Karel De Gucht: ‘Moei u met uw eigen zaken’

Karel Anthonissen met advocaat Bruno Cardoen tijdens de rechtszaak in Gent tegen Karel De Gucht (25 November 2013)

(VOORPUBLICATIE uit hoofdstuk 9: ‘Karel De Gucht’)

Het was Rik, een van mijn inspecteurs in Gent, die in 2009 geprikkeld was geraakt door de handel en wandel van Karel De Gucht. De Gucht was in opspraak gekomen omdat zijn familie begin oktober 2008 één dag voor de finale crash al haar Fortis-aandelen had verkocht. Die verkoop leek zeer impulsief te zijn gebeurd, bijna paniekerig: alles verkopen, nu, onmiddellijk, zonder enige prijslimiet. Bovendien waren er in dat ene, specifieke bankkantoor in Berlare op die dag uitzonderlijk veel verkooporders voor Fortisaandelen gegeven. Erg vreemd. Het grote publiek meende immers dat Fortis het weekend daarvoor was gered, door tussenkomst van de staat. Wist Karel De Gucht, op dat moment minister van Buitenlandse Zaken en vicepremier, dat de crash er toch zou komen? De regeringstop was zeer nauw betrokken bij de ultieme reddingspoging, en was dus ook onmiddellijk getuige van het mislukken hiervan, toen Nederland besliste om Fortis op te splitsen. De omgeving van De Gucht heeft hoe dan ook op de ultieme valreep haar Fortis-beleggingen kunnen veiligstellen. Andere beleggers verloren vele miljoenen. Het leek op handel met voorkennis, en dat is strafbaar. Er kwam een gerechtelijk onderzoek. Een sluitend bewijs werd niet gevonden en Karel De Gucht ging vrijuit. Er bleef evenwel een onaangename geur hangen rond de transactie. Bovendien was Karel De Gucht enkele jaren daarvoor al betrapt op het niet aangeven van beroepsinkomsten. Hij kreeg toen een extra taxatie, waartegen hij tevergeefs bij de rechter protesteerde. Een voorgeschiedenis die alarmbellen deed afgaan.

Voor een inspecteur van de belastinginspectie waren zulke aanwijzingen voldoende om een onderzoek te starten. Het was standaardprocedure, zoals er door onze diensten honderden werden gevoerd. Dat het hier een minister betrof speelde geen rol, en dat hoorde ook zo. Het mocht geen extra drijfveer zijn, maar het mocht ons er evenmin van weerhouden om zo’n onderzoek te starten. Ik heb nooit het gevoel gehad dat er bij Rik andere motieven speelden dan de normale professionele reflexen van een belastinginspecteur.
Rik had bovendien een bestaand dossier dat hij kon inkijken: het gerechtelijk onderzoek van de Fortiszaak. Dit had blijkbaar onvoldoende elementen opgeleverd om handel met voorkennis te bewijzen, maar misschien waren er elementen die voor een belastingdienst bruikbaar waren. Zo vond Rik in dit dossier inderdaad de vermelding van een Toscaans landgoed van het echtpaar De Gucht-Schreurs, met een grote, gerestaureerde villa, een gastenverblijf, een wijngaard en aanhorigheden. Het domein had een geschatte waarde van vijf miljoen euro. Dat was, zelfs voor een politicus en een magistraat (de vrouw van De Gucht was politierechter), heel veel geld. In ons vakjargon heette dit ‘indiciën (aanwijzingen) van hogere gegoedheid’. Waar kwam dat geld vandaan?
Nogmaals: zulke vragen stellen behoort simpelweg tot de kerntaak van een belastinginspecteur. Dat is zijn opdracht, daarvoor wordt hij betaald.
Dus heeft Rik het echtpaar De Gucht-Schreurs gecontacteerd, met, zoals dat heet, een ‘vraag om inlichtingen’. Misschien was er een plausibele verklaring voor die vijf miljoen euro. Het kon familiekapitaal zijn, of het kon gegenereerd zijn door privé-investeringen. Misschien had de minister op een mooie dag de lotto gewonnen. En dan was er niets aan de hand.

De inspecteur was gemachtigd om vragen te stellen. Maar Rik stelde vast dat hij geen antwoorden kreeg. Hij botste integendeel onmiddellijk op een muur van wrevel, zelfs vijandigheid. Meteen was de toon van die communicatie erg gepikeerd en defensief. De interesse van de BBI was ongepast, zo vernam hij, zijn ijver was buitenproportioneel. Heel snel werd de communicatie in deze zaak trouwens overgenomen door fiscaal topadvocaat Victor Dauginet. Wat de grond van de zaak betrof: het landgoed was eigendom van een Italiaanse vennootschap, SS La Macinaia, zo kreeg Rik te horen. Niet van Karel De Gucht of Mireille Schreurs. Voilà. U komt neuzen in de zaken van Karel De Gucht en Mireille Schreurs, maar dat domein is niet van hen. Bijgevolg is het niet nodig om verdere uitleg te geven in verband met de financiering hiervan. Rik wendde zich noodgedwongen tot de Italiaanse belastingdiensten, die enkel bevestigden dat die vennootschap SS La Macinaia inderdaad eigenaar was van dit landgoed. Dat Karel De Gucht en Mireille Schreurs voor de volle honderd procent aandeelhouders waren van deze vennootschap was voor hen niet relevant. Had die vennootschap een eigen rechtspersoonlijkheid? Had dit invloed op de belastingaangifte? Er kwam geen uitleg. De raadsman van De Gucht deed integendeel inspanningen om de zaak te rekken en tijd te winnen. De BBI mocht trouwens geen vragen stellen over zaken van meer dan drie jaar geleden, vond Dauginet. Het kwam neer op: moei u met uw eigen zaken.
Rik had evenwel duidelijk vastgesteld dat de belastingaangiftes van het echtpaar te laag waren om de financiering van het landgoed te verklaren. Dus er ontbrak iets. Maar opheldering kreeg hij niet. Rik gaf me regelmatig een update van zijn onderzoek. Hij raakte enigszins gefrustreerd door de sfeer waarin dit verliep, maar hij wilde het niet zomaar wegleggen.

Op een gegeven moment wilde Karel De Gucht een onderhoud met mij, de gewestelijk directeur van de BBI Gent. Hij hoopte wellicht bij de overste van een vervelende belastinginspecteur gehoor te vinden. Niet elke belastingplichtige richtte zich rechtstreeks tot de baas van de inspecteur, De Gucht deed dat wel. Maar goed, hij was niet de eerste de beste, en een gesprek, dat kon voor mij. Het leek me evenwel aangewezen om zo’n ontmoeting enigszins discreet te laten verlopen. De Gucht was na zijn ministerschap lid geworden van de Europese Commissie. Hoewel ons onderzoek een zuivere privéaangelegenheid was zou de pers hier een lekkere brok aan hebben. Om de sereniteit rond het onderzoek niet in gevaar te brengen wilde zowel Rik als ikzelf vermijden dat het in de openbaarheid kwam. Zelfs in mijn interne verslagen had ik het over ‘een belangrijk politicus’ en liet dus zijn naam achterwege. Ik wilde vermijden dat ook binnen onze eigen diensten meer mensen dan strikt noodzakelijk op de hoogte waren. Ik realiseerde me dat het verschijnen van (op dat moment) Europees Commissaris Karel De Gucht aan de inkombalie van de BBI misschien ongewenste aandacht zou kunnen wekken. Een extra risico op dit vlak was het feit dat de kantoren van de LDD, de politieke partij van Jean-Marie Dedecker, eveneens in ons gebouw aan de Zuiderpoort gevestigd waren. De Gucht en Dedecker, dat waren geen vrienden, en dat is zacht uitgedrukt. Het leek dus raadzaam, en tegemoetkomend ten aanzien van Karel De Gucht, om de vergadering te laten doorgaan in Antwerpen, op de anoniemere locatie bij zijn advocaat.
Het gesprek was evenwel aangenaam noch hoffelijk. De Gucht deed geen enkele poging om waardering te tonen voor mijn bekommernis voor zijn privacy. ‘Denkt ge nu echt dat ik schrik heb van Jean-Marie Dedecker?’ bracht hij ietwat cassant uit, toen ik hem uitlegde waarom ik had voorgesteld om hem in Antwerpen te spreken. Maar de ontmoeting was voorts ook compleet nutteloos. Ik kon me hoegenaamd niet vinden in zijn ongenoegen in verband met de volgens hem disproportionele ijver van onze inspecteur. En ik kon vaststellen dat er inderdaad geen enkele bereidheid was om mee te werken of enige verdere uitleg te geven. Ik vernam enkel wat hij al schriftelijk aan de inspecteur had laten weten. Na een korte vergadering namen we wat koeltjes afscheid.

Het dossier had een stille dood kunnen sterven. Om een bijkomende belasting te heffen had Rik meer info nodig, en die had hij niet. Hij kon wel een belasting heffen op een geschat bedrag, maar dat zou zonder enige twijfel tot jarenlange procedures voor de rechtbank leiden, met weinig tot geen kans op slagen. Na enkele maanden werk leek het verhaal op een sisser uit te lopen. Rik zat met enige ergernis te kijken naar het VRT-programma God en Klein Pierke, waarin gastheer Karel De Gucht met nauwelijks verholen trots tv-maker Martin Heylen in Italië ontving. Heel Vlaanderen mocht bewonderend binnenkijken in zijn Toscaanse villa. Maar Rik kreeg geen uitleg.
Net op dat moment bracht nieuwe wetgeving betreffende het bankgeheim soelaas. Na de financiële crisis in 2008 en de redding van de banken met belastinggeld was er een politieke consensus ontstaan over de noodzaak tot grotere transparantie vanwege die banken, onder meer ten overstaan van de fiscus. Wij waren decennialang op het bankgeheim gestoten, dat als een stevige verdedigingsgordel rond vele fortuinen lag. Maar in 2011 zorgde nieuwe wetgeving dus voor een opening. Rik maakte daar meteen gebruik van. Hij vroeg de opheffing van het bankgeheim van het echtpaar De Gucht-Schreurs, op basis van de ‘indiciën van hogere gegoedheid’ én de weigering om hierover enige uitleg te geven. Die twee elementen samen waren voor ons voldoende om uit te gaan van mogelijke fraude, en dat was een voorwaarde om het bankgeheim op te heffen. Als gewestelijk directeur, wiens handtekening nodig was voor die opheffing, ondersteunde ik Riks visie. Op 6 oktober 2011, na twee jaar onderzoek, richtte hij zijn vraag om inlichtingen dus niet meer tot het echtpaar, maar tot hun bank. Het was een van de allereerste dossiers waarvoor die nieuwe wetgeving in de praktijk werd gebracht.
Karel De Gucht reageerde als door een wesp gestoken. Advocaat Dauginet daagde ons meteen voor de rechter. Geen gesprek meer, maar see you in court. Het bankgeheim opheffen? Onmogelijk, zo beweerde hij. Dit is een schending van de privacy, een basisrecht gegarandeerd door de Grondwet én het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Bovendien had de inspecteur volgens de advocaat een resem onwettige onderzoeksdaden verricht. Hij had de wettelijke termijnen niet gerespecteerd, enzoverder. Onze demarche was compleet van de pot gerukt, volgens Dauginet. Een heksenjacht.
Voor mij was het duidelijk dat het meteen afgelopen was met de discrete behandeling van dit dossier. Een publieke rechtszitting over de opheffing van het bankgeheim van Karel De Gucht: dit zou breed worden uitgesmeerd in de media. Goed, dat moest dan maar. Het was zeker niet onze keuze geweest.
Op de inleidende zitting op 28 november 2011 was er nog geen persbelangstelling. Zo’n eerste zitting diende in bijna alle gevallen ook alleen maar om de agenda te bepalen. Victor Dauginet vertegenwoordigde Karel De Gucht, ik vertegenwoordigde de Belgische Staat, zoals dat officieel heet.
Dauginet kwam meteen met een vertragingsmanoeuvre. Hij vroeg aan de rechter om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof, over het principe van de opheffing van het bankgeheim. Indien dat verzoek werd ingewilligd waren we wellicht voor maanden of jaren vertrokken, met mogelijke gevolgen op verjaringstermijnen. Ik verzette me evenwel niet tegen deze vraag, die principieel best zinvol was, maar ik vroeg de behandeling in korte debatten, zeer uitzonderlijk, maar de zaak kreeg zo veel meer vaart.

Vier dagen na de inleidende zitting barstte de hel los. De krant De Tijd had er weet van gekregen en maakte er frontpaginanieuws van. ‘Fiscus viseert Karel De Gucht’, zo kopte de krant.[1] De Gucht kwam aan het woord en hij noemde de wet op de opheffing van het bankgeheim ‘slecht gemaakt, slordig, een gevaar voor de democratie’. Erg opmerkelijk, schreef De Tijd, ‘omdat de versoepeling van het bankgeheim er is gekomen onder internationale druk. België dreigde het etiket van “belastingparadijs” te krijgen. De EU-Commissie, waar De Gucht deel van uitmaakt, bekampt al jaren het bankgeheim via de zogenaamde spaarrichtlijn. Het is de bedoeling die richtlijn nog aan te scherpen, waardoor belastingparadijzen zoals Zwitserland volledige informatie zouden verstrekken over de bankrekeningen van burgers van de Europese Unie.’
Dankzij de korte debatten was er twee weken later al een uitspraak.[2] De Gucht en Dauginet vingen in deze eerste rechtszaak bot: de rechter volgde hen niet. Ze weigerde zo’n prejudiciële vraag te stellen, het leek haar niet zinvol. De inspecteur had volgens haar geen onwettige dingen gedaan, het bankgeheim mocht dus wel worden opgeheven.
Door de media-aandacht voor het proces kwam er bovendien een reactie van toenmalig staatssecretaris voor Fraudebestrijding, Bernard Clerfayt. Die liet weten dat hij het fijn zou vinden indien Karel De Gucht zich, net zoals alle andere Belgen, zou schikken naar de wet, in plaats van zich ertegen te verzetten.
Maar die oproep viel in dovemansoren. De Gucht berustte niet maar ging in beroep, en herhaalde zijn verzoek. En het Gentse hof van beroep volgde hem enkele maanden later wel. Het hof stelde wel de prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof: vormt de nieuwe wet op het bankgeheim een aantasting van het Grondwettelijk recht op privacy? [3]

Dat was een interessante vraag, maar als strategisch vertragingsmanoeuvre in de juridische strijd werkte het niet meer. De procedure die De Gucht had ingezet was niet opschortend.
De banken volgden de zaak met zeer veel aandacht. Ze weigerden aanvankelijk om op onze vraag om inlichtingen in te gaan, omdat ze de uitkomst van het proces wilden afwachten. Maar toen ik hen liet verstaan dat ik ze in deelneming zou dagvaarden plooiden ze toch. De banken wilden niet voor de rechter verschijnen, ze houden doorgaans niet van schijnwerpers.
Eind december 2011 kreeg Rik van de banken dus de gegevens die hij had gevraagd — net op het nippertje om de verjaring te vermijden.
Dat nieuws stond enkele weken later weer in de kranten.[4] ‘De BBI heeft het kader van een fraudeonderzoek de bankrekeningen van Europees Commissaris Karel De Gucht vastgekregen’, zo stond er. Boem.
Dit was niet prettig voor De Gucht, kan ik me voorstellen. Reageerde hij daarom zo fel? Op 8 februari 2012 sloeg ik ’s ochtends de meest gelezen krant van Vlaanderen open, en op pagina drie zag ik tot mijn verbazing een grote foto van mezelf.[5] In de fotomontage stond ik recht tegenover een geweldig boos kijkende Karel De Gucht. ‘Belastinginspectie speelt politiek spel’, zo luidde de titel boven het artikel. De Gucht mocht in het artikel vrijuit fulmineren. Over het pestgedrag van de BBI, over machtsmisbruik, over persoonlijke motieven die bij deze zaak zouden spelen. Ik werd met naam en toenaam genoemd, en ik werd in politieke, zelfs extreemrechtse hoek geduwd, omdat ik soms een stukje publiceerde in het Antwerpse satirische tijdschrift ‘t Scheldt. Ik vermeldde dit al in het hoofdstuk over prins de Croÿ. ‘t Scheldt was een lokaal Antwerps magazine, dat vooral via internet werd verspreid, populistisch van toon, maar altijd relativerend en met een knipoog. Ik pleegde er af en toe een stukje voor, nadat mijn opiniestuk over de veroordeling van het Vlaams Blok er was gepubliceerd. Het was voor mij meer een amusante hobby dan wat anders.
Ik schrok van het artikel in de krant. De journalist had niet de moeite gedaan om mij op te bellen en mijn mening te vragen, dat was deontologisch zeer bedenkelijk. Het conflict werd plots enorm gepersonaliseerd. Het ging niet meer om de overheid versus een belastingplichtige, maar over de ene Karel versus de andere. Foute boel, vond ik.
Was dit georkestreerd? Het was dezelfde krant waarin De Gucht jaren een eigen column had gehad. Georkestreerd of niet, ik liet aan BBI-topman Frank Philipsen weten dat ik me zoveel mogelijk uit het dossier wilde terugtrekken. De beschuldigingen van De Gucht in de krant waren compleet uit de lucht gegrepen. Ik had hoegenaamd geen politieke motieven. Ik had allesbehalve extreemrechtse opvattingen. Ik steunde een inspecteur die zich professioneel in het dossier had vastgebeten, op louter wettelijke gronden. De beschuldigingen waren een doorzichtige poging tot zelfverdediging, maar goed: zelfs maar een schijn van partijdigheid zou het dossier ernstig verzwakken. Dossiers van vrienden of van vijanden, daar blijf je af, zo luidde mijn stelregel, zelfs als ging het enkel om perceptie. Ik zou dus niet meer verschijnen in de rechtszaal, en liet alle initiatief verder aan inspecteur Rik en mijn adjunct. Het dossier-De Gucht was trouwens een dossier zoals er bij ons tientallen, zelfs honderden waren. Het ging om een relatief klein bedrag, ik had genoeg ander werk.

Rik had in de bankgegevens die hij had verkregen wel hét ene ontbrekend puzzelstukje ontdekt. In mei 2005 was op de bankrekening van De Gucht een bedrag gestort van 1.068.930 euro. Dit bedrag was nergens terug te vinden in zijn belastingaangifte. Het ging om het verzilveren van aandelenopties, die hij enkele jaren daarvoor had ontvangen, toen hij bestuurder was bij enkele bedrijven. Gedurende de jaren tachtig en begin jaren negentig was De Gucht immers actief als zakenadvocaat en als bestuurder. Hij had ambitie getoond als ondernemer, toen hij samen met andere investeerders een durfkapitaalfonds had opgestart, om enkele Belgische bedrijven Europees te laten doorgroeien. Een ervan was Zincpower, het bedrijf uit Overpelt van de gebroeders Bleyen. Maar dat werd geen succesverhaal. De Bleyen-broers bleken niet zuiver op de graat. Een faillissement kon vermeden worden, doordat Zincpower op aansturen van onder meer Karel De Gucht fuseerde met een Waalse groep, enkele jaren later met een Duitse groep, en het bedrijf werd uiteindelijk opgekocht door een Britse sectorgenoot. De Gucht ontving in 1995 als vergoeding voor zijn activiteiten tijdens de eerste fusie een optiepakket van het nieuwe bedrijf, en hij wist dit pakket enkele jaren later te verzilveren. Hij lichtte de optie in 2001 en kocht voor 92.648 euro aandelen. De Gucht verkocht die in 2005 voor 1.068.930 euro. Dat leverde hem 976.282 euro winst op, op vier jaar tijd. Er zijn slechtere investeringen. Bovendien: het was Riks puzzelstukje: dat miljoen euro waren dus de verborgen inkomsten, dat was het geld waarmee het echtpaar De Gucht het landgoed in Toscane had kunnen aankopen en renoveren.

Mocht Karel De Gucht al dat geld voor zichzelf houden, of moest hij daar belastingen op betalen? Dit is een heel belangrijke, zelfs fundamentele vraag, waarover ik vele en lange gesprekken heb gevoerd. De zaak-De Gucht kwam dus door het ontdekken van dat ene puzzelstukje in die fundamentele discussie terecht, het debat over de actieve aandeelhouder.
Ik ben van mening dat Karel De Gucht wel belastingen moest betalen. Mijn belangrijkste argument om dit te ondersteunen is de wet. Ik heb het over het Wetboek der Inkomstenbelastingen, zoals dat in 1964 ontstaan is door de eenmaking van verschillende, zogenaamd cedulaire belastingen. De tamelijk linkse regering-Lefèvre-Spaak wilde bij de hervorming van de belastingen dat een frank een frank zou zijn, dat wil zeggen dat alle inkomsten gelijk belast zouden worden.
Vergeef me een beknopte technische uitweiding. De wet bepaalt dat beroepsinkomsten belast worden. Simpel, eigenlijk. Beroepsinkomsten zijn inkomsten die rechtstreeks of onrechtstreeks voortkomen uit werkzaamheden van alle aard. De wet geeft enkele kwalificaties, gaande van winsten of baten, dus inkomsten uit een winstgevende bezigheid, met, onder meer, voordelen, verkregen naar aanleiding van het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid — zo ruim is het dus bepaald. De wet vermeldt daarnaast ook expliciet bezoldigingen van bedrijfsleiders, dat zijn alle beloningen verleend of toegekend aan een natuurlijk persoon, die een opdracht als bestuurder, zaakvoerder, vereffenaar of gelijksoortige functies uitoefent, of die in de vennootschap een leidende functie of een leidende werkzaamheid van dagelijks bestuur, van commerciële, financiële of technische aard, uitoefent buiten een arbeidsovereenkomst.
Al die bepalingen leiden dus tot deze conclusie: wie op een of andere manier vergoed wordt, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor het leveren van professionele activiteiten moet op die vergoeding belasting betalen. Die belasting is progressief, en komt in België meestal neer op een tarief van ongeveer 50 procent.

Bovendien is er ook nog art. 90, 1°, over diverse inkomsten, dat bepaalt dat ook belast worden: de winsten of baten die occasioneel of toevallig ontstaan, dus buiten het uitoefenen van een echte beroepswerkzaamheid, en die voortkomen uit enige prestatie, verrichting of speculatie, of uit diensten bewezen aan derden. Diverse inkomsten worden belast aan een tarief van 33 procent.
Wat ik wil zeggen: de wet omvat een zeer brede waaier van inkomsten die voortkomen uit (beroeps)activiteiten die allemaal op een of andere manier belast worden. Er zijn eigenlijk weinig of geen mazen in het wettelijk net.
Of toch? Niet alles is belast. Niet belast zijn normale verrichtingen van beheer van een privévermogen, bestaande uit onroerende goederen, portefeuillewaarden en roerende voorwerpen. Kernwoorden hier zijn: normale verrichtingen, beheer en privévermogen.
Een voorbeeld: iemand koopt een huis, woont er twintig jaar in, onderhoudt het goed, en verkoopt het dan weer. Hij mag de winst op die verkoop houden. Maar wanneer iemand een oud pand koopt, er niet zelf gaat wonen, het op twee jaar tijd helemaal verbouwt en het dan met een stevige winst verkoopt, dan vallen die inkomsten niet meer binnen de categorie normale verrichtingen van beheer van privévermogen. Dus: belast. Ofwel als beroepsinkomsten, dus progressief, ofwel als diverse inkomsten, dus 33 procent, daarover kan men discussiëren. Maar die winst is wel degelijk belast, zegt de wet.
Ander voorbeeld: indien iemand zijn spaarcenten belegt in fondsen, obligaties of aandelen, en hij maakt daar enkele jaren later winst op, zelfs een mooie winst, dan is dat niet belast. Maar wanneer iemand als actieve bestuurder van een bedrijf in zijn verloningspakket opties of aandelen krijgt van datzelfde bedrijf, en die aandelen daarna met winst kan verhandelen, dan valt dit niet meer onder de categorie normale verrichtingen van beheer van privévermogen. Dus: belast. Ofwel als beroepsinkomsten, ofwel als diverse inkomsten, dat is opnieuw bediscussieerbaar. Volgens mij zijn het duidelijk beroepsinkomsten, maar goed, er is ruimte voor interpretatie.
Er zijn, zoals vaak, situaties die onduidelijk zijn. Wat met een koppel dat, wanneer de kinderen het huis uit zijn, een kamer verhuurt aan een student? Niet belast. Wat met iemand die een pand koopt om er tien studentenkoten in te maken? Wel belast. Waar ligt de grens tussen beheer van privévermogen en beroepsinkomsten? Er is een grijze zone, waar fiscale advocaten actief zijn.
Maar dat Karel De Gucht belastingen moest betalen op die 976.282 euro, dat stond voor mij buiten kijf.

Dit is een voorpublicatie uit het net verschenen boek Achter de schermen van de BBI. Memoires van een caractériel van Karel Anthonissen en Wim Van den Eynde (hoofdstuk 9: ‘Karel De Gucht’, p. 198-211).

_____

1 De Tijd, 3 december 2011, ‘Fiscus viseert De Gucht’.
2 Rechtbank van eerste aanleg Gent, 19 december 2011, niet gepubliceerd.
3 Hof van beroep Gent, 3 april 2012, tussenarrest.
4 De Standaard, Het Nieuwsblad, 10 januari 2012, ‘Fiscus heeft alle rekeningen De Gucht’.
5 Het Laatste Nieuws, 8 februari 2012, ‘Belastinginspectie speelt politiek spel’.

Karel Anthonissen :Karel Anthonissen is gewestelijk directeur van de Bijzondere Belastinginspectie (BBI) Gent. Hij schrijft maandelijks een column in Trends.