Buitenland, Cultuur
Johan Swinnen

Leren drinken met de hik

opinie


Intro

Het is reeds van mijn artikel ‘Leren drinken met de hik. De grondslagen van de federale musea en instellingen in vraag gesteld’ in het Gravensteenboek ‘Land op de tweesprong’ geleden dat ik nog gepubliceerd heb over de federale musea en instellingen. In dit essay stelde ik niet alleen vragen maar gaf ik ook een aanzet voor een nieuw museaal en institutioneel perspectief. Ik ging ervan uit dat cultuur een belangrijk aspect is in het opbouwen van een nieuwe democratie in een confederaal Vlaanderen. Cultuur staat altijd in een maatschappelijke context en is daarmee zowel doel op zichzelf als middel tot verdere ontwikkeling van de Vlaamse identiteit. Een nieuw cultuurbeleid dat onderneemt zie ik als kern van een breder welzijnsbeleid dat mensen verbindt met respect voor het Vlaams verleden (‘hebben’ en ‘zijn’). Bovenal kwamen er ook een aantal gesprekken op gang over fundamentele normen en waarden van hoe we met ons ‘koninklijk’ verleden kunnen omgaan. Boeiend was om met de vele actoren die ik het voorbije jaar ging opzoeken om te ‘beluisteren’ steeds ging over het recht van allen in Vlaanderen op zelfontplooiing, zelfexpressie en ontwikkeling. Hierbij een poging voor een stand van zaken, een update anno oktober 2013.

Kan Vlaanderen morgen zijn federaal cultureel spiegelbeeld onbeschroomd en fier in de ogen kijken?

De taak van een museum ligt hierin dat ze de materiële en immateriële getuigenissen van de mens en zijn omgeving verzamelt, bewaart, onderzoekt en tentoonstelt. Het zijn dus instellingen, toegankelijk voor het publiek waar de museumbezoeker terecht kan voor informatie nodig voor onderzoek, educatie en recreatie.

Onze kunstschatten, over de jaren heen geërfd, gekocht, gekregen… zijn internationaal erkend. Alleen al de federale musea vertegenwoordigen 6,5 miljard van ons roerend nationaal patrimonium. De collecties in de musea zijn zeker even waardevol als die van het Louvre, het Rijksmuseum in Nederland of het Moma in New York.  Ze zijn vooral interessant door de eenheid ervan.  

De conservatoren en de wetenschappers die het onderzoek leiden, hebben een onberispelijke expertise, die tot ver buiten onze landsgrenzen gewaardeerd wordt. Ze getuigen van een grote maatschappelijke betrokkenheid en zijn terecht bezorgd over de toekomst van hun instelling. Tegelijk blijven ze geloven in de fundamentele noodzaak van hun werk.

En onze musea zelf? Je waant je soms in de vorige eeuw. Zalen worden gesloten wegens waterinsijpeling of asbest, de klimatisatie laat te wensen over, de veiligheid in de musea is ver zoek. Zo worden ‘verdwenen’ collectiestukken jaren later aangegeven bij Interpol en nog later bijna ‘geveild’ bij Christie’s. Amper 2% wordt tentoongesteld, de rest verdwijnt in kelders en komt amper nog tevoorschijn. Van digitalisering is weinig sprake. Hoe kun je de collecties dan ontsluiten bij het grote publiek? Kortom, de stilstand in de musea is schrijnend. 

Wie dacht dat het cultuurbeleid overgeheveld was naar de gemeenschappen, moet dit beeld even bijstellen. Ja, we hebben het MUHKA in Antwerpen. Maar toch is het grootste deel van ons kunstpatrimonium federaal gebleven. Het feit dat deze musea in Brussel liggen, is daar wellicht niet vreemd aan. Maar helaas, ook hier is de stilstand van dit land te bespeuren. Ook het beleid in deze instellingen is er een van stilstand. Het ontbreekt aan enige visie, het ontbreekt aan transparantie en efficiëntie. Nochtans zaken waar wij, Vlamingen, belang aan hechten. In het debat de voorbije maanden werden zinnige stellingen in de pers naar voor gebracht door Bart De Baere (directeur MUHKA), Karl Van Den Broeck (DM) en Werner Trio (Klara). In het federaal parlement mengden met veel dossierkennis de Westvlaamse kamerleden Stefaan De Clerck (CD&V) en Cathy Coudyser (N-VA) zich. Helaas ruilde De Clerck recent de Kamer voor een zitje bij Belgacom. Veel expertise gaat verloren. De strijd voor de tempels van de muze met een internationale marktwaarde is op het groene tapijt van de Kamer er erg eenzaam door geworden. Het zegt veel hoe Vlaanderen slordig omgaat met zijn troonjuwelen.

Het kluwen

Even het kluwen schetsen. En laat ons voor de duidelijkheid het vanaf nu enkel nog hebben over de twee federale kunstmusea. Officieel heten ze :

  1. De Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. Hoofdbrok is het museum in het Jubelpark met topcollecties uit de vijf continenten maar ook met onze nationale archeologie en aandacht voor de Oudheid.  Maar ook Het Muziekinstrumentenmuseum met de grootste collectie muziekinstrumenten ter wereld, de Musea van het Verre Oosten met de belangrijkste Japanse en Chinese kunstvoorwerpen uit de 18de en 19de eeuw en de Hallepoort met tentoonstellingen over Brussel, behoren tot het KMKG. Deze instelling heeft geen directeur. Michel Draguet is directeur ad interim, van PS-signatuur, goede vriend van Premier Elio Di Rupo. Zijn naam komt nog terug.
  2. Het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten op de Kunstberg bevat onze topstukken uit de schilder- en beeldhouwwerken door de eeuwen heen. Van oude meesters tot moderne kunstenaars. Alhoewel, sedert enkele jaren zijn de moderne kunstenaars er niet te vinden. Ook het Magritte-museum en het Fin-de-siècle museum dat op 6 december de deuren opent, behoren tot het Museum voor Schone Kunsten. In dit museum is de heer Draguet echt directeur.

Draguet is niet onbesproken. Hij leidt de instellingen centralistisch en autoritair, met weinig respect voor het personeel, met weinig organisatietalent. Hij ziet deze instellingen een beetje als zijn speeltuin. Zijn hoogste doel is om zoveel mogelijk bezoekers over de vloer te krijgen, waardoor het mogelijk is om sponsors, mecenasssen… binnen te rijven. Zijn visie is een visie van citymarketing. Vandaar komen af en toe de wildste ideeën naar voren om weer een nieuw museum op te richten. Zo hebben we ondertussen het Magritte-museum. Magritte is een aantrekkelijk kunstenaar, die tot de verbeelding spreekt en het museum snel veel bezoekers oplevert. Tot 300 000 bezoekers per jaar. Na vijf jaar zien we de bezoekersaantallen echter stagneren en volgens bronnen zou tegen 2020-2030 de hype ‘Magritte’ verdwenen zijn. Hadden we dan niet beter een tijdelijke tentoonstelling rond Magritte opgebouwd? 

Draguet besluit zonder overleg om de zaal Moderne Kunsten te sluiten. Maar wat is de visie rond Moderne Kunsten? Waar ligt hun toekomst? De wildste plannen doen de ronde. De ballonnetjes worden opgelaten, om de twee à drie maanden een nieuwe bevlieging: het Dexia-gebouw, het leegstaande beursgebouw, het Vanderborght-gebouw, een nieuw modern gebouw op het Jubelpark, een nieuw museum aan het Kanaal, om de buurt ook op te waarderen. Dat laatste is vooral de wil van het Brussels Gewest. En Draguet volgt…. Wie dit nieuwe gebouw moet financieren, daar denkt niemand aan…  Brussel? Vlaanderen? Wallonië? Het federale België? Allen samen? En gaan we een federale collectie tentoonstellen in een Brussels gebouw? Of mogen we stellen dat dit een bewuste strategie is? Onze kroonjuwelen stilaan uitverkopen aan Brussel? Komt dat niet overeen met de visie op Wallo-Brux?

Terug naar het kluwen. Deze musea vallen onder Belspo (de programmatorische overheidsdienst voor Wetenschapsbeleid). Aan het hoofd van Belspo staat niemand minder dan de heer Philippe Mettens. Mettens is doctor in de neurowetenschappen aan de universiteit van Mons, niet toevallig de stad van Di Rupo. Mettens heeft voor verschillende PS-ministers gewerkt en hij is dienstdoend PS-burgemeester, weliswaar zonder bevoegdheden, in Vloesberg (Flobecq). Of dit kan, combinatie burgemeester, mandaatfunctie in federale overheidsfunctie, daar wordt tot op het hoogste, zelfs Europese, niveau over gedebatteerd. Het meerjarenplan van Mettens voor deze bestuursperiode was tweeledig. Digitaliseren van de collecties om ze beter te ontsluiten in een moderne 21ste eeuw. Daar is nog niets van in huis gekomen door gebrek aan financiële middelen. Tweede breekpunt: de federale instellingen clusteren in ‘polen’. De pool kunst clustert de twee musea en het KIK (Koninklijk Instituut voor Kunstpatrimonium). Echter, dit idee kent geen draagvlak bij de basis. Maar ook politiek raakt dit niet veel verder dan interministeriële kabinetten. Ook deze topprioriteit lijkt dus geen resultaat op te leveren. Wie wordt de dupe in dit verhaal? 

De politieke bevoegdheid valt onder staatssecretaris Philippe, Courard (sedert 2011). Daarvoor was Paul Magnette bevoegd. Niet toevallig opnieuw van PS-signatuur. En we kennen nog de groenboeken van Charles Picqué en Yvan Ylieff uit 2001. Toen was er misschien nog een visie.

Het lijkt me duidelijk dat deze federale instellingen kreunen onder een PS-beleid, met een ‘oude politieke cultuur’ en zonder enige visie. En Vlaanderen? Vlaanderen betaalt, zowel via de federale weg als via subsidies aan Brussel. Maar we hebben geen enkele inspraak, we krijgen geen enkele hefboom in handen.

Hoe zouden we het dan wel aanpakken?

Splitsen? De collecties zijn te waardevol en moeten als een geheel onderzocht, ontsloten en bewaard worden.

Waar het voor ons op aankomt is dat ze opnieuw de aandacht krijgen die ze verdienen. Een transparante en efficiënte manier van beheren, met een duidelijke toekomstvisie. Daarvoor is het goed deze musea onder te brengen in een NV, met een aparte raad van bestuur. Deze raad van bestuur overlegt en controleert of het meerjarenplan uitgevoerd wordt, of de financiën in evenwicht zijn, of er naast dotaties ook moet gezocht worden naar privé-middelen en hoe de beleidsvisie omgezet wordt in realiteit.  Onrealistisch? Helemaal niet, dit gebeurt nu al in de federale cultuurhuizen (Bozar, De Munt) en in de private VZW Flagey. De instellingen moeten aan de willekeur van de directeur onttrokken worden. De politiek, inclusief Vlaanderen, moet zijn verantwoordelijkheid nemen. Een Raad van Bestuur moet toezien op de regie. Het Museum voor kunst en geschiedenis moet ‘ons Louvre’ worden, waar de bezoeker de topstukken van 2000 jaar beschaving ontmoet, waar er tijdelijke tentoonstellingen georganiseerd worden rond diverse deelaspecten van deze twee millennia. Waar komen we vandaan? Welke cultuur bindt ons in Europa? Welke invloeden hebben we gekend uit het Nabije of Verre Oosten, uit India of uit Amerika? Laat ons de Europese dimensie van zo’n museum niet uit het oog verliezen.

Het Museum voor Schone Kunsten moet opnieuw op de 50 000 m² plaats maken voor onze ‘oude meesters’ en voor Moderne Kunst. Een centraal onthaal, met mogelijkheden om te diversifiëren maakt alles efficiënter. De collecties moeten gedigitaliseerd worden en ontsloten via internet voor het grote publiek. We moeten durven het onderzoek tonen aan het publiek en we moeten de moed hebben om te investeren op lange termijn in deze gebouwen. 

Dan pas kunnen de musea zich opnieuw ontplooien en zich op de internationale kaart zetten.  Immers, de ligging in Brussel is een voordeel. Brussel als Europese hoofdstad, biedt mogelijkheden. 

Wie van Vlaanderen houdt, houdt van deze musea en moet de moed hebben om deze instellingen te redden uit deze federale context, waar de kloof tussen twee publieke opinies met een volledig andere economische, culturele en politieke zienswijze onoverbrugbaar is geworden. 

De auteur is professor beeldcultuur Vrije Universiteit Brussel en fractiesecretaris in de Kamer voor de N-VA.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Ik word vriend van Doorbraak.

Johan Swinnen