fbpx


Cultuur
Benno Barnard

Levende ouders

Dagboekaantekeningen (53)


dagboek

Zondag 22 augustus Dertig mijl ten oosten van het westelijk halfrond lees ik in de krant over de opmars van de Taliban in het ongelukkige Afghanistan. De strategie van deze lieden in hun strijd met buitenlandse machten was jarenlang: ‘Jullie hebben de horloges, wij hebben de tijd.’ ‘Taliban’ – het betekent letterlijk ‘theologiestudenten’. Dood aan de theologiestudenten! ’s Avonds Mijn opvattingen over de democratie zijn die van monsieur Rade, een personage van De Maupassant. Eerste principe: het bewind van één…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Zondag 22 augustus

Dertig mijl ten oosten van het westelijk halfrond lees ik in de krant over de opmars van de Taliban in het ongelukkige Afghanistan. De strategie van deze lieden in hun strijd met buitenlandse machten was jarenlang: ‘Jullie hebben de horloges, wij hebben de tijd.’
‘Taliban’ – het betekent letterlijk ‘theologiestudenten’. Dood aan de theologiestudenten!

’s Avonds

Mijn opvattingen over de democratie zijn die van monsieur Rade, een personage van De Maupassant.
Eerste principe: het bewind van één man is monsterlijk.
Tweede principe: het censuskiesrecht is onrechtvaardig.
Derde principe: het algemeen kiesrecht is stompzinnig.

Dinsdag

Was het vroeger beter? Natuurlijk, maar niet om de redenen die de meeste mensen aanhalen, namelijk dat het leven vroeger objectief beter was. Laat ik me beperken tot mijn vroege jeugd, mijn jaren op de lagere school.
Als dorpspredikant verdiende mijn vader aanvankelijk zo weinig, dat mijn moeder ons de verplichting oplegde iedere derde boterham zonder beleg te eten; ze sloeg bij de uitvaardiging van dit decreet haar ogen ten hemel en mompelde tegen zichzelf: ‘Goeie help, we aten beter in de jaren dertig…’ Maar mijn vader glimlachte en zei: ‘Net als vroeger thuis!’ Later kreeg hij een herzien traktement en baadden we in relatieve welstand, maar tot die tijd smeerde ik een zo dik mogelijk tapijt van aardbeienjam op mijn eerste twee boterhammen. Zoet bedrog! Ik bad ’s avonds om vergiffenis, maar Onze Lieve Heer schuddebuikte van het lachen.
Moet ik u de martelingen van de tandarts in herinnering brengen? Erger dan het gebrek aan verdoving, die wel bestond maar als kinderachtig werd beschouwd, was de walgelijke smaak van amalgaam, de substantie waardoor wellicht de hersenen van mijn arme moeder vergiftigd zijn geraakt – nooit vergeet ik haar prachtige blauwe ogen met de grijze vlekjes, opengesperd in een paniek die ze niet langer meer wist te onderdrukken en desondanks onderdrukte, want toen ze aftakelde, takelde ze statig af.
‘Wat is er, mama?’ vroeg ik. Ze stond bij het raam in het Utrechtse huis van haar laatste jaren, waar mijn vader haar vijftien jaar zou overleven. Ze keek me aan met twee tot lapis lazuli verstarde ogen: die verharding bedwong haar angst; en ze fluisterde: ‘Ik ben niet zo gelukkig.’ Het is de enige klacht die ik ooit over haar lippen heb horen komen. Geen toneelstuk kent een schrijnender claus.
Maar wie maalt nu om zoiets onartistieks als objectiviteit? Het verleden, mijn verleden is inderdaad een ander land, een ander huis, ons huis, waar ze de dingen achter mijn rug anders blijven doen, waar ik door mijn ouders aan de voorwerpen werd voorgesteld, die uniek waren omdat ze nog geen voorgangers kenden… Zeker, het zeventiende-eeuwse klaptafeltje van kersenhout, met zijn onder de poten bevestigde blokken om langere moderne mensen te kunnen dienen, staat nu in mijn Engelse huis; maar het is een ander tafeltje, ook al herken ik de nerf in de vorm van een vraagteken, waar ik met een potlood in placht te pulken terwijl ik Latijnse stamtijden opdreunde…
En de telefoon, onze telefoon! Dat hurkende dier, nog voor de zondvloed uit bakeliet geschapen, klaar om naar ons oor te springen, met zijn aan een spiralende, in stof gewikkelde draad, met zijn kiesschijf, die bij het draaien van ieder getal een keelgeluid produceerde dat uit meer r’s bestond naarmate je de 0 naderde (de 0 zelf klonk als rrrrr), gevolgd door een eveneens tussen 1 en 0 steeds langer wordende tingel wanneer je je wijsvinger uit de opening trok en de schijf terugwentelde naar zijn oorspronkelijke stand; je wachtte na het voldragen nummer (het onze was 2319) op het geronk als van een grote katachtige; in de verte prutste Alexander Bell; uiteindelijk kreeg ik Peter aan de lijn (2347).
Ik was nog onsterfelijk en mijn ouders leefden nog gewoon. Natuurlijk was het vroeger beter, uilskuiken.
Begrijpt u mij?
Door het lezen verandert wat ik bedoel in iets anders.

Woensdag

Ik luister naar de eentonige deun van de voortmarcherende domheid.
De Brusselse staatssecretaris voor Stedenbouw en Erfgoed doet het woord ‘patrimoine’ in de ban vanwege de seksistische connotatie; de Open Monumentendagen/Journées du Patrimoine heten voortaan ‘Heritage Days’.
Hieruit leid ik af dat mijn moedertaal geen erfgoed is als gevolg van het seksistische karakter van de taal van Mme de Sévigné.

Weekend van 28 augustus (gevolgd door een Bank Holiday)

De kerk organiseert haar bloemenfestival: de dames en een enkele heer componeren een bloemstuk rond een thema, ‘Commemoration’ dit jaar, en zetten dat op een piëdestal of in een bank, waarbij men soms blijk geeft van een grote vindingrijkheid – zo hangt er bij de ingang een ingewikkelde guirlande rond een uit ijzerdraad gemaakte menselijke gestalte, die wijlen Prins Philip voorstelt, de oude steunbeer van de monarchie. De kerk vult zich met de zoete geuren van deze huisvlijt, waar honderden mensen op afkomen; er is ook een boekenstalletje (dat ik enkele uren beman); er is een competitie voor de mooiste hond, maar we besluiten Sammie niet in te schrijven voor de categorie ‘Prettiest Bitch’; er is vanzelfsprekend thee, cake glinstert in de zon, ik proef van een sandwich met kaas: ik knijp iets te hard en de waterkers spat uit de hypothenusa en valt in de open kraag van mijn hemd… een van die behulpzame dames, aan wie het Empire evenveel te danken had als aan zijn vloot, zorgt met een vingerknip voor servetjes; dan ga ik met mijn thee naast de stokoude Jill zitten, over wie het verhaal gaat dat zij de laatste vrouw in Engeland is tegen wie door haar echtgenoot een proces is aangespannen wegens het niet-nakomen van haar echtelijke plicht. Dat moet even geleden zijn, want ze is niet jong meer: ‘Ninety-three is a bloody inconvenience. I wish the Good Lord would take me away.’
‘Ben je niet bang je man terug te zien?’ Tegen Jill kun je alles zeggen.
‘Die zit in de gesloten afdeling.’

Zes uur

In de tuin van John Crook. De avond valt dramatisch achter St George, waar het westen paarsrood kleurt. Darryl en ik drinken bier, John witte wijn: elke fles is even snel leeg, wat betekent dat John ongeveer vijf keer zo dronken moet zijn als wij, maar de enige manifestatie van de alcohol is zijn onderhoudende gemopper op de regering, de oppositie, de mode… ja, vooral de mode moet het ontgelden, het hersenloze gezwets van de drommen die naar de universiteit gaan, Johns Oxford incluis, ‘terwijl ze in betere tijden aan boord van de HMS Fucking Hell de wereld een beetje onder de duim hielden. Of kinderen baarden natuurlijk. Laatst las ik dat zo’n verward hedendaags meisje zich afvroeg waarom ze in hemelsnaam een penis moest hebben om zichzelf een man te mogen noemen. Stomme koe… Wacht even, er vibreert iets in mijn onderbroek…’
Aan de telefoon is Father Owen, die zijn eerste Flower Festival als onze zielenherder meemaakt.
‘Goeie kerel,’ zegt John terwijl hij zijn telefoon weer in zijn onderbroek stopt. ‘Wel veel te dik. Die vrouw van hem ook. Je ziet ze ook nooit een wandeling maken. Veel te dik. Jezus vindt ze ook veel te dik.’

Dinsdag

Bericht uit Vlaanderen. In het krantje staat een interview met de fotografe Lieve Blancquaert. Ze zegt: ‘Ik had en heb nog steeds een heel liefdevolle mama, maar ervoer de omgeving daarbuiten als beperkend en conservatief. Er was het loodzware katholieke juk waar we ons van moesten bevrijden.’
Luister, we gaan even nadenken samen. Wat opgaat voor elk eindig voorwerp is dat je eromheen kunt wandelen en als je eromheen gewandeld bent is het als het ware voorbij; zijn eindigheid is aangetoond door je wandeling, ook als die maar een halve meter bedraagt. Met de oneindigheid is dit anders gesteld. Je wordt zelf steeds eindiger naarmate je die met je verstand ijveriger omcirkelt. Tot je verdwijnt. Maar je verdwijnt in de eeuwigheid, waar duizend jaar gelijk is aan een dag (dat is beeldspraak). Het bestaan aeterno modo is dat van het geconcentreerde punt, kierkegaardiaans uitgedrukt – en dat is het eeuwige leven of de eeuwige dood (u mag kiezen).
De fotografe, die beroepsmatig licht vereeuwigt, is om haar katholieke juk heen gewandeld, dat haar een interpretatie van de eindigheid schonk; maar dat juk en die interpretatie zijn voorbij. En nu heeft ze zich, in gezelschap van onze hele generatie, om zo te zeggen op de totalitaire eindigheid gestort, die een nieuwe doctrine is geworden, een algemeen aanvaarde, niet meer ter discussie gestelde leer, een nieuwe ‘gevestigde orde’.
En wat zegt ze even verderop, blakend van de naïviteit? Ze zegt: ‘Ik heb lak aan wat “de gevestigde orde” van iets vindt, ik wil altijd mijn eigen oordeel vellen en het echte verhaal horen.’
Dat is toch subliem, vindt u ook niet? Want dat heb ik ook, dat lak.

Woensdag

In Nieuw-Zeeland wil premier Jacinda Ardern vasthouden aan een aanpak die het virus na elke besmetting de kop in moet drukken, lees ik in het krantje. ‘Er zullen niet nul besmettingen zijn, maar als er een geval is in een gemeenschap, dan verpletteren we die.’
O moedertaal, jij mater dolorosa!
Volgens deze pennenlikker is de onbarmhartige democratie van Nieuw-Zeeland dus van plan ieder Sodom met maar één zondaar te verwoesten…

Donderdag

Onze bed & breakfast is weer open en onze eerste gasten zijn een Engelse oma en haar kleindochter van zes. De oma huldigt zekere opvoedkundige principes, die de indruk wekken de ouderlijke benadering te corrigeren. Het meisje, dat Caroline heet, is onnatuurlijk beleefd en spreekt in verbazingwekkende volzinnen. Ze heeft geen toegang tot een telefoon of soortgelijk suikergoed, althans niet in aanwezigheid van de grootmoeder, die haar ’s avonds een ballade van William Cowper voorleest, The Diverting History of John Gilpin Shewing how he went Farther than he intended, and came safe Home again. Het gedicht was zo populair dat er roofdrukken van circuleerden, aan het eind van de achttiende eeuw welteverstaan, want de tekst dateert van 1782:

John Gilpin was a citizen
Of credit and renown,
A train-band captain eke was he
Of famous London town.

De depressieve Cowper – dichter van de twee beste regels uit de anglicaanse liederenschat: ‘Behind a frowning providence / He hides a smiling face’ – fleurde op van het verhaal over de ongelukkig getrouwde John en zijn op hol geslagen paard, dat hij van een bevriende dame hoorde; intussen moet je een zesjarige uitleggen dat een ‘train-band’ een burgermilitie is, en vervolgens wat een burgermilitie is, en dat ‘eke’ een archaïsch woord voor ‘also’ is, en dat archaïsch van vroeger betekent – dit alles hoor ik oma tegen Carline zeggen, en ook hoe jammer het toch is dat ze Caroline heet, ‘such a vulgar name… not your fault, dear. Vulgar means that the kind of people we don’t like like it… rude people…’
‘But mummy and daddy aren’t rude.’
‘Which makes it all the more amazing. But we’ve had this discussion before.’

Zaterdag

Gisteren moest ik vanwege mijn opstandige prostaat een biopsie ondergaan in Eastbourne. Ik laat u ongaarne toe tot mijn onderbroek, maar ik moet het noteren omdat de situatie zo theatraal was. Ik werd gewogen, gemeten, moest een lijst met vragen over mijn medische geschiedenis invullen; vervolgens werd ik aan een Mohammed geheten dokter voorgesteld, die voorkomend uitlegde dat alles van helemaal niks tot radiotherapie mogelijk was; daarna moest ik met ontbloot onderlijf op een bed gaan liggen en mijn voeten in een soort stijgbeugels plaatsen, die ik associeerde met barende vrouwen. Er waren twee verpleegsters, een om op een scherm met het resultaat van mijn MRI te kijken en de andere om mij af te leiden met vragen over mijn leven en werken (‘Hebt u kinderen? Bent u gepensioneerd? Ah, een zeventiende-eeuws huis! Colorado? Wat leuk!’), terwijl Dr Mohammed een vleespen in mijn prostaat stak, naar ik vermoedde dwars door mijn rectum, en daar twintig stukjes weefsel verwijderde, wat telkens klonk alsof hij een klap op een nietmachine gaf.
Tegen de verpleegsters zei ik: ‘Het spijt me dat ik u in deze houding ontmoet. Gewoonlijk draag ik een broek.’
Dr Mohammed zei: ‘U verkrampt te veel, uw prostaat wijkt te ver terug.’
‘Wat zou u doen als u mijn prostaat was?’
Dr Mohammed grinnikte en prikte weer.
Deed het pijn? Niet werkelijk en ook als het wel pijn had gedaan, zou mijn bovenlip van een Engelse kostschoolopvoeding blijk hebben gegeven – niet de minste trilling. Het Britse Rijk heeft niets aan juffershondjes.

Maandag 6 september

Donderdag komen Christopher en Hayley; zaterdag vieren we hun bruiloft ook in Brede, hoogmis, pub en diner in de tuin van Steve en Judy… Voor het eerst in haast twee jaar zal ik mijn zus zien; Peter zal er zijn…
Aan tafel bij Steve en Judy bespreken we de details, waartoe – de dames bereiken overeenstemming – turkooizen servetten zullen behoren, die accorderen met de rest van het door Joy uitgedachte palet. Ik kijk naar de tuin, waar straks de feesttent verrijst, een kolossale meringue. Nu staat het circuit van poortjes nog opgesteld, dat voor de stereometrische wonderen van het croquetspel vereist is – in gedachten sla ik met mijn houten hamer de laatste bal door het laatste poortje en bereik het geconcentreerde, alle spanning oplossende punt van het paaltje. Tok. De bal komt tot stilstand; de kosmos is in ruste. Dan kijk ik weer naar het gezelschap en glimlach. ‘Ben je er weer?’ vraagt de nog levende moeder van de bruidegom.

[ARForms id=103]

Benno Barnard