‘Leve het internationaal socialisme! Leve Vlaanderen!’

August Borms en Jef Van Extergem

‘Ik voelde mij als Christus in de tempel… ’t Was me of elk woord dat ik uitbulderde als een striemende zweepslag in het aangezicht terechtkwam, van dezen, die over mij … RECHT moesten spreken. Geen enkel ogenblik heb ik mij in de verdediging laten terugdringen, – mijn doel was: aanvallen, aanvallen, steeds aanvallen.’ Zo schreef Jef Van Extergem in een brief aan zijn vader, de dag na de uitspraak van zijn vonnis.

Gisteren, 16 juni 2020, was het honderd jaar geleden dat de communistische flamingant Jef Van Extergem omwille van zijn activistische engagement door het Antwerpse assisenhof werd veroordeeld tot twintig jaar hechtenis, eeuwige beroving van zijn burgerrechten en een boete van 927 frank voor de proceskosten. Deze tekst heeft als doel een duidelijk beeld te scheppen van de sfeer tijdens het drie dagen durende proces van een progressist met een unieke kijk op de Vlaamse kwestie. Dit artikel is het laatste deel van een driedelige terugblik naar de geboorte van een Vlaams symbool.

Van Extergem sprak in pacifistische en antimilitaristische zin

De derde en laatste dag van Jef Van Extergems proces ving aan met een morgenzitting, beginnend met een getuigenverhoor. Onder meer een oud-krijgsgevangene, een leraar en een bestuurder van de lagere school waar Van Extergem voor de oorlog school had gelopen en een aantal politiek geëngageerde persoonlijkheden getuigden over zijn revolutionaire en antimilitaristische houding van kindsbeen af. Ook zijn anti-Duitse standpunt gedurende de oorlogsjaren bleek een regelmatig terugkerend gespreksonderwerp. Zo verwees een van zijn vroegere leerkrachten, een zekere ‘M. Rullens’, naar een akkefietje dat plaatsvond in december 1914.

De 16-jarige Van Extergem gaf toen een voordracht over internationalisme: ‘Hij was zeer revolutionair. De andere leerlingen spraken allemaal over ‘Notre Roi’, ‘Notre Patrie’, ‘La Belgique’, enz. … Van Extergem sprak in pacifistische en antimilitaristische zin.’ Over Van Extergems activiteiten tijdens de oorlog verklaarde de socialistisch geïnspireerde oud-activist Firmin Mortier op zijn beurt, dat hij door de beklaagde gevraagd werd zich bij hem en zijn kameraden aan te sluiten om een revolutionaire campagne tegen de Duitsers te beginnen. Piet Van Kogelen, voorzitter van de Socialistische Jonge Wacht, gaf op zijn beurt aan dat de beklaagde zich tijdens de oorlog zo goed tegen het Duitse militarisme als dat van de geallieerden keerde. Het getuigenverhoor liep af om 11 uur in de voormiddag.

De procureur

Substituut-procureur De Vooght sprak vervolgens als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie het ‘rekwisitorium’ uit. Hierbij haalde hij nog eens aan van welk groot belang het proces was. Het gerecht beschouwde Van Extergem als een activist en defaitist, die tijdens de oorlog een ‘daadzakelijke werking tegen het vaderland en zijn belangen, tegen het wettig gezag en de wetten, ten voordele van de vijand’ had ontplooid. ‘Gij hebt gehoord, mijnheren’, sprak De Vooght, ‘hoe Van Extergem kort vóór de oorlog in een artikel schreef: ‘Vaderlandsliefde bestaat niet, vaderlandsliefde is een logen.’ Deze gedachten zijn de beschuldigde bijgebleven, heel den duur van de oorlog. Van Extergem dreef de spot met de vaderlandse instellingen.’ Vervolgens verwees de procureur naar uitspraken van de oud-leerkrachten van de beklaagde. Dat hij als scholier nooit wilde deelnemen aan de ‘vaderlandse’ optochten van 21 juli en een keer een voordracht hield tegen het Belgisch patriottisme en vóór het internationalisme werd hem jaren later bijzonder kwalijk genomen.

Verder opperde het Openbaar Ministerie dat Van Extergem niet tot het activisme was toegetreden om de activistische Vlamingen te steunen in hun eisen. Zijn flamingante agitatie en ijver voor een onafhankelijke Vlaamse republiek hadden slechts een klein onderdeel uitgemaakt van zijn politiek programma: ‘Dit onderdeel heeft hij gebruikt om te ijveren voor zijn groot doel: omwenteling stoken! Gaat zijn werking maar na, mijnheren! […] De bevolking was zeer ontstemd tegen de comiteiten en Van Extergem heeft die ontstemming aangewakkerd, door het openbaar aanklagen van werkelijke of ingebeelde onregelmatigheden. Zodoende wilde hij haat stoken tussen bedelaars en bedeelden, de strijd aanwakkeren tussen armen en meer begoeden. Wat beschuldigde wilde? Het enig doel van zijn doen en laten, zijn groot ideaal was: de omverwerping van alle wettige gezag…’ ‘Ja!’ riep de beklaagde daarop. ‘Hij wilde de revolutie!’ opperde de procureur. ‘Ja! Ja!’ klonk het opnieuw. Met zijn luide reactie op de aantijgingen bevestigde Van Extergem volgens het Openbaar Ministerie het eerste deel van de beschuldiging, namelijk dat hij tijdens de oorlog het wettelijk gezag omver wilde werpen. De tweede beschuldiging luidde, dat hij met kwaad opzet de politiek van de vijand had gesteund. Zijn aanvallen tegen het Duitse militarisme waren prijzenswaardig, ‘maar in oorlogstijd onze militaire instellingen aanvallen, dit was misdadig en dient gestraft te worden!’

Om Van Extergems ‘kwaad opzet’ te bewijzen, verwees de procureur naar artikels die hij tijdens de oorlog had geschreven: ‘Maar, mijnheren, het is of Van Extergem in elk artikel duidelijk heeft willen doen uitkomen, dat hij met kwaad opzet handelde.’ Het kwaad opzet bleek door dit alles bewezen: ‘De jury zal zulk gevaarlijk idealist niet aan de samenleving teruggeven, vooraleer hij tot bedaren gekomen is en de verdiende straf heeft ondergaan.’

Leve het internationaal socialisme! Leve Vlaanderen!

De namiddagzitting ving aan met een verklaring van de beklaagde. Hij bedankte daarbij achtereenvolgens advocaat De Rademaecker, ‘die – ondanks hij me d’office werd aangeduid – op zulke kranige wijze mij in mijn verdediging heeft bijgestaan’, maar ook de jury en het hof om hem haast altijd te laten uitspreken. Zelfs het Openbaar Ministerie werd — zij het sarcastisch — geprezen, aangezien ‘datgene … aangerekend worden.’ Onzeker over wat de uitspraak zou zijn, verklaarde hij nogmaals de overtuiging te koesteren steeds trouw te zijn gebleven aan zijn idealen. Het was volgens Van Extergem schoon in volle vrijheid voor een ideaal te kunnen strijden, maar duizend maal edeler was het ervoor te kunnen lijden: ‘Reeds negen volle maanden zit ik opgesloten tussen vier witte muren. Dag aan dag heb ik kunnen overwegen wat ik heb gedaan en wat de drijfveren er van waren. Welnu, mijnheren, geen enkel ogenblik heb ik het gevoelen gehad een verrader, een judas, te zijn.’ Of hij nu werd teruggestuurd naar zijn ‘stenen graf’ of niet, het zou niet de minste invloed hebben op zijn standpunten. Hij offerde er met plezier de schoonste jaren van zijn jeugd voor op. Diep ontroerd sprak hij nog op kalme wijze: ‘In houwe trouw aan mijn socialistische princiepen en aan de kamp voor de herwording van mijn verdrukt volk, zal mijn leuze altijd blijven: Leve het internationaal socialisme! Leve Vlaanderen!

De Rademaecker hield nog een laatste verdedigingsrede die hij beëindigde door de vaste mening uit te drukken ‘dat de jury vandaag aan Van Extergem de vrijheid terug zal geven, daar negen maanden preventieve hechtenis reeds een veel te zware straf is voor deze jeugdige idealist.’ Het Openbaar Ministerie gaf aan niet de zwaarste straf te zullen eisen, omwille van de jeugdige leeftijd van de beschuldigde. De straf mocht echter ook niet te min zijn, zodat Van Extergem niet zou kunnen terugkeren naar zijn gelijkgezinde gemeenschap.

Uiteindelijk verbleef Van Extergem — met een onderbreking van juni 1921 tot 1925 — tot juni 1928 in de cel. Hij kwam een paar maanden voor de langst opgesloten activist, namelijk Dr. Borms, vrij.

Op 6 juli verschijnt de biografie van de generatie Herman Van den Reeck, waar Jef Van Extergem deel van uitmaakte. Het boek is hier nu al te koop.

Nick Peeters :