fbpx


Buitenland, Cultuur, Geschiedenis, Multicultuur & samenleven

Mijn Baratzeartea

De merkwaardige verharding van het wetenschappelijke oordeel over de Vlaams-nationalist Filip de Pillecyn


Het is van Johan Daisne dat we een van de sympathiekste getuigenissen bezitten van de mens Filip de Pillecyn – een in memoriam dat tegelijkertijd een getuigenis vormt van de vriendschap tussen deze twee mannen.[1] Dit getuigenis beschrijft onder meer de drie belangrijke ontmoetingen die hun vriendschap tot de dood mogelijk hebben gemaakt. Het zit daarenboven vervat in die roman die ogenschijnlijk met Filip de Pillecyn niets te maken heeft: Baratzeartea. Het is er zelfs het sluitstuk van.

De roman Baratzeartea is gebaseerd op een echte reis van Johan Daisne naar Frans Baskenland, samen met de Gentse literaire duizendpoot Marcel de Backer en diens vrouw Lisette. Deze reis wordt naar het schijnt correct weergegeven met de stopplaatsen, de hotels waar ze onderweg overnachtten, waar en wat ze onderweg aten: alles wordt nauwkeurig bijgehouden en opgeschreven. Het koppel De Backer wordt echter vervangen door een androgyne figuur die doet denken aan de efebe Tadzio in Thomas Manns Dood in Venetië, of aan Mignon uit Goethes Dichtung und Wahrheit: een Gratien die dan een Gratiaan of Jaan en op den duur ene Gratienne blijkt te zijn, allemaal heel gender-wisselend magisch-realistisch. ‘Baratzeartea’ is niet alleen hun letterlijke reisdoel, maar ook het eindpunt met hun symbolische, nogal kuise en idealistische liefdevolle vereniging. Het wordt een magische reis die doorkruist wordt door veel dood, Eros en Thanatos, met een scheut Sigmund Freud en veel Carl Gustav Jung.

Herhaalde malen verklaart Johan Daisne in de roman dat de roman ‘hier’ of ‘hier’ eindigt, maar toch voegt hij er almaar meer elementen aan toe, tot in de realiteit zijn vriend Filip de Pillecyn sterft en hij diens in memoriam in de roman opneemt. Daisne schrijft namelijk in 1962 een moderne roman. In deze toevoeging die tegelijk een afsluiting is vertelt Daisne hoe ze elkaar hebben leren kennen. Dat verloopt in drie initiërende ontmoetingen.

De eerste ontmoeting: dure onergdenkelijkheid

De eerste ontmoeting speelt zich af in 1942 of 1943. Zoals Johan Daisne het zich herinnert moet de ontmoeting dateren van na de publicatie in november 1942 van De trap van steen en wolken, en zelfs van na de eerste vernietigende recensie van Jeanne de Bruyn in Volk en Staat van 6 december 1942. Tegelijkertijd verwijst Daisne hier naar zijn vervelend beroepsleven als Vlaams adjunct-directeur bij de Belgische Landsbond der Bouwbedrijven en Openbare Werken. Bijna de hele oorlog lang stelt hij alles in het werk om een baan in het hoger onderwijs te vinden. Tenslotte moet hij dus ook naar een baan in het middelbaar onderwijs gesolliciteerd hebben, en kwam hij automatisch bij Filip de Pillecyn terecht, die sinds 1941 tot directeur-generaal van het Middelbaar Onderwijs was benoemd.

Ik heb Filip voor het eerst ontmoet tijdens de oorlog. Ik was al van net even voor de grote ramp de economie en speciaal het bouwbedrijf beu, en besloot eindelijk mijn kans ook eens te wagen op het departement-Onderwijs. De ambtenaar bij wie ik ging solliciteren naar een leraarsbetrekking ontving me met een gulle glimlach.
Hij had reeds gehoord van de jonge auteur wiens Trap van steen en wolken door de kwaadgezinden werd afgeschilderd als uitdagend pro-Amerikaans. We bleven een kwartiertje gemoedelijk praten en ik ontving een hartelijke handdruk. Filip heeft me niet kunnen helpen, goddank, want al had ik even onschuldig gesolliciteerd als hij directeur was geworden, in opgewonden tijden kan zulke onergdenkelijkheid iemand duur te staan komen. [2][3]

‘Even onschuldig gesolliciteerd als hij directeur was geworden’ impliceert dat Filip de Pillecyn naïef-ga-weg directeur van het Middelbaar Onderwijs zou zijn geworden. Dat was natuurlijk niet het geval.[4] De naïviteit is hier volledig voor rekening van Johan Daisne. Hoe dan ook, zijn in memoriam begint met een indrukwekkende bekentenis: dit had mij kunnen overkomen. But for the grace of God there goes John Bradford zou deze Engelse protestant gezegd hebben toen hij een groep misdadigers naar het executie-oord zag gebracht worden. Vrij vertaald: als het niet was van de genade Gods die me dat bespaard heeft, dan had men me kunnen aanwrijven dat ik gunsten ontving van een collaborateur, wat van mij eveneens een collaborateur had gemaakt. Het is niet mijn verdienste dat dit niet is gebeurd. Dit is ook de teneur van Daisnes verslag van de tweede ontmoeting.

De tweede ontmoeting: de genade van het toeval

Tussen de eerste ontmoeting zoals Daisne ze zich herinnert en de tweede ligt natuurlijk het einde van de Duitse bezetting en het begin van de repressie, de bestraffing van de collaborateurs. Filip de Pillecyn heeft in Face au mur de 58 maanden beschreven die hij in het hechteniskamp Lokeren en in de gevangenissen van Dendermonde en Sint-Gillis heeft doorgebracht.[5] Hij heeft dus vijf jaar in de gevangenis gezeten, waarvan drie jaar zonder enig proces. Na deze drie jaar werd hij in 1947 veroordeeld tot tien jaar hechtenis; de belangrijkste aanklacht was ‘een rijke culturele activiteit’ tijdens de bezetting. Van deze tien jaar heeft hij er twee volgemaakt. De Belgische staat had hem dus tot minimum tien, maximum dertien jaar veroordeeld. In 1949 namen schrijvers van verschillende ideologische strekking het voor hem op en dienden een collectief genadeverzoek in. De biograaf Ludo Stynen drukt het als volgt uit: ‘Schrijvers, ook onverdachte, roepen op tot verregaande mildheid’. [6] Gemeten aan de Belgische strafmaat was het resultaat van de petitie inderdaad verregaand: in het jaar 1949 kwam Filip de Pillecyn vrij.

Johan Daisne was een van de ondertekenaars van het verzoekschrift. Precies daarom kwam Filip de Pillecyn hem na verloop van tijd (ergens tussen 1949 en 1954) in zijn bureau op de stadsbibliotheek in de Baudeloobuurt opzoeken om hem te bedanken. Ziehier hoe Daisne deze tweede ontmoeting vertelt in zijn in memoriam, opgenomen in Baratzeartea:

De tweede ontmoeting geviel jaren later, in mijn bureau op de bibliotheek, op een schemerige namiddag. Er was veel bezoek aan de uitleendienst; ik zat met een stomend hoofd over mijn werk; ik had de naam die men mij inderhaast had aangemeld niet goed verstaan. Ik rees overeind maar herkende niet dadelijk de man die voor me stond. Het kwetste hem blijkbaar. Doch toen hij zag hoe ik was geschrokken en in de onwillekeurig aangedane pijn deelde, heeft hij me zo vergeven.
Ik had mijn bescheiden naam op een verzoekschrift toegevoegd en nu kwam Filip mij een bezoekje brengen. We zijn in de schemer blijven praten; ik sprak over zijn gulle onthaal op het ministerie, om hem wel te laten horen dat ik niet wenste te vergeten hoe ik ook verkeerd had kunnen lopen. Ik deed hem uitgeleide tot op straat. Sedert zijn we samen door het leven gegaan, tot waar thans de wegen tussen aarde en hemel voorlopig scheiden.[7]

Daisne expliciteert nog eens het grootmoedige en realistische punt dat hij wil maken: in zijn geval niet de ‘genade van de late geboorte’ (naar het zeer lutheraanse woord van de socialist Günter Gaus, wereldkundig gemaakt door bondskanselier Helmut Kohl) maar veeleer de genade van het toeval die hem voor misstappen had behoed en hem nu verhinderde een al te snel oordeel uit te spreken. There, but for the grace of God, go I. Hij had dan ook zijn naam onder het verzoekschrift geplaatst. Een dubbele indrukwekkende bekentenis. Maar dat maakt hen nog niet tot vrienden. Pas de derde ontmoeting doet dat. Ook deze ontmoeting wordt in het in memoriam aangehaald:

De derde ontmoeting: van huis tot huis

Op een dag werd ik door een krant[8] aangevallen – op grond van een aanvullende catalogus der bibliotheek – omdat ik geestdrijverig zou discrimineren tussen rechts en links in de literatuur, ten bate van links. Nog voor ik het stuk had gelezen, had Filip al geantwoord zonder mij te raadplegen.[9] Aan de hand van onze volledige catalogus bewees hij dat de aantijging niet dan een dwaze vergissing was. Toen heb ik hem mijn eerste huisbezoek afgelegd, om hem op mijn beurt mijn erkentelijkheid te betuigen.[10]

Het antwoord op de aantijging van links sektarisme kwam dus niet van een socialist of andere ‘linkse’, maar van iemand die erom bekend stond ‘rechts’ in het leven te staan en die dus de krantenman gelijk had moeten geven, maar hij doet het niet. En het is Daisne / Thiery die op deze geste reageert met een ongepubliceerde brief die in het Letterenhuis te Antwerpen bewaard wordt en die ik hier in extenso citeer.

Aan de Heer F. De Pillecijn
Patijntjestraat, 107c
G e n t

11.VI.1954

Hooggeschatte Heer & Vriend,

Er is mij zeer aan gelegen u, eveneens uit naam van de waarheid, alsook uit mijn persoonlijke naam, mijn erkentelijkste dank te betuigen voor het wederwoord dat u aan De Standaard hebt gezonden, naar aanleiding van het artikel “Links sectarisme in de Gentse Stadsbibliotheek”.
De spontaneïteit waarmee u mij eerst de uitdrukking hebt gestuurd van uw sympathie, het ridderlijk initiatief dat u daarna hebt genomen om zèlf de verdachtmakers van antwoord te dienen, hebben mij diep getroffen.
Elkeen die van goeden wille is en er van dromen blijft de mensen toch eens een beetje dichter bij elkaar te brengen, zal gaarne en met voordeel uw artikel lezen. Alleen reeds door zijn waardige toon reikt het verder dan het dwaze en lelijke incident waardoor het werd uitgelokt.
Ik heb steeds een grote verering gekoesterd voor de schrijver F.d.P., en oprechte genegenheid voor de mens die men achter dat werk kon raden. Nu ik hem van zeer dichtbij heb mogen leren kennen, druk ik met dankbare liefde de mij geboden vriendenhand.

Dr.H.THIERY,
Directeur

Tussen 1954 en 1962 zijn de beide heren dus samen door het leven gegaan, en in het Letterenhuis zijn van deze vriendschap nog enkele sporen te vinden in het uitgebreide Daisne-archief, dus telkens van de hand van Filip de Pillecyn: een uitnodiging om met vrienden te komen eten, briefkaartjes vanuit Lago Maggiore met een grappige verwijzing naar Daisnes roman Lago Maggiore, een brief met klachten over de Duitse vertaler van Vlaamse literatuur Hermanovski, en een allerlaatste brief, twee maand voor zijn overlijden, waarin hij zegt geen raad te weten met de eerste verzen van een beginnende dichteres uit Hamme. De brieven eindigen steevast op die prachtige slotgroet ‘met mijn hartelijke groeten van huis tot huis’.

Praktische amnestie

Deze vriendschap tussen twee mensen bij wie de leeftijd van discretie en verstand allang was aangebroken en die heel goed wisten wat ze aan elkaar hadden, is natuurlijk ‘slechts’ één exemplarisch element in een algehele rehabilitatie door het literaire systeem van de jaren vijftig en zestig dat nog niet door een constant moralisme getekend was. Filip de Pillecyn wordt inderdaad gerehabiliteerd, niet door de staat (die zoals bekend nooit amnestie heeft verleend) maar door zijn collegae-literatoren, ook door die van het toenmalige ‘links’. Vanaf zijn vrijlating in 1949 tot zijn overlijden in 1962 wordt hij een tiental keer luisterrijk en uitbundig gevierd. Bij zijn zestigste, vijfenzestigste en zeventigste verjaardag wordt hij gehuldigd, en ik vermeld er hier expliciet de jaartallen bij: in 1951, 1956 en 1961, kwestie van een beetje de tijdspanne na de oorlog aan te voelen: dit alles gebeurde dus binnen de vijftien jaar na de bevrijding. De Belgische staat had met hem afgerekend, de Vlaamse culturele wereld omhelsde hem. Deze ‘culturo’s’ hadden een soort praktische amnestie verleend, de amnestie van alledag en van de leefbaarheid. Hadden zij ongelijk?

Precies deze dagdagelijkse clementie bij mensen die tot voor kort met getrokken messen tegenover elkaar stonden, kan men vandaag niet meer begrijpen. Het algemeen gevoelen vandaag is dat men een Filip de Pillecyn (en vele anderen met hem) te gemakkelijk heeft vergeven. Als voorbeeld van deze tendens neem ik drie auteurs die weliswaar begrip voor Filip de Pillecyn opbrengen, maar die tussen de lijnen van dat begrip een heel ander verhaal vertellen. Een historicus, een biograaf en een literatuurwetenschapper.

De historicus: zuiver historisch

De historicus en de literatuurwetenschapper hebben het daarbij expliciet over de strafmaat. Ze richten zich tegen de opvatting die zegt dat die straf buitensporig was. Heeft Filip de Pillecyn zo’n straf verdiend? Het antwoord hangt een beetje af van diegene die de vraag stelt. De historicus Bruno de Wever stelt ze in het tweede nummer van de Filip de Pillecynstudies in zijn artikel ‘Schuld en boete in oorlog en vrede. Filip de Pillecyn herbekeken’.[11] Van bij de aanvang bekent de auteur ruiterlijk (en uitdagend) niet alleen dat hij van deze auteur niets heeft gelezen (stond niet op de literatuurlijst), maar ook dat hij van de persoon Filip de Pillecyn niets afweet. Dat was ook niet te verwachten. Bruno de Wever is in zijn vakgebied doorgebroken met zijn magistrale studie Greep naar de macht. Vlaams-nationalisme en Nieuwe Orde. Het VNV 1933-1945.[12] Dat is uit de aard der zaak een andere soort geschiedschrijving. Zijn studie beoogde niet een aaneenschakeling van ‘prosopografieën’ te leveren. Dit soort geschiedschrijving houdt in feite geen rekening met ‘personen’. Greep naar de macht is dan ook een soort notariële historiografie van organisaties waarin de auteur niet eens een poging doet om op de actoren ‘pak’ te krijgen. Personen zijn daarin vooral items in een ledenlijst of in een lijst van onderschrijvers; en dat is hier in casu Filip de Pillecyn het geval. Filip de Pillecyn tekent een verklaring, Filip de Pillecyn is eenmalig spreker op een vergadering, Filip de Pillecyn figureert op een lijst van 168 namen, dat soort dingen.

Bruno de Wever stelt zich dus de vraag, of vijf jaar gevangenis een zware tol was voor de feiten waarvoor Filip de Pillecyn werd veroordeeld. Hij vindt dat men twee zienswijzen moet onderscheiden: een eerste in menselijk opzicht, in morele zin, en een tweede, ‘zuiver historische betekenis’. Ik moet toegeven dat ik niet begrijp wat dat zou kunnen betekenen, een zuiver historische betekenis. Hoor ik daar de Hegeliaanse wereldgeest over dit opstel waaien? De auteur antwoordt op zijn eigen vraag met een wedervraag, verschuift de vraag dus een beetje: ‘werden Filip de Pillecyns fouten hem werkelijk te zwaar aangerekend?’ En daarop antwoordt hij dan weer dat de tijd rijp is om ‘taboes achter ons te laten’. Welke taboes wordt niet gespecifieerd, maar zeker is dat het niet om zijn eigen taboes gaat. De hint is duidelijk: Filip de Pillecyns fouten werden hem helemaal niet te zwaar aangerekend. De implicatie kan niet anders zijn dan dat tien jaar hechtenis de juiste strafmaat was voor een collaborerende culturo bij wie geen enkel geval van verklikking werd vastgesteld. Zeker in zijn geval had de repressie gelijk. Dat behoort zelfs tot de ‘krachtlijnen’ die zich nu al aftekenen in het onderzoek naar de bestraffing van de collaboratie. Om tot een dergelijk besluit te komen hoef je in laatste instantie de persoon inderdaad niet te kennen.

De literatuurwetenschapper: guilty as hell

Zoals gezegd, Bruno de Wever poneerde zijn stelling niet, hij suggereerde ze in de vraagvorm, maar hij suggereerde eveneens dat hij de uitkomst van toekomstig onderzoek al kende. Hij laat het aan een literatuurwetenschapper over om op zijn vraag nu al, zonder vooronderzoek, duidelijk en ontkennend te antwoorden: helemaal geen te zware tol, fouten zeker niet te zwaar aangerekend, integendeel: Filip de Pillecyn heeft zijn straf ‘dubbel en dik verdiend’, want hij was ‘guilty as hell’. Het merkwaardige is dat deze stelling voorkomt in een pleidooi pro Filip de Pillecyn.[13] Literatuurwetenschapper Kris Humbeeck, mijn tweede getuige, had namelijk de verdediging van Filip de Pillecyn op zich genomen in een soort literaire wedstrijd coram publico om te weten te komen wie van deze twee half vergeten auteurs het nu verdiende in het literaire Pantheon van de literaire musea te mogen zetelen: Filip de Pillecyn of Willem Brakman? Dank zij Humbeecks waarachtig vernuftige redenering heeft Filip de Pillecyn het gehaald. Wat Humbeecks drijfveren mogen geweest zijn weet ik niet (iets toegeven om des te beter te kunnen scoren?), wat ik wel kan zien is dat Humbeeck geen redenen opgeeft voor zijn ‘dubbel en dik’. Hoe weet Humbeeck dat? Heeft hij het dossier kunnen inkijken? Heeft hij schuld en boete echt tegenover elkaar afgewogen? De Wever ‘wist’ het nog niet eens! In de alinea die op het ‘dubbel en dik’ volgt, gewaagt Humbeeck van Filip de Pillecyns ijveren voor een organische volksgemeenschap en van diens anti-modernistische houding. Is dat strafbaar? Dat belooft nu de ene na de andere anti-modernistische golf op ons afkomt – de Belgische rechters zijn sowieso al overzet en overwerkt.

De biograaf: close reading

Maar de vraag stellen naar de al dan niet juiste strafmaat opgelegd door de Belgische krijgsraad is nog iets anders dan de praktische amnestie die mensen in hun leefwereld elkaar toekenden, in twijfel trekken. Dat is wat mijn derde getuige, de biograaf Ludo Stynen doet in zijn opstel over Filip de Pillecyn in het verzamelwerk Verbrande Schrijvers. ‘Culturele’ collaboratie in Vlaanderen 1933-1953.[14] Laten we zijn betoog eens volgen; discours-analyse hoeft niet altijd van een kant te komen.

Nagenoeg de hele letterbende was al snel in het vergeven en vergeten van ’s schrijvers oorlogsmisstappen (blz. 118).
Dit is nu het hele punt. Het komt erop neer dat nagenoeg de hele letterbende aan Filip de Pillecyn datgene verleende, wat de werkwoorden ‘vergeven’ en ‘vergeten’ samenvat in één woord, namelijk ‘amnestie’. Tussendoor staan er in Stynens betoog enkele merkwaardige zinnen, zoals bijvoorbeeld:
Strikte toepassing van de wet was niet echt De Pillecyns eerste bekommernis … want voor hem primeerde het hoger belang van de Vlaamse volksgemeenschap (blz. 124). Bij Wikipedia komt zo’n zin er niet door. Of nog:
Filip de Pillecyn deed – als zoveel anderen maar misschien met iets meer overtuiging – zonder commentaar zijn werk wanneer het aankwam op het ontjoodsen van de scholen (blz. 124). Bij Wikipedia zou hier staan ‘quotation needed‘. De redactie van Verbrande Schrijvers laat dit door.

Toch worden ter verontschuldiging van Filip de Pillecyn enkele interessante gegevens meegedeeld:
Hij stuurde zijn dienst zelfs niet met een politiek-ideologisch vertoog een of andere richting uit (blz. 125). Juist – wat is er dan eigenlijk aan de hand? Of:
Van zodra de Duitse inmenging te groot wordt, haakt Filip de Pillecyn af (bij het tijdschrift Westland) (blz. 126). Zelfde opmerking: wat is er dan aan de hand?

Na de oorlog gebeurde wat in ieder geval gebeuren moest (blz. 127) – namelijk straf, zie ook Bruno de Wever en Kris Humbeeck hierboven, maar:
Schrijvers, ook onverdachte, roepen op tot verregaande mildheid (blz. 127). Wat zou impliceren dat oproepen tot mildheid normaler zou zijn als je een verdachte schrijver bent. Maar precies dan wordt jouw opinie vervolgd en kan ze niet meer doordringen. En wanneer is mildheid verregaand? En wat is het verschil met gewone mildheid? Stynen besluit met de formulering van zijn oprechte verbazing:
De fouten uit het verleden werden met de mantel der liefde bedekt. (…) Niemand neemt Filip de Pillecyn nog iets kwalijk in letterlievend Vlaanderen (blz. 128).

Gelukkig is er volgens Stynen iemand om met een ‘merkwaardige dissonant‘ de eer van het land te redden: een zekere Fernand Demany probeert een Ten huize van met Filip de Pillecyn te laten verbieden, met als grond dat Filip de Pillecyn deportatie en dood van landgenoten in de hand had gewerkt. Ronduit ergerlijk is hier dat Stynen verzwijgt dat Filip de Pillecyn tegen deze lasteraar in proces is gegaan en dat hij van de rechter gelijk heeft gekregen. De lasteraar moest een aanzienlijke schadevergoeding aan Filip de Pillecyn betalen. Misschien kan deze rechter ook bij de vergeters en vergevers en de met liefdemantels bedekkenden worden ingedeeld…

Stynen beklaagt zich erover dat de culturele en literaire wereld advocaat René Victor (Filip de Pillecyns raadsman tijdens zijn proces) is gevolgd, want zodoende tilde deze wereld niet zo zwaar aan het feit dat Filip de Pillecyn in de schuld stond bij België. De vraag die hier past is, of Filip de Pillecyn die schuld misschien niet had afgelost? Ja, zegde de Belgische staat, want hij liet hem vrij. Ja, zegden de verleners van de praktische amnestie, want het is genoeg geweest. Neen, zegt Stynen: rozen verwelken, schepen vergaan, maar deze schuld blijft eeuwig bestaan. Waarmee hij zich strenger opstelt dan De Wever en Humbeeck samen.
Het is vooral De Pillecyns evocatie van het gevangenisleven Face au mur die ergernis geeft. Men leest dit boekje niet graag. Daarom suggereert Stynen dat het misvattingen bevat ‘van het soort waar men ondertussen in nogal wat landen van Europa voor gestraft kan worden’. Waarmee hij zijn betoog besluit.

Stynens laatste betekenisdragende woord is dus straffen. Stynen verlangt naar straf, naar de hedendaagse politiek-correcte straf voor het meningsdelict en plaatst zich daarmee met beide voeten in zijn eigen tijd. Waarschijnlijk was de teruggave van De Pillecyns burgerrechten drie jaar voor diens dood onterecht? Wat Stynen zeker poneert is dat de mentale rehabilitatie, ook door niet-foute auteurs zoals voornamelijk Daisne en Lampo maar ook Walschap en Teirlinck, onterecht was. Stynen vereenzelvigt zich met het correcte voorschrift van de Belgische staat: nooit ofte nimmer komt er amnestie.

Van de ene verbazing in de andere

De biograaf Ludo Stynen is erover verbaasd dat men zo snel zo clement was tegenover Filip de Pillecyn. Ik wil de verbazing verleggen. Mij verbaast dat pas zo lang na 1962 (Filip de Pillecyns sterfjaar) de afrekening is gekomen, bijvoorbeeld bij een Hedwig Speliers anno 2003 – veertig jaar nadien.[15] Mij verbaast Stynens verbazing. Wat verbaast is de gloeiende verbazing van hedendaagse Vlaamse biografen, filologen en historici over de sociale acceptatie bij vriend en vijand die niet alleen Filip de Pillecyn ten deel is gevallen. Daar moet iets verkeerds gegaan zijn in die accepterende samenleving, is de implicatie. Die samenleving was zelf nog niet ‘in orde’. Misschien is een ideologiekritisch onderzoek van dit soort studies wel op zijn plaats.

Maar nog veel dringender tegenover deze tendensen is een onderzoeksvraag vanuit een heel andere gezichtshoek. Ik ben er namelijk van overtuigd dat een onderzoek naar deze mentale, quasi-onmiddellijke amnestie-in-de-leefwereld vruchtbare resultaten zou kunnen afwerpen. Een studie naar hoe mensen zich na burgeroorlogachtige conflicten tot elkaar verhouden, regelingen treffen en zich schikken, omdat ze tenslotte met elkaar voort moeten in de samenleving, omdat ze met elkaar moeten samenleven, omdat ze nu eenmaal samen een toekomst moeten hebben. Dat was toch de hele zin van de waarheids- en verzoeningscommissies die niet alleen in Zuid-Afrika, maar over de hele wereld hun werk doen – behalve in België, lijkt het wel? Het heeft er alle schijn van dat de ‘onverdachte’ vrienden van Filip de Pillecyn meer aan de maatschappelijke toekomst dachten dan de hedendaagse onderzoekers kunnen verdragen.

Hoe komt het eigenlijk dat de verzoening-in-de-leefwereld (gebaseerd op de ruimhartige geste van het doen alsof we vergeten) zo vaak gebeurde onder de actoren zelf? Waren de betrokkenen die met Filip de Pillecyn vriendschap sloten misschien onwetend over wat er tijdens de oorlog was gebeurd? Ik denk het niet. Vaak hadden ze in de strijdende kampen tegenover elkaar gestaan. Daisne was een verzetsman die documenten smokkelde tussen Gent, Brussel en Antwerpen. Laat mij ook maar eens een voorafname doen op wat de uitslag van zo’n onderzoek zou kunnen zijn. Ik ben van mening dat als puntje bij paaltje komt de tijdgenoten het beter wisten en een beter inzicht hadden in hoe het nu met de maatschappij verder moest.

Daarom dringt zich een nieuw amnestiedebat op, dat uiteraard niet meer kan gaan over de vraag of de betrokkenen amnestie moeten krijgen maar wel over of ze amnestie hadden moeten krijgen. En over wat amnestie nu eigenlijk inhoudt. Want het blijft natuurlijk een smet op het wezen van de Belgische staat dat amnestie nooit mogelijk is geweest. Het is niet zo dat met het overlijden van de direct betrokkenen het amnestieprobleem opgelost is. Daarbij helpt het niet dat men van boven af decreteert dat het er geen probleem is of was, of dat amnestie niet het juiste woord is of was, of dat in plaats van amnestie andere maatregelen (zoals de ‘uitwissing’ bij Luc Huyse) hadden moeten komen – want sinds de verschijning van Huyses boek een kwart eeuw geleden [16] zijn die alternatieve maatregelen er ook niet gekomen. Laten we ze dan maar academische zoethoudertjes noemen. Huyses epiloog bij deze overigens voortreffelijke studie van zijn medewerkers en hemzelf detoneert niet alleen tegenover het onderzoekswerk dat er aan de basis van lag, door een soort eerherstel van de repressie te schrijven heeft hij daarenboven voor lange tijd elk debat over verzoening verhinderd en het woord amnestie verdacht gemaakt. Precies op deze studie doet Bruno de Wever een beroep om zijn ‘zuiver historisch’ oordeel over het terechte van de straf te staven.[17] Nu heeft juist Luc Huyse veel verdienstelijk werk over ‘Truth and Reconciliation Committees‘ over de hele wereld heeft gepresteerd. Voor België was dit blijkbaar niet van toepassing. Niet te verwonderen dat Ian Buruma in een interview over zijn boek 1945 – Biografie van een jaar [18] het verdict velde dat het niet opruimen van de repressie mee voor de heropstanding van de Vlaamse Beweging heeft gezorgd.

Hoe samen te leven na burgeroorlogen

Twee teksten kunnen ons bij deze kwestie behulpzaam zijn. Wat betreft de juridische amnestie geeft het Woordenboek der Nederlandse Taal een interessant citaat uit 1798, na een periode met machtswisselingen toen iedereen wel eens een collaborateur met een vorig regime was geweest. De Resolutiën van het Intermediair administratief bestuur van het voormaalig Hollandsch gewest geven als definitie van amnestie: ‘Het verleenen van Amnestie en vergiffenis aan zodanigen van onse Ingesetenen, welke zig door onkunde of misleiding hebben gemengt in de beroertens, welke tot omkeering van ’s Lands Constitutie zyn ondernomen.’ Hier wordt helemaal niet gewaarschuwd voor schulduitwissing. Men leest het goed: ’s Lands Constitutie willen omkeren wordt anno 1798 niet (meer) bestraft. Het WNT voegt er nog aan toe dat de uitdrukking ‘generale amnestie’ een pleonasme is. In het licht daarvan zijn vele redeneringen over amnestie in de 20ste eeuw gewoon als sofismen te bestempelen.

Een tweede tekst gaat specifiek over wat ik hier de ‘praktische amnestie’ heb genoemd. Jos Borré had in zijn Walschap-biografie [19] duidelijk problemen met Walschaps houding tegenover incivieken en collaborateurs en nog meer met de roman Zwart en wit. Matthijs de Ridder, die Borré’s boek recenseert [20] probeert Borré’s incidentele benadering van Walschaps vreemde sympathieën met verdachten (zoals August Borms en Filip de Pillecyn) te vervangen door een originelere benadering. Walschap was niet zomaar een slechts ‘eigenzinnige’ denker in dezen. Ik geef hier De Ridders argumentatie volledig weer:

Veel van Walschaps uitlatingen in deze periode zijn prima te verklaren zodra ze in het kader van de bredere Vlaamse Beweging worden geplaatst. Walschaps ‘humanisme’ blijkt dan veel meer dan een formule voor barmhartigheid of weldenkendheid. Het is eerder een poging om het nationalisme, waarvan Walschap besefte dat het diep verankerd was in het Vlaamse denken en spreken van die dagen, een humanistischer invulling te geven. Walschap probeert na de Tweede Wereldoorlog Vlamingen van verschillende gezindten samen te brengen, in de overtuiging dat het noodzakelijk is om ook de ideologische extremen binnen de Vlaamse mainstream te houden. Als de Vlaming – en daarmee bedoelt Walschap in de eerste plaats zichzelf – er niet in slaagt om de ontspoorde idealist in zichzelf te ontdekken, dan is de gemeenschap gedoemd te desintegreren.

Wat Walschap volgens Matthijs de Ridder probeerde te doen strookt met de vriendschap die Herman Thiery / Johan Daisne met Filip de Pillecyn in praktijk heeft gebracht. Ten overvloede: ik begrijp met de beste wil van de wereld niet hoe men deze mensen daarvan een verwijt kan maken. Misschien moet ik eens ideologiekritisch doorgelicht worden?

o-o-o-o-o-o

[1] Dit is de uitgewerkte tekst van een lezing die ik in een ‘radioversie’ op 20 oktober 2013 voor het Filip de Pillecyncomité bracht in het Provinciaal Museum Emile Verhaeren in Sint-Amands aan de Schelde. De integrale versie van deze tekst, samen met een tiental andere lezenswaardige bijdragen, is te vinden is in Filip De Pillecyn Studies XI (2015).
[2] Baratzeartea, blz. 275.
[3] In zijn biografie Johan Daisne. Tussen magie en werkelijkheid, 1912-1978 (Houtekiet, 2014) maakt Johan Vanhecke geen melding van deze ontmoeting. In het in totaal tiental verwijzingen naar Filip de Pillecyn wordt trouwens helemaal niet verwezen naar de latere grote vriendschap tussen de twee schrijvers, behalve dan in die ene vermelding van Daisnes titel van zijn in memoriam, ‘Kleine herinneringen aan een grote vriend’. Hoe deze vriendschap is (kunnen) ontstaan wordt in deze biografie noch verteld noch verklaard. Het is net alsof Daisne Filip de Pillecyn leert kennen een week voor diens overlijden.
[4] Dat is bijvoorbeeld ook niet de mening van Hedwig Speliers in het hoofdstuk over ‘Streuvelsbiograaf Filip de Pillecyn’ in zijn boek Met politiek bemoei ik me niet. Tussen democratie en dictatuur: de literatuur in Vlaanderen tijdens het interbellum, Manteau 2003, blz. 193-222.
[5] Geschreven nog in de gevangenis van 1947 tot 1949, in 1958 herwerkt, en postuum in 1979 bij De Clauwaert uitgegeven.
[6] Ludo Stynen, ‘La trahison des clercs. Filip de Pillecyn en de verraders’, in L. de Vos, Y. T’Sjoen en L. Stynen (red), Verbrande schrijvers. ‘Culturele’ collaboratie in Vlaanderen (1933-1953), Gent, Academia Press, 2009, blz. 117-134. Dit citaat blz. 127.
[7] Baratzeartea, blz. 276.
[8] De Standaard van 3 juni 1954, ‘Het linkse sectarisme in de Gentse stadsbibliotheek’ (anoniem).
[9] In zijn Daisne-biografie (blz. 432-33) (cf. noot 4) schrijft Johan Vanhecke dat de informatie die Filip de Pillecyn aan de Standaardredactie bezorgt, waarschijnlijk van Daisne zelf komt. Het is niet duidelijk waarop Vanhecke zich hier baseert. Elke Gentse lezer bezat de catalogus van de Stadsbibliotheek. Zoals ik al aangaf, waren er zelfs jongetjes die erin lazen…
[10] Baratzeartea, blz. 276.

[11] Filip de Pillecynstudies 2 (2006) blz. 9-14.

[12] Tielt, Lannoo, 1994.
[13] Het pleidooi is te vinden op www.deburen.eu/userfiles/files/2011_1/Humbeeck%20-%20Pillecyn.pdf , geraadpleegd op 13 september 2015.
[14] Cf noot 7.
[15] Cf noot 5.
[16] Luc Huyse en Steven Dhondt (met medewerking van Paul Depuydt, Kris Hoflack en Ingrid Vanhoren), Onverwerkt verleden. Collaboratie en repressie in België 1942-1952, Leuven, Uitgeverij Kritak, 1991.
[17] Bruno de Wever, Filip de Pillecynstudies 2 (2006) blz. 14.
[18] Atlas-Contact, 2013.
[19] Jos Borré, Gerard Walschap, De Bezige Bij Antwerpen, 2013.
[20] Matthijs de Ridder in De Leeswolf 2013 nummer 6.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Jean-Pierre Rondas

De auteur is voorzitter van Stem in 't Kapittel vzw, de uitgever van Doorbraak