Advertentie
Buitenland

Niet bruin, niet donkerrood

Helga Grebing lichtte de Duitse arbeidersbeweging door. De pas overleden historica had niet veel op met orthodoxe doctrines.

Heel haar leven streed ze met de pen en het gesproken woord voor een ‘democratisch socialisme’, voor een politiek ‘links van het centrum’. Was het alles vergeefs geweest? Helga Grebing, een van de belangrijkste historici van de arbeidersbeweging, ontsliep op 25 september, één dag na de zware nederlaag van haar partij, de Sozialdemokratische Partei Deutschlands (SPD), bij de Bondsdagverkiezingen. Alleen ten tijde van de Republiek van Weimar, in de woelige jaren 20 van vorige eeuw, had de SPD met haar 20,5% nog een slechter resultaat behaald.

Indoctrinatie

Het was in de crisisdagen van de Weimarer Republik dat Helga Grebing op 27 februari 1930 het levenslicht zag in Berlijn. Een dik half jaar later, bij de Rijksdagverkiezingen van 14 september, sleepte de NSDAP van Adolf Hitler 18,3% in de wacht, negen maal zoveel als in 1928. De dagen van de eerste volwaardig uitgebouwde democratie op Duitse bodem waren geteld. Grebing groeide in het Derde Rijk op in een anti-nationaalsocialistisch milieu, maar werd zoals zovele meisjes lid van de Bund Deutscher Mädel (BDM), de vrouwelijke tak van de Hitlerjugend.

Toen in de winter van 1944 de eerste vluchtelingen uit het door het Rode Leger bedreigde Oost-Pruisen in Berlijn aankwamen, merkte het jonge meisje dat de zegebulletins van de Wehrmacht niet overeenstemden met de werkelijkheid. Het ‘Umdenken’ was begonnen. Een ‘Führerbefehl’ in februari 1945 om een ‘Werwolf’-organisatie op te  bouwen tegen het aanrukkende Sovjetleger legde de BDM-leidster naast zich neer. Na afloop van de oorlog werd Grebing geconfronteerd met weeral een nieuwe dictatuur, die van de Sovjet-Russische bezettingsmacht.

Als zeventienjarige was ze geschiedenis, filosofie en Germaanse filologie beginnen studeren aan de Humboldt-Universität (in de oostelijke sector van Berlijn), maar van de indoctrinatie door de communisten van de Sowjetische Besatzungszone (SBZ, vanaf 7 oktober 1949 DDR), in de zin van ‘nicht mehr braun, jetzt rot’ (niet meer bruin, nu rood), moest ze niet weten. Ze werd in 1948 lid van de SPD zoals die nog in West-Berlijn bestond, want in de SBZ zelf was de sociaaldemocratische partij twee jaar daarvoor moeten fusioneren met de communistische KPD tot de ‘Sozialistische Einheitspartei Deutschlands’ (SED), de leidende partij van de SBZ/DDR. Grebing besloot in het zomersemester van 1949 haar studies voort te zetten aan de Freie Universität in West-Berlijn. Er naartoe pendelen vanuit haar woonplaats in Miersdorf in de SBZ/DDR was niet zonder risico,  maar ‘(…) als jonge mens neem je immers risico’s niet zo existentieel waar’, zoals ze een halve eeuw later in een interview zou zeggen.

Perspectief

Als historica interesseerde Grebing zich voor die groepen van arbeiders die geen aansluiting vonden bij de socialistische beweging. Eerst wilde ze nog doctoreren over de ‘deutschnationale’ arbeiders, maar uiteindelijk schreef ze in 1952 haar proefschrift over ‘Das Zentrum und katholische Arbeiterschaft in der Weimarer Republik‘  (‘Zentrum’ was de katholieke partij die van 1870 tot 1933 bestond). Een jaar later verhuisde ze naar München om er bij de uitgeverij Olzog te werken. In de jaren 50 en 60 was ze professioneel bezig met vormingswerk, om daarna toch weer een academische loopbaan in te slaan.  In 1969 voltooide ze haar Habilitationsschrift (een soort tweede doctoraat in Duitsland) in de politieke wetenschappen onder de titel ‘Konservative Kritik an der Demokratie in der Bundesrepublik nach 1945′.

Ze was zich beginnen afwenden van de academisch bedreven geschiedeniswetenschap, omdat het deze met haar focus op thema’s uit het alledaagse leven zou ontbreken aan een ‘groter perspectief’. Van 1971 tot aan haar emeritaat in 1995 was ze achtereenvolgens professor aan de universiteiten van Frankfurt am Main, Göttingen en Bochum met als zwaartepunt de geschiedenis van de arbeidersbeweging. In Bochum leidde ze ook het ‘Institut zur Erforschung der europäischen Arbeiterbewegung‘ (vandaag het ‘Haus der Geschichte des Ruhrgebiets’). Haar emeritaat betekende helemaal niet dat ze op rust ging. Integendeel, ze bleef naarstig publiceren en talloze voordrachten houden, terwijl ze intussen nog lid van vele commissies en wetenschappelijke raden was.

Revisionisme

In een ‘Nachruf’ (een ‘in memoriam’) voor de pas overleden historica in het SPD-blad ‘Vorwärts’ schrijft Klaus-Jürgen Scherer dat haar standaardwerk ‘Geschichte der deutschen Arbeiterbewegung. Von der Revolution 1848 bis ins 21. Jahrhundert’ belangrijk is om het dreigende verlies aan historisch bewustzijn tegen te gaan. Volgens Scherer zou de nederlaag van de SPD bij de Bondsdagverkiezingen ook te maken hebben met het ‘verbleken van het sociaaldemocratische verhaal’. De zaakvoerder van het ‘Kulturforum der Sozialdemokratie’ stond Grebing in haar laatste levensjaar ook bij in het redigeren van haar boek over Fritz Sternberg (1895-1963), een ondogmatische marxistische theoreticus. Grebing heeft nooit veel opgehad met orthodoxe leerstellingen. Dat had ze als jonge vrouw al bewezen, en dat bewijst ook een van haar boeiendste publicaties, het boek ‘Der Revisionismus. Von Bernstein bis zum “Prager Frühling”’ (1977) waarin ze de afwijkende, als ‘revisionistisch’ gebrandmerkte socialisme-concepten grondig uitspitte.

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans