fbpx


Cultuur, Religie

Notities van een seksist

Dagboekaantekeningen (13)


schapen

Vrijdag 20 december

Houd ik van de bourgeoisie? Of houd ik van de avant-garde? Van beide, maar nooit tegelijkertijd. Wanneer de burgerij moppert dat de kunst nutteloos en verdorven is, kus ik vurig de naakte boezem van de revolutie en roep ‘Leve de Republiek!’ Maar wanneer de avant-garde mijn moeder ongelukkig maakt, druk ik haar met zijden blouse en al tegen me aan. Bij wijze van spreken dan, want ze is al vijfentwintig jaar dood.
Wanneer behoeft mijn dode moeder het troostende compres van de sympathie? Bijvoorbeeld wanneer een toneelvereniging in Gent een stuk baseert op de collectieve zelfmoord van een gezin in Calais – een cause célèbre van een paar jaar geleden.
De regisseur heeft de mond vol van debat, diversiteit en andere verheven zaken. Pompompom. Intussen heeft een echt gezin, twee ouders en twee kinderen, zich in Calais verhangen. Die zelfmoord wordt uitgebeeld in een voorstelling die het theater ongeschikt noemt voor kinderen onder de zestien. De ouders in dit Familie worden vertolkt door het acteursechtpaar An Miller en Filip Peeters; hun kinderen worden vertolkt door hun eigen dochters, veertien en vijftien jaar oud. ‘De opknoping zelf wordt in volle omvang getoond,’ melden theater en krant. Ik neem aan dat bedoeld is: zo realistisch mogelijk.

Veertien, vijftien, zestien…

Het geritsel van de krant gaat over in dat van mijn moeders kleren wanneer ze overeind komt. Het bericht heeft haar van haar stuk gebracht. Ze zegt: ‘Ik begrijp de kunst van deze tijd niet. Waarom dat zinloze choqueren? Kinderen die zich zogenaamd echt ophangen, dient dat soms ons begrip van de schoonheid of de waarheid?’ Nu gaat ze naar bed, een voorname schim… maar laat ik niet te teerhartig worden.

’s Avonds, bij de schemerlamp op mijn nachtkastje

Met Filip Peeters heb ik indertijd nog gevoetbald in een veteranenploeg. Zijn hond kakte op een keer na de wedstrijd in mijn open sporttas.

De volgende morgen

Echte avant-garde, gewaagde avant-garde zou iedere avond verse acteurs gebruiken. Er zijn veel werkloze acteurs en het concept biedt de zwakkere exemplaren een harnas om in te sterven. Het Romeinse Circus maakte van dit ware avant-gardisme trouwens de geliefkoosde kunstvorm van het gepeupel.

Zondag

Een verliefd paartje loopt halverwege de jaren dertig door een winkelstraat in Warschau. Krullen, pak, glimlach, getailleerd jasje, modieus gesneden japon, tanden, ceintuur, schoonheid, stippeldas: al deze elementen wandelen verstard door een nog niet kapotte grijze wereld; zelfs de aftershave en haar parfum zijn gefotografeerd.
Zouden ze de oorlog hebben overleefd? Kinderen hebben gekregen? Er moet nog wel iemand in Warschau te vinden zijn die ze herkent.
Waarom kwelt me nu de gedachte dat hun tijd is uitgestrooid op de wind, hun stad verwoest door de nazi’s, hun burgerlijkheid door de communisten, maar dat hun afbeelding voortleeft?

Maandag

Gisteren met Vivienne en nog wat vrienden naar de pub geweest. U vraagt wie Vivienne is?
Een vriendin van mijn leeftijd. Ze draagt creaties van fluweel met kale plekken, glimmende knielaarzen als van een hoer, een ring aan iedere vinger en armbanden die maken dat ze tingelt als een speeldoos. Dat alles zou me misschien prikkelen als ze niet lang, mager en ros was, het tegendeel van wat ik als begeerlijk beschouw.
Ik noem haar Ottoline; mij noemt ze Heer Teigetje. We namen deel aan een quiz. De pubquiz is een volkssport zoals vogelpik of biljarten. Soms zijn de vragen stompzinnig: wie speelde de hoofdrol in de serie Twats uit de jaren zeventig of wat is het kengetal van het eiland Alderney?
Een ale om ons moed in te drinken. Gefluister na iedere vraag. Ik kende een paar antwoorden: de voornaam van Disraeli, de titel van Larkins eerste bundel. In mijn glas glom een andere aggregatietoestand van geluk.
We verloren grandioos.

Dinsdag

Een vriend in Antwerpen stuurt me een foto van zijn beide kleinkinderen. De zevenjarige Angèle leunt op een arm en kijkt zelfbewust in de lens. Je kunt de contouren van Lolita al ontwaren – als patriarch zou ik me zorgen maken. Gelukkig heeft Darwin gemaakt dat de dans der hormonen onvoorspelbaar is.

Over Kerstmis

Mijn Franse vriend en vertaler Daniel Cunin is met zijn vriendin op bezoek. Hij stelde voor te koken en stuurde een boodschappenlijst in het Frans. Met die lijst in de hand toog ik naar het winkeltje in Winchelsea, waar ze lamsschouder en regionale kazen verkopen. De schouder heeft nog toebehoord aan een lam uit de Tillingham Valley, waar de schapen van onze vriendin Verity grazen. Wat jammer dat zo’n ooi en haar jong zich geen seconde bewust zijn van de eeuwige, niet tot avant-garde geneigde schoonheid van hun vallei! Ze grazen gehoorzaam, gedicteerd door de stupiditeit van hun erfelijke eigenschappen. Charles Darwin, je verveelt me bovenmate.
Kaas uit Kent. Kaas uit Sussex. Kroppen sla. Knoflook. Wortelen. Krieltjes. Gepocheerde eendenteentjes. Progressieve ganzenlever. Dit alles door mij uit het Frans vertaald.

Kikvorsennagelriempjes.

Ik ben koksmaatje. Daniel kan koken als een prins. Als ik hem kuste, sprong hij zelf in de pan.
De maaltijd is een oefening in het verdragen van een overdosis verrukking. Het voedsel is superieur. Onze vrouwen zijn de sensueelste vrouwen in Sussex. Wij mannen zijn subtiel geconditioneerd om met elkaar te wedijveren in geestigheid en welbespraaktheid.
De derde fles Bordeaux draait zelf van binnenuit haar kurk los. Zoet kirren de vrouwen.
Aan de overkant van de straat begint de klok te luiden voor de nachtmis.

Tweede Kerstdag

Graham Greene heeft het in zijn dagboek over een droom waarin hij tijdens een diepzinnige discussie de opmerking maakte: ‘Het zou interessant zijn als er bij de geboorte van Christus iemand aanwezig was geweest die helemaal niets gezien had.’ Onmiddellijk daarop was hij die iemand. De herders knielden trouwhartig in gebed neer, de wijzen offerden gezeglijk hun gaven, maar zij aanbaden en offerden hun gaven aan een leegte – een blinde muur. ‘Ik was verbaasd en ontsteld. Ik dacht: als ze aan een leegte offeren zullen ze wel weten wat ze doen, laat ik dus ook maar aan die leegte offeren.’
Zo onthulde deze droom wat het wezen van het atheïsme is: een blinde muur.

‘s Avonds

Mijn oudste vriend in dit ondermaanse – ik ken hem sinds 1961 – belde. Peter belde en ik hoorde aan zijn intonatie meteen dat er iets mis was, of nee, ik hoorde aan de manier waarop de telefoon rinkelde al dat er iets mis was. Zijn moeder, de laatste moeder van onze generatie, werd gisteren aan het kerstdiner bij haar dochter onwel. Nu ligt ze in een coma. Of ik in de kerk van de drakendoder aan de overkant van de straat een kaars voor haar wilde branden.
Als ervaren kaarsenbrander heb ik dat onmiddellijk gedaan – ik ben naar de koster gegaan voor de sleutel, hij wandelde mee, deed de lichten aan, maar ik verzocht hem die weer te doven. Nu was het tussen mij en het omringende duister: ik was gewapend met een lucifer, hij met alle angsten van de mensheid. De kaars deed gehoorzaam wat de wetenschap van haar verlangde. Ik keek naar de heldere kern van mijn gedachten, dit kleine gasvormige tegendeel van Greenes blinde muur. Ik keek zo actief mogelijk. Ik bespaar u de tocht door mijn geheugen bij die simpele handeling.
Ik belde haar vorige week nog: ‘Hoe is het met je, Tiny?’ – ‘Och, beetje somber…’

Vrijdag

Ze is gestorven zonder nog bij bewustzijn te zijn geweest. Zoals veel stervenden sperde ze haar ogen wijdopen vlak voor ze de geest gaf.

Zaterdag

De liefde bedreven met Joy. Weliswaar gaat u dat niets aan en u zult het trouwens ongevoelig van me vinden dat ik dat uitgerekend nu ter sprake breng, terwijl dat koude lichaam van tweeënnegentig op zijn teraardebestelling wacht. Maar het is vakantie, de voetbalcompetitie ligt stil, ik vind mijn vrouw erg verleidelijk en Christopher speelt gids voor de Fransen in het huis van Rudyard Kipling.
Een traditioneel kerkelijk huwelijk wordt in Engeland voltrokken met teksten uit 1662. Dat is drie jaar voor mijn huis werd gebouwd, en ook in zo’n tekst stoot je af en toe je hoofd, maar als je mij bent voel je je er wel thuis. ‘With my body I thee worship,’ zegt de bruidegom tegen zijn bruid.
Is dat niet hartstikke seksistisch?
Ach, tijdgenootje van me, hij spreekt haar toe alsof hij zich tot God richt: ‘Ik aanbid u met mijn lichaam.’ Dichter bij een vergoddelijking van de vrouw kun je niet komen: de man als hogepriester van haar tempeldienst.

Maandag

De Fransen zijn vertrokken.
Ik lees een oud interview met de schrijfster Rachel Cusk. Veel platitudes. Ik geeuw onbetamelijk. Rachel zegt: ‘Misschien zijn wij – we zijn in de vijftig – de laatste generatie voor wie het onderscheid tussen mannen en vrouwen een punt is. Mijn generatie is met hardvochtigheid grootgebracht, en voedt de eigen kinderen op met aardigheid en zachtheid.’
Dat is een uitspraak met ongeveer twintig procent betekenis, net zoals: ‘Mijn generatie is met twee ouders en Sinterklaas grootgebracht, en de volgende voedt de eigen kinderen op in een chaos van narcisme, genderverwarring, roetpieten en echtscheidingen.’
Dat is het probleem van dit soort diepzinnige algemeenheden: ze zijn niet helemaal onwaar zonder ooit echt waar te worden. Het is alsof Rachel Cusk met een armzwaai op de vallei van de Tillingham wijst en zegt: ‘Misschien is dit de laatste generatie schapen die opgegeten wordt.’ Het is alsof ik zeg: ‘Arme schapen! Met de veganisten aan de macht is hun leven zinloos geworden.’

Nieuwjaar

(is op Oudjaar gevolgd, zoals min of meer te verwachten viel)

3 januari 2020

Ik merk dat ik banger ben voor extremistische vrouwen dan voor extremistische mannen, al ben ik voor beide soorten bang. Dat vloeit logisch voor uit mijn opvatting van de vrouw als iemand die je als man idealiter bewondert, dient en liefhebt.
Iemand als Sabrine Swartenbroux of Katrien Ingabire – vrouwen als een ondeelbaar getal – beschouwt het soort man dat ik ben als een witte patriarch die de Brexit en zijn eigen racisme niet begrijpt, en dat terwijl ik niet alleen deuren voor hen openhoud en ze in hun jas help, maar ook vrouwen met een carrière steun en de kunstzinnige vrouwelijke geest bewonder.

’s Avonds

‘Stop met die deuren en dat bewonderen! Als witte patriarch begrijp je je eigen seksisme niet…’

Zondag 5 januari

(Schiphol)
Morgenavond een interview van een uur in een literair radioprogramma; het onderwerp is Zingen en creperen. De opname is in Hilversum en ik heb al weken geleden een vlucht naar Amsterdam geboekt. Het toeval is wreed maar praktisch: enkele uren eerder wordt Tiny begraven in het dorp van mijn kindertijd, waar ik haar twee jaar geleden voor het laatst bezocht heb.
Terwijl ik mijn agenda overweeg, word ik midden in het Knossos van de vaderlandse luchthaven aangeklampt door een brutaal meisje van een jaar of twintig, dat achter een tafel met schoonheidsproducten staat en me aanklampt in het soort Engels waarin de mensheid zichzelf het zwijgen oplegt: ‘What do you wash your face with?
‘Wat zegt u?’
I cannot speak Dutch.
Shame on your employer.
I don’t understand. What do you wash your face with? Soap? Gel?
Stop blethering. Tell your employer that he’s an ignorant barbarian.

Maandag

In Rozendaal. Ik omhels Peter. Terwijl om ons heen de banale formule ‘Nou, gecondoleerd, hoor’ als een telkens herhaalde vloek weerklinkt, spreken we zachtjes over enkele van de vele dingen die ons verbinden: hoe we aan deze keukentafel met zijn dierbare moeder kletsten, over de onvergetelijke pastorie, op tweehonderd meter van zijn ouderlijk huis, waar ik voorgoed ongeschikt ben gemaakt voor de moderniteit… en welke liederen heeft hij voor de uitvaartdienst gekozen? Er zijn er twee van mijn vader bij; de keuze was van Tiny zelf, op een blad papier in haar bevende blauwe letters genoteerd.
In de kerk zingen misschien twintig van de honderd aanwezigen mee – de anderen kunnen niet zingen, zijn niet vertrouwd met kerkliederen, vervelen zich, zitten op een onbeleefde manier beleefd te zijn. Instortende beschaving.
We wandelen langs het kasteel naar de begraafplaats in het Donkere Bomenbos, waar ook De Génestet begraven ligt. De oude beuken zijn aan de westzijde met mos begroeid; ook de ongelijke grond tussen de graven is groen en sponzig. Mijn hele buitenissige kindertijd – het zoontje van de dominee – hangt als een witte elektrische nevel tussen de bomen.

7 januari

Het radiogesprek gisteravond verliep bevredigend. Omdat Zingen en creperen met Anna’s leven en dood eindigt, spraken we geruime tijd over Anna. Toen keek ik de interviewer aan en zag dat zijn ogen net als de mijne glansden… maar onze stemmen bleven mannelijk, als dat tenminste het woord is.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.