven hebben.’

Maar men weet dat u de namen kent.

‘Ja. Maar het verhaal is ook wat geromantiseerd. In werkelijkheid waren het drie communes, ik heb er om literaire redenen één van gemaakt. Die mensen zijn slechts een tiental jaar ouder dan mij (Swinnen is 63, S.C.)en ze leven nog. Ik vraag geen nieuw proces, want het dossier is ook niet meer volledig. Het dossier dat twintig jaar samengesteld is in mijn bureau, is groter dan waar het effectief ligt bij de brandweer, parket, justitie, staatsveiligheid …’

In het boek zegt u: ‘Telkens wanneer ik het dossier ga raadplegen is het dunner’. Hoe kan dat zomaar?

‘Wel, Karolien Grosemans van de N-VA stelde de volgende vragen in de Kamer aan minister van Justitie Koen Geens: “Waar is het dossier van de brand in de Innovation sinds 1967 overal geweest?” En: “Wie heeft het dossier allemaal geraadpleegd?” Geens antwoordde dat hij het niet wist. Dat bewijst dus mijn these dat het niet geweten mag worden. Je hebt toelating nodig van de procureur-generaal om toegang tot dat dossier te krijgen – zelfs ik als slachtoffer – dus ze weten het wél.Veel mensen zeggen me dat het dossier op de ULB (Université libre de Bruxelles, S.C) heeft gelegen. Ik heb kopieën van onderdelen van het dossier, waarvan de originelen ondertussen uit het echte dossier verdwenen zijn. Blijkbaar kan dat zomaar. Ik heb mijn geloof in justitie verloren. Justitie is nog steeds de schandvlek van onze democratie.

‘Vorige week kwam ik een ex-topman van de Staatsveiligheid tegen. Hij had mijn boek gelezen en zei me: “Binnen de Staatsveiligheid waren er twee dossiers met een dikke stinkende geur: de bende van Nijvel en de aanslag in de Innovation van 22 mei 1967.” Zo’n verklaring kan toch tellen.’

Veel informatie over de eerste week na de aanslag is al lang weg uit het dossier, merkt u op.

‘Daarom vind ik het ook cynisch dat er een Vlaamse universiteit(KU Leuven, S.C.) is die een promotor aanduidt voor een jonge student (Siegfried Evens, S.C) die zijn masterproef over de Innovation schreef (hij kreeg er de grootste onderscheiding voor en publiceerde het in mei als boek, S.C.). Jarenlang heb ik thesissen begeleid. Ik kan er daarom niet bij dat je een student laat werken op een gedeeltelijk dossier en bepaalde zaken totaal niet belicht. Bovendien telt hij mijn ouders niet mee bij zijn dodenaantal. Ze horen namelijk bij de mensen waar men niets van teruggevonden heeft.Het andere boek, Inferno, van journalist Frank Van Laeken getuigt van kennis van zaken en belicht het onderzoek wel kritisch en relevant.’

Over de bommen voor de aanslag zit ook niets in het dossier. U schrijft in uw boek trouwens dat een professor chemie mee de bommen voor de aanslag heeft gemaakt.

‘In 1967 leefde de revolutionaire geest. Met die mentaliteit werd geweld op burgers aanvaard. Zelfs Sartre zei dat geweld op burgers op bepaalde momenten nodig is – zie zijn voorwoord in het boek De verworpenen der aarde van Frantz Fanon. Om een studie van Patrick Stouthuysen (politicoloog aan de VUB, S.C.) te citeren: 60% van de proffen aan de ULB bleek op dat ogenblik communist te zijn. Men lachte toen eigenlijk met wat we vandaag de PS zouden noemen, dat vonden ze soft. In die sfeer moedigden ze hun studenten aan om bommetjes te maken. Dat begon met een kleintje, een stinkbommetje en dan werd het erger. De brave secretaresse van de decaan getuigde trouwens bij de politie op 22 mei studenten met transistorradio’s te hebben gezien, wachtend op nieuws over de aanslag. Toen de decaan daarvan op de hoogte was, werd er een anonieme verklaring van gemaakt. Ook twaalf verkoopsters van de Innovation zeiden dat ze een slag hoorden en lijken van de derde verdieping zagen vallen. Vervolgens zagen ze beneden een bom ontploffen. Onder druk van de directie – ze soigneerden hun personeel goed – werden ze opnieuw ondervraagd. Zo zitten er in het dossier verschillende verklaringen van dezelfde personen. Vooral de laatste jaren zijn die systematisch verdwenen. Onder meer de helft van het dossier van Delphine is weg en dat van het extreem-linkse koppel; leden van de Commune Ché uit de Brusselse Plétinckxstraat die in 1992 verkoold zijn teruggevonden.’

En wat dan met die theorie over de ontplofte buislamp?

‘Ik heb erover gesproken met fysicaprofessoren. Voor zo’n grote ontploffing moet het wel een heel straffe buis geweest zijn. Ik bestudeerde de luchtopnamen van de brand met deskundigen, het leek Hiroshima wel. Ik begrijp niet dat de pers en vooral Maarten Goethals van De Standaard twee pagina’s brengt over een verhaal van één buis. Goethals is naast journalist ook dichter en filosoof. Je verwacht dat iemand dan kritisch bronnenonderzoek hoog in zijn vaandel zou dragen en niet een masterproef blind zou overtikken. Bovendien zijn er verschillende plekken waar ontploffingen gebeurd zijn, dat is onomstotelijk bewezen. De vrijdag en zaterdag voor maandag 22 mei hebben de actievoerders pamfletten verspreid met de duidelijke boodschap: “Als de USA-propaganda maandag niet weg is, steken we de Inno in de fik”. Als waarschuwing staken ze een Stars and Stripes collectief in brand voor de ogen van de verkoopsters en klanten.’

Wie heeft er vandaag voordeel bij dat die papieren van de eerste week weg zijn?

‘Na vijftig jaar zou het dossier opengaan voor iedereen, zou ging de mythe. Dat leefde, ook in de Franstalige wereld. Bernard-Jean Houssiau, een erudiete Waal die verschillende boeken schreef over de brand in de Innovation en me ook geholpen heeft bij mijn research, beweert dat het de 70-jarige daders zijn die niet willen dat hun kinderen en kleinkinderen er ooit op uitkomen. Eentje heeft recent trouwens haar eerste achterkleinkind. Mijn ouders hebben hun kinderen helaas niet zien opgroeien.’

Waar is die extreem-linkse groepering van de aanslag uiteindelijk terechtgekomen?

‘Je vindt deze mensen niet terug bij de PTB. Wel in het grote oerconservatieve PS-netwerk in Charleroi en Luik. De oude connecties van Jean-Claude Van Cauwenberghe (oud-minister-president van Wallonië, S.C.) hebben hen enorm veel kansen gegeven. Ook de lijn-Di Rupo. Het extreme kantje, dat ze één keer te ver zijn geweest, hebben ze zeer goed kunnen verkopen. Het heeft hen een heldenstatus gegeven. Het starre communistische denken van die kleine groep werd dus ingedekt door die grote PS. Die machtspartij hadden ze nodig om topjobs te krijgen in de culturele wereld in Brussel en Wallonië: de top van musea, hogescholen, theaters, universiteiten … Je kwam ze daar overal tegen. Daarom waren ze de PS getrouw. Maar naast hun kleinmenselijke ambities hadden ze echt wel ideologische motieven.’

‘De aanslag op de Innovation was zeer goed voorbereid. De daders vergeleken de strijd tegen de Amerikaanse veertiendaagse in de Innovation met de onafhankelijkheidsoorlog in Algerije. Wat dat betreft viel ik vorige zomer helemaal van mijn stoel. Toen mocht Abou Jahjah“Zomergasten” openen en koos hij de film waarop de aanslag op de Innovation gebaseerd was: The Battle of Algiers. Hij veroordeelde die film niet, maar gaf aan hoe er soms moet gestreden worden. Het is nochtans een film die oproept om aanslagen op burgers te plegen omdat dat kan helpen voor de “goede zaak”.’

Uw verhaal waarschuwt ook voor extremisme.

‘Een van de mooiste complimenten kreeg ik van Karin Heremans, directrice van het Koninklijk Atheneum in Antwerpen. Ze is bezig met allerlei projecten tegen radicalisering. “Jij geeft een heel sterk voorbeeld van radicalisering”, zei ze me.Twintig procent van internationaal terrorisme komt trouwens van extreemlinks, maar dat wordt minder serieus genomen.’

‘Toen David Van Reybrouck laatst in “De Afspraak” verkondigde dat we het woord aanslag niet meer moeten gebruiken,werd ik helemaal kwaad. De brand in de Innovation wás een aanslag en ik voel dat links en extreemlinks het daar moeilijk mee hebben. “Je moet Vietnam begrijpen”, zeggen ze dan. Moest ik toen achttien zijn geweest, had ik waarschijnlijk mee betoogd tegen Vietnam. De vraag is natuurlijk: hoe ver ga je in dat engagement? Dat is ook de ondertoon van mijn roman.Door het boek te schrijven heb ik ten slotte ook de vragen kunnen beantwoorden over de moord op mijn ouders.’

Bent u al aan een volgend boek toe?

‘Ik ben bezig met een tweede roman. Opnieuw over een Brusselse doofpotaffaire, nu in de jaren 80, met als werktitel: Parallax. Ik geef Doorbraak graag een primeur: de RAF, communistische Duitse Rode-Legerfractie (ook bekend als de Baader-Meinhofgroep), heeft in België slechts een van de vele aanslagen effectief gedaan en opgeëist. Ze planden ook samen met leden van de Commune Ché een welbepaalde bol van het Atomium op te blazen. Ik verzeker jullie dat de roman weer controversieel zal zijn.’

Wat zijn uw plannen nog als emeritus professor beeldcultuur?

‘Professioneel heb ik deze week een nieuw engagement opgenomen. Ik heb ja gezegd aan Cultuurminister Sven Gatz om voorzitter te worden van het Vlaams Instituut voor Archivering, VIAA, in Gent. De instelling is opgericht om audiovisueel erfgoed en de bedreigde dragers ervan te digitaliseren, te ontsluiten en duurzaam te archiveren. Er zijn al prachtige samenwerkingen gepland met onder meer VRT, het ADVN, theaterhuizen,kloosters en musea. Het wordt een grote uitdaging om samen met de nieuwe bestuurders en de aanwezige staf om beeld en geluid van Vlaanderen toegankelijk te maken voor iedereen. Ik heb er veel goesting in.’

De roman Happening van Johan Swinnen is verkrijgbaar bij Uitgeverij Vrijdag

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans