Cultuur

Bart Maddens: ‘Charles Dickens was de Netflix van de 19de eeuw’

De boekenkast van Bart Maddens

Bart Maddens dipt zijn politieke pen graag in narratieve inkt. Metaforen, parabels, cliffhangers… zijn eigenzinnige analyses lezen bij momenten als een Wetstraatroman. De hoogleraar aan de Faculteit Sociale Wetenschappen (KU Leuven) is oorspronkelijk germanist van opleiding. ‘In het middelbaar was ik vooral geïnteresseerd in literatuur. Ik las enorm veel, vooral sciencefiction en fantasy. Ik geraakte gepassioneerd door Tolkien. Pas tijdens mijn universiteitsstudies werd ik geïntrigeerd door politiek. In mijn vrije tijd ben ik wel altijd blijven lezen.’

Doorbraak vroeg hem om naar beproefde traditie enkele boeken uit zijn bibliotheek te selecteren voor tekst en uitleg. Maddens verkiest te beginnen met Oorlogsgedenkschriften 1944-1946, van de omstreden dichter Cyriel Verschaeve. ‘Ik heb thuis heel wat boeken van Verschaeve liggen, zoals zijn verzameld werk van vóór de Tweede Wereldoorlog. Ik heb ze gekregen van mijn grootouders en van mijn schoonvader. Af en toe bladerde ik er wat in, maar op een bepaald moment dacht ik: nu ga ik dat eens echt lezen. Zijn Oorlogsgedenkschriften heb ik van A tot Z uitgelezen. Een marteling: heel bombastisch, zeer zwaar. Moeilijk leesbaar. Toch vind ik dat we soms wat moeite moeten doen om ons in te leven in de geesteswereld van die tijd. Wat bezielde die mensen om te collaboreren? Jan Jambon had natuurlijk gelijk toen hij zei: “Ze hadden hun redenen.” Ik ben nieuwsgierig om te weten wat die redenen waren. Het waren geen pathologische misdadigers die zinloos geweld pleegden. De argumentatie van vele oorlogsburgemeesters was vrij pragmatisch, maar bij Verschaeve was het collaboratie in zijn meest zuivere en ideologische vorm. Er waren weinig verzachtende omstandigheden: hij collaboreerde tot het uiterste.’

Doorbraak: Vreemd, voor een priester.

‘Verschaeve volgde een zeer ultramontaans, bijna fundamentalistisch katholicisme. In zijn wereld combineerde hij dat met volksnationalisme en cultuurpessimisme à la Spengler. Oorlogsgedenkschriften is eigenlijk een heel duister boek. We spreken hier niet over eeuwen geleden, toch heb je het gevoel dat het mijlenver verwijderd staat van ons hedendaagse denken. Van meet af aan wist men: dit boek is dynamiet onder de mythe-Verschaeve. Na de Tweede Wereldoorlog gaf het Jozef Lootensfonds het werk van Verschaeve uit. Na veel discussie werd dan gekozen voor de slechtst denkbare oplossing: een gecensureerde uitgave van de Oorlogsgedenkschriften. Dertig procent werd weg gecensureerd. Het boeiende aan de nieuwe wetenschappelijke editie, verschenen in 1990, is dat de voordien gecensureerde stukken er tussen haakjes staan.’

‘De vreemdste passage is het relaas van zijn onderhoud met Heinrich Himmler in juli 1944. Vreemd, want het was zes dagen na de mislukte aanslag op Hitler. Je zou denken dat Himmler –als leider van de SS een van de machtigste figuren van het Derde Rijk –toen wel andere zaken aan zijn hoofd gehad zou hebben. Toch maakte hij tijd vrij voor een twee en een half uur durend gesprek met Cyriel Verschaeve. Het is zeer boeiend om te lezen. Verschaeve was ook niet zeker of het wel zou doorgaan. Het verliep nogal geheimzinnig. Hij logeerde in het Beierse Bayreuth in de periode van de Festspiele. Verschaeve ging naar een opera van Wagner: Die Meistersinger von Nürnberg. Een paar dagen later werd hij opgepikt en ontmoette hij effectief Himmler: hij had zijn bureau in een speciale trein die kriskras door Duitsland reed. Het bevreemdende voor de lezer van vandaag is dat Himmler – een van de grootste oorlogsmisdadigers aller tijden – door Verschaeve wordt afgebeeld als een heel vriendelijke en minzame man. Op een bepaald moment schrijft Verschaeve: “Wat beminde ik die man.” Zijn bewondering, zijn idolatrie bijna, is in de eerste uitgave helemaal weg gecensureerd.’

‘Verschaeve wou een soort synthese bewerkstelligen tussen het katholicisme en het nationaalsocialisme. Via Himmler wou hij uiteindelijk Hitler overtuigen. Dat getuigde van een enorme naïviteit. Het gesprek ging daarbovenop over religie: Himmler vertelde dat hij ook gelovig was in zijn jonge jaren, maar het op een bepaald moment is kwijtgespeeld in de loop van zijn leven. Pittig detail: tussendoor informeerde Himmler over een bezoek van Erwin Rommel in Alveringem, langs zijn neus weg stelde hij daar een vraag over. Hij wist intussen dat Rommel een van de samenzweerders was in de aanslag op Hitler. Hij wilde Verschaeve wat aan de tand voelen.’

Wat vindt u eigenlijk van nationalisme?

(lacht) ‘Ik ben niet de ideoloog van de N-VA, hoewel ik wel dat label krijg. Bovendien ben ik ook niet veel bezig met politieke filosofie. Maar eigenlijk zijn we allemaal veel meer nationalist dan we denken. De onderverdeling van de wereld in geografisch afgebakende nationale staten bepaalt sterk onze perceptie van de werkelijkheid. Dat is wat Michael Billig banal nationalism noemt. De grens tussen staten is in de meeste gevallen louter arbitrair, maar heel belangrijk. Het weerbericht op tv eindigt aan de grens. Ook bij sportevenementen zoals de wereldbeker voetbal en de Olympische Spelen denken we in termen van landen. In België is er nu een strijd tussen België en Vlaanderen om dat banaal nationalisme in de hoofden van de mensen te bezetten. België blijft het banaal nationalisme domineren. Vraag je aan de mensen in welk land ze wonen, dan antwoorden ze natuurlijk: in België. Op je identiteitskaart ben je Belg. Je hebt een B op je auto, we gebruiken Belgische postzegels… Alles is Belgisch. Al boekt Vlaanderen daar geleidelijk vooruitgang in. Opiniemakers hebben de neiging om ‘nationalisme’ vooral te associëren met de meer ‘extreme’ vormen ervan: separatisten, de ETA, radicale bewegingen…. Maar Billig zegt: “Het banaal nationalisme is eigenlijk veel gevaarlijker dan dat zogenaamde extreme nationalisme.” Kijk namelijk eens naar hoeveel miljoenen doden er zijn gevallen in oorlogen waarbij men het banaal nationalisme activeerde om mensen te mobiliseren.’

Een ander boek: Hoop en wanhoop der Vlaamsgezinden, van Herman Todts.

‘Dat was mijn eerste kennismaking met de geschiedenis van de Vlaamse Beweging. Van jongs af aan was ik Vlaamsgezind: ik ging altijd naar de IJzerbedevaart, ik was ook Volksuniegezind. Dat heb ik van thuis uit meegekregen, toch ging daar niet in eerste instantie mijn belangstelling naar toe. Toen ik in Leuven Germaanse filologie studeerde en lid werd van het KVHV, ben ik daar pas actief over te beginnen lezen, om mijn overtuiging te onderbouwen. Ik heb veel gehad aan de boeken van Herman Todts. Hoop en wanhoop der Vlaamsgezinden is eigenlijk een heel gedetailleerde kroniek van de geschiedenis van de Vlaamse Beweging na WOII. De koningskwestie, de schoolstrijd, de talentelling, amnestie, de marsen op Brussel, de kwestie-Leuven Vlaams…

‘Er waren zes delen: het laatste ging over de jaren 80. Todts is intussen overleden en er is eigenlijk geen vervolg geweest. Mark Grammens heeft dat eind jaren 80 geprobeerd met zijn Vlaams Archief, maar dat is beperkt gebleven tot twee delen. Ik heb ook veel gehad aan de politieke jaarboeken van Res Publica: Mark Deweerdt gaf er ieder jaar een zeer gedetailleerd overzicht van de Belgische politiek. Dat is gestopt in 2006. Over de communautaire verwikkelingen tot 2006 vind je een schat aan informatie bij Deweerdt. Alles na 2006 vormt eigenlijk een probleem. Dan moet je je behelpen met Go Press (een online media-archief, nvdr.) maar het is niet evident om het verloop van de gebeurtenissen gedetailleerd te reconstrueren op basis van persartikels. De media zijn meer en meer duidend en minder feitelijk. Het is dus een probleem dat we zulke gedetailleerde kronieken niet meer hebben. Zeker voor jongere generaties flaminganten.’

Waarom is er geen post-Deweerdt-tijdperk?

‘Op een bepaald moment zijn die jaarboeken stopgezet. Het kan academisch ook moeilijk gevaloriseerd worden. Mijn voorganger Wilfried Dewachter stak veel tijd in de samenstelling van die jaarboeken en in de mapping van de politieke partijen: de organisatie erachter. Dat was monnikenwerk. Vandaag wordt dat helaas niet meer gezien als een ‘serieuze’ wetenschappelijke publicatie. Tegenwoordig moet je artikelen publiceren in Engelstalige tijdschriften, anders ben je als prof niet goed bezig.’

Met De dag begint bij een puin. IJzerbedevaarten in verzen, van Anton Van Wilderode koos u opnieuw voor een dichter.

‘Er is een zekere lijn van Vlaamsgezinde priesters: Guido Gezelle, Hugo Verriest, Cyriel Verschaeve en ten slotte Anton Van Wilderode, misschien wel de laatste in die traditie. Tegelijk zie je een immens contrast tussen Verschaeve en Van Wilderode. Die laatste is een hele verademing in vergelijking met de duistere en hermetische gedachtewereld van Verschaeve. Van Wilderode is in 1950 teksten beginnen te schrijven voor de IJzerbedevaart. Van meet af aan is zijn stijl modern en loepzuiver: je kan het vandaag nog lezen. Daarvoor bewonder ik hem. Van Wilderode geeft ook blijk van een eigentijdse spiritualiteit. Hij is er als geen ander in geslaagd om de geest van de IJzerbedevaart te vertolken in heel literaire poëzie. Ik blader nog graag door dat boek.’

U was Volksuniegezind, u heeft dan ook De bewogen jaren: Mijn memoires 1920-1958, van Frans van der Elst vermeld.

‘Een beetje uit nostalgie ook. Het was een van de eerste boeken die ik las in mijn verkenning van de geschiedenis van de Vlaamse Beweging. Er is ook iets vreemds aan: dit is het eerste deel van de memoires, maar het tweede deel is nooit verschenen. Er waren geruchten dat deel twee veel te gevoelig lag. In de jaren 60 heb je dan ook de spanning gehad tussen van der Elst en Hugo Schiltz over het voorzitterschap van de partij. Politiek gezien zou het tweede deel het relevantst geweest zijn. Dat niet neemt weg dat het eerste deel wel degelijk interessant is. Ik heb altijd veel bewondering gehad voor Frans van der Elst. Vandaag kan je zeggen dat het in de sterren geschreven stond dat er opnieuw een Vlaams-nationale partij tot bloei zou komen. In de jaren 50 was dat allesbehalve evident, toen waren de Vlaams-nationalisten gemarginaliseerd. De oorsprong van de Volksunie was eigenlijk een marginaal groepje met een extremistisch imago. Want ook de Vlaamse Militanten Orde opereerde in de marge van de partij. Niemand kon zich toen voorstellen dat de VU tien jaar later zo’n succes zou hebben en zo een belangrijke stempel zou drukken op de politieke geschiedenis van België.’

‘Van der Elst, een getalenteerd advocaat, had gerust carrière kunnen maken bij de CVP. Hij heeft gewoekerd met zijn talenten om de Volksunie tot bloei te laten komen. Ik gebruik vaak volgende vergelijking: als je naar het station gaat, is het zeer gevaarlijk om op een rijdende trein te springen. Je moet opstappen als de trein stilstaat. In de politiek geldt net omgekeerde. Het is heel gemakkelijk om op een rijdende trein te springen. Er is niet veel politieke moed nodig om actief te worden bij een partij die verkiezingen wint en veel lucratieve mandaten in de aanbieding heeft. Het is veel moeilijker om op een stilstaande trein te stappen: je weet niet of die trein ooit zal vertrekken. Het station staat vol leegstaande treinen. Je moet er in feite zelf voor zorgen dat die trein in gang schiet. Dat deed van der Elst in de jaren 50. Voor zulke politici heb ik veel bewondering. Dat geldt evengoed voor Peter Mertens van de PVDA: je moet het uiteindelijk maar doen. Idem met Karel Dillen als Vlaams Blok-stichter of Geert Bourgeois. Vergeet niet dat bijna iedereen er aanvankelijk van overtuigd was dat de N-VA een aflopend verhaal zou zijn.’

Hoe kijkt u terug op de Volksunie? Sommige N-VA’ers stellen denigrerend dat het een soort Scoutsclub was.

‘Hoe dan ook heeft de Volksunie op communautair vlak veel gerealiseerd, zij het met compromissen. De VU is ook een zweep geweest voor de andere politieke partijen. Ze heeft een enorme stempel gedrukt op de Belgische politiek. Bij het begin van de Volksunie – eind jaren 50, begin jaren 60 – was federalisme een scheldwoord toen van der Elst ermee begon. Aan het einde van de rit noemde iedereen zich federalist. Il faut le faire. De Volksunie was op ideologisch vlak dan weer een grabbelmand. Het Vlaams-nationalisme was eigenlijk het enige cement. Het ging van uiterst rechts – een Wim Jorissen of tot 1971 Karel Dillen – naar bijna uiterst links, zoals Nelly Maes. Dat maakte dat de Volksunie het aan zichzelf verplicht was om trouw te blijven aan die Vlaams-nationale roots. Toen Bert Anciaux begon af te stappen van die Vlaams-nationale core business, was het onmiddellijk gedaan. In die zin is de N-VA een totaal andere partij: de ideologische cohesie is veel groter. De N-VA kan in de regering stappen en het communautaire tussen haakjes plaatsen. Zij kan ook stilaan afstand nemen van die Vlaams-nationale erfenis en evolueren naar een Vlaamse CSU. Ze kan als partij volledig geïntegreerd raken binnen het federale systeem en daarin hoogstens wat Vlaamse accenten leggen, zoals de Beierse CSU de regionale identiteit beklemtoont. Ik zeg niet dat het zo zal zijn, maar die kans is veel groter dan bij de Volksunie.’

Zou zo’n scenario goed zijn?

‘Nee. Vandaag zitten we opgescheept met totaal inefficiënte structuren. Wat dat betreft deel ik de analyse van Peter De Roover: we hebben twee verschillende overheidsapparaten voor een relatief kleine bevolking. We hebben een Vlaamse en Belgische overheid die elkaar beconcurreren met heel veel overlappende bevoegdheden. Splitst men Buitenlandse Handel of het wetenschapsbeleid, dan moet er altijd een deel federaal blijven. Dat creëert een heel dure constructie met als gevolg dat we weinig waarde krijgen voor ons belastinggeld. Hoe rapper we van die totaal inefficiënte structuur af zijn, hoe beter. Het is daarom van essentieel belang dat de N-VA een antisysteempartij blijft. Ze moet alle mogelijke hefbomen gebruiken om het inefficiënte systeem te hervormen in confederale zin.’

U las de korte versie van Edward Gibbons 972-pagina’s tellende Verval en ondergang van het Romeinse Rijk? Wat is u daar van bijgebleven?

‘Het heeft mij een blijvende indruk nagelaten. Alles wat op een bepaald moment groot is, heeft kiemen van verval in zich. Gibbon beschrijft dat heel mooi. Het is een oud boek, van eind achttiende eeuw. Gibbon was de eerste historicus die effectief bronnenonderzoek deed over het Romeinse Rijk. Toch is veel van wat hij schrijft vandaag achterhaald. Hij wijt de ondergang van het Romeinse Rijk aan externe factoren: de invallen van de Barbaren, gecombineerd met de nefaste invloed van het christendom. Nadat Constantijn van het christendom de staatsgodsdienst maakt, komt er een soort verweking van de basiswaarden van het Romeinse Rijk. Het pacifisme wordt geïntroduceerd, wat eigenlijk haaks staat op die strijdbare waarden van het oorspronkelijke rijk. Zo kon het Romeinse Rijk zich niet meer verdedigen tegen de Barbaren: dat is de basisstelling van Gibbon. Recentere historici leggen meer de nadruk op institutionele factoren: er waren voortdurende burgeroorlogen omtrent de opvolging van de keizer. Die crisis begon eigenlijk al in de derde eeuw. En er waren ook economische factoren, zoals de muntdevaluaties.’

Van het oudste werk naar het recentste: George Orwell met 1984. Een profetisch boek.

‘Ik las het in 1984. In de boekenwinkels pakte men toen uit met de slogan: “1984: the year of the book, the book of the year.” Er was wat polemiek in de media: is Orwell zijn voorspelling uitgekomen? Rechts vond van wel. De USSR natuurlijk niet. Toen ik 1984 las, vond ik het verhaal weinig waarschijnlijk. Het hoofdpersonage Winston Smith werkt bij de partijbureaucratie en zijn taak is om voortdurend kranten te herschrijven. Als een partijbons in ongenade valt, krijgt hij een berichtje om in een krant van vijf jaar geleden een artikel aan te passen, het wat negatiever te maken. Continu zijn er wisselende internationale bondgenootschappen. De ene keer schrijft men positief, maar bij een nieuwe coalitie moet alles weer herschreven worden. Ik vond dat heel ongeloofwaardig. Je kan wel constant opnieuw kranten maken, een gigantische bureaucratie opzetten en in de bibliotheek de exemplaren keer op keer vervangen. Maar je kan niet opnieuw aan iedereen die aangepaste kranten bezorgen. Vandaag zou dat wél lukken. Digitaal is het perfect mogelijk om artikels aan te passen. Enkele jaren geleden las ik het boek opnieuw: nu kijk ik er totaal anders naar. In ieder appartement, waar ze de toespraken van Big Brother op tv bekeken, hing een camera. Ook dat vond ik totaal irrealistisch in 1984, alleen al op technisch vlak. Vandaag is dat een fluitje van een cent. We zijn niet ver verwijderd van het moment dat de overheid systematisch drones gebruikt om te kijken of er in je achtertuin een illegaal tuinhuis staat. Dat is beangstigend.’

Ik merk ook uw ongerustheid omtrent die digitalisering van het nieuws.

‘Ik ben daar inderdaad bezorgd over. Wat op papier staat is veel duurzamer. Digitale teksten kan je manipuleren. Er is ook geen enkele garantie dat men over pakweg 1000 jaar nog over de technologie zal beschikken om dat te lezen. Dat wordt een enorm probleem. Het is nu al niet evident om floppy’s van de jaren tachtig te lezen. En wat met online tijdschriften? Stel: de uitgever gaat failliet en zal de serverruimte niet meer kunnen betalen, wat gebeurt er dan met die publicaties?’

Nog een Engelstalig werk: Charles Dickens’ Dombey and Son.

‘Ik heb een grote passie voor de monumentale klassiekers van de negentiende eeuw. Ik vind het geweldig om me daarin wekenlang te kunnen verliezen. Oorlog en vrede van Tolstoj vind ik bijvoorbeeld fantastisch. Les misérables van Victor Hugo is ook adembenemend, maar je moet het wel in de onverkorte versie lezen. Dickens vermeldde ik om er eentje uit te pikken. Hij illustreert ook hoe flinterdun de grens is tussen de grote literatuur en de zogenaamde triviaalliteratuur. Charles Dickens was de Netflix van de negentiende eeuw. Die romans werden gepubliceerd als afleveringen in tijdschriften: als Dickens schreef, wist hij niet waar hij zou eindigen. Iedere aflevering eindigde hij met cliffhangers om zijn lezers mee te krijgen voor de volgende episode. Het is een beetje vergelijkbaar met de technieken van de huidige tv-series. De afloop is open. Als een serie succes heeft, komt er een nieuw seizoen. Dombey and Son vind ik een van zijn beste romans omdat die perfect het midden houdt tussen de zeer los samenhangende werken uit zijn beginperiode, zoals The Pickwick Papers en de veel strakker geconstrueerde werken op het einde, zoals Our Mutual Friend. Zeg je vandaag dat je Dickens leest, denkt men: “Wauw, die leest grote literatuur.” In de negentiende eeuw keek men daar heel anders naar: dat waren bijna de stationsromannetjes. Het onderscheid tussen ‘grote’ literatuur en ‘populaire’ literatuur is voor mij niet zo relevant. Ik ben een grote fan van Dostojevski, maar evengoed van Stephen King. Een creatieve knobbel met een enorme fantasie. Wat hij doet lijkt op Dostojevski. Lees je die laatste, dan kun je als het ware in de huid kruipen van een crimineel. Hij legt uit waarom iemand een misdadiger wordt en de meest criminele handelingen stelt. Je leeft je in in het personage. King doet precies hetzelfde. In een van zijn jongste romans, Mr. Mercedes, laat hij de lezer toe om zich op een zeer overtuigende manier in te leven in een massamoordenaar. Als jij je echt laat meezuigen, begin je op den duur nog te hopen dat die massamoordenaar slaagt in zijn opzet.’

U gaf ook Nietzsche contra Wagner mee, van Nietzsche himself.

‘Zoals bekend had Nietzsche een haat-liefde verhouding met Wagner. In zijn geschriften over Wagner analyseert hij vlijmscherp hoe hij in de ban was geraakt van de tovenaar van Bayreuth. Zelf luisterde ik al in het middelbaar naar Wagner. De vonk is dus al heel vroeg overgeslagen. In 1991 heb ik de volledige ringcyclus bijgewoond in De Munt. Dat was een van de laatste grote extravaganza’s van Gerard Mortier in Brussel. Een schitterende productie, ik denk de duurste ooit in De Munt, in een regie van Herbert Wernicke. Dat was werkelijk weergaloos. Modern, maar Wernicke slaagde erin om de geest van de opera te respecteren. Er was toen ook een polemiek. In het programmaboek waren er citaten opgenomen van Wagners Das Judenthum in der Musik: een heel antisemitisch boek van Wagner. Toen hebben er enkele joodse organisaties geprotesteerd. Zo ben ik over Wagner beginnen lezen.’

‘Wat is los van zijn muziek, zijn maatschappelijke impact geweest? En wat was zijn invloed op het nationaalsocialisme? Dat wilde ik weten. Het gemakkelijke antwoord is: Wagner was dood toen Hitler nog niet geboren was. Maar graaf je wat dieper, dan zie je toch een enorme verwevenheid. De erfenis van Wagner heeft een heel belangrijke rol gespeeld in de opgang van het nationaalsocialisme. Hitler was geobsedeerd door Wagner. Hij werd zelfs heel close met de erfgename van Wagner. Winifred, de schoondochter van Wagner, was getrouwd was met de zoon van Wagner, Siegfried. Hij was reeds vroeg gestorven. Winifred heeft zowat het Wagner-imperium beheerst vanaf het interbellum tot en met de Tweede Wereldoorlog. Ze was heel intiem met Hitler. Sommigen beweren zelfs dat Hitler haar een aantal keer een huwelijksaanzoek heeft gedaan en dat het niet veel heeft gescheeld, of hij was met haar getrouwd. Het is ook zij die het briefpapier bezorgde aan Hitler toen hij in de gevangenis van Landsberg zat, waar hij Mein Kampf heeft neergepend. Hitler was aanvankelijk een zeer marginale figuur in de Weimarrepubliek, maar die nauwe band met de invloedrijke Wagner-clan bezorgde hem een zekere respectabiliteit bij de elite.’

Met de keuze van Duin van Frank Herbert, een sciencefictionverhaal, verbaast u ongetwijfeld wat lezers.

‘Het is een van de mooiste sciencefictionboeken die ik ooit gelezen heb. In mijn ogen is met Duin het sciencefictiongenre volwassen geworden. Sciencefiction was lang Far West in de ruimte: avonturenromans met kartonnen personages. In Duin wordt een totaal nieuwe wereld gecreëerd: er zit een religieuze, een politieke en vooral een ecologische dimensie in. Daarmee heeft Herbert van Duin een cultboek gemaakt. Hij stelt zich een planeet voor waarin het levensnoodzakelijke water even zeldzaam is als goud. Hoe zou zo’n planeet kunnen functioneren? Hij maakt het heel geloofwaardig, Herbert heeft ook ecologie gestudeerd. Hij is met Duin eigenlijk de exponent van een hele reeks auteurs uit de golden age van de ccience fiction die ik kan aanraden: Isaac Asimov, Arthur Clarke, Robert Heinlein, Jack Vance, Larry Niven, Philip Dick….’

U vermeldde ook een jeugdboek: De brief voor de koning, van Tonke Dragt.

Ik heb een zwak voor jeugdboeken. Al de boeken die mijn kinderen uitgelezen hebben, heb ik zelf ook gelezen. (lacht) Hiermee sla ik helemaal mijn imago van serieuze professor aan diggelen. Wat ik speciaal vind aan De brief voor de koning – ik las het in het zesde studiejaar – is dat het er na al die jaren nog altijd staat. Over veel van die vroegere jeugdboeken spreekt niemand meer. Ze hebben zelfs een slechte naam gekregen. Denk aan de De rode ridder-boeken van Leopold Vermeiren, Pietje Puk, Pietje Bel, de boeken van Enid Blyton… Zowat negentig procent van wat we toen lazen is weggespoeld.’

‘Wat mij interesseert in de jeugdliteratuur van vandaag is hoe auteurs er in slagen om jongeren te boeien. Toen ik jong was, waren er weinig ontspanningsmogelijkheden. We waren bijna aangewezen op boeken. Vandaag is er zo veel concurrentie: tientallen tv-zenders, videogames…. Boeken hebben ook een slecht imago bij kinderen. Hoe boeien ze hen dan? The Hunger Games, Divergent, de Harry Potter-boeken, The Maze Runner… Hun narratieve technieken interesseren mij. In het begin verloopt het plot heel snel: als lezer heb je geen tijd om je te vervelen. Eens de lezer mee is, volgen vertragende elementen om spanning te creëren. Daarnaast is het een kwestie om op een heel subtiele manier in te spelen op de leefwereld van kinderen. Divergent van Veronica Roth gaat eigenlijk over studiekeuze en de angsten die daarbij komen kijken. Bij Harry Potter zie je dat ook. Die eerste boeken verlopen heel snel, het heeft iets van een stripverhaal. Geleidelijk aan wordt het verhaal verder uitgesponnen en wordt alles veel complexer. Het vijfde deel is bijna drie keer zo dik als het eerste.’

 

Dit interview verscheen voor het eerst op 29 juni 2015. We brengen het deze zomer graag opnieuw.

Sander Carollo

steun doorbraak

Wil u graag meer lezen van Sander Carollo?

Doorbraak is een onafhankelijk medium zonder subsidies. We kunnen dit enkel doen dankzij uw financiële steun. Uw steun geeft onze auteurs de motivatie om meer en regelmatiger te schrijven. Steun ons met een kleine bijdrage of word vandaag nog Vriend van Doorbaak.

Ik help Doorbraak groeien.

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans