fbpx


romantiek
scheldproza

Ode aan het Vlaamse varken

Over beledigingen, geuzentitels en identiteit


Een hele tijd, zowat vijf jaar lang, heeft een anoniem persoon me mailberichten gestuurd en blogreacties gepost waarin ik als een ‘West-Vlaams varken’ werd betiteld. Het eerste omwille van mijn onloochenbare afkomst, uiteraard. Het tweede omdat de afzender blijkbaar gelijkenissen vaststelde met het welbekende zwijn dat rond mijn geboorteplek in grote hoeveelheden wordt groot gebracht.

De haatberichten, die soms ook gepaard gingen met dreigementen, fascineerden me wel, want die schaduwman/vrouw leek me echt te volgen en opzoekwerk te doen over alle mogelijke antecedenten, ontmoetingen, verwantschappen. Hoeveel fan kan je zijn. Ongeveer een jaar geleden zijn ze dan gestopt. Toeval of niet, rond hetzelfde ogenblik dat mijn column verscheen over Sint-Antonius, de Vlaamse hutsepot en het oervarken waarvan niet alleen de sus domesticus maar wij allemaal zouden afstammen, dit volgens een revolutionaire theorie van ene Eugene McCarthy.

Achteraf bekeken denk ik dat al die beledigingen, altijd weer met dat varken als epitheton ornans, in mijn geestelijk leven -en wie weet zelfs lichamelijk- een en ander hebben in gang gezet. Een zoektocht naar mezelf, wie ik ben, waar ik vandaan kom, à la recherche du temps perdu. Nog duidelijker gesteld: ik ben een varken geworden, of misschien terug geworden, dankzij het scheldproza van mijnheer of mevrouw X, die ik hier bij deze wil bedanken.

Barbaren en makakken

scheldproza

Amateur-antropologen bestuderen een Hottentotten-vrouw (1815). Let op de hond rechts.

Meteen een gelegenheid om beledigingen eens van een andere kant te bekijken in deze samenleving waar iedereen constant beledigd wordt, aansluitend verontwaardigd is, en nog wat verder naar UNIA schrijft. Laten we het eerst bekijken van de kant van de schelders. Een Marokkaan een makak  noemen, naar analogie met de apensoort die in Noord-West Afrika leeft (Macaca sylvanus), lijkt niet netjes, maar het is nog gevleid vergeleken met het woord kafir, gangbaar voor ongelovige westerling. Waarvan overigens ons scheldwoord kaffer dan weer is afgeleid.

Dat stigmatiseren van de andere heeft een lange geschiedenis. De oude Grieken, ons absoluut model van beschaving, rekenden elke niet-Griek tot de klasse van de barbaroi, letterlijk de stamelaars of brabbelaars. Echt vleiend is het niet, maar het was ook geen reden om die brabbelaars te halsrechten. Idem voor het woord ‘hottentot’, verwijzend naar de klakkende keelgeluiden die deze Zuid-Afrikaanse inboorlingen maken. Het woord ‘barbaroi’ heeft overigens een oeroude stam, het werd in de Myceense beschaving al gebruikt en verschijnt zelfs in het Sanskriet onder de betekenis van ‘stotteren’. Grappig genoeg is daarvan het woord berber afgeleid, benaming voor het pre-Arabische oervolk van Noord-Afrika.

Op zich zijn deze racismen niet gewelddadig of zetten ze aan tot geweld. Ze stellen een verschil vast en verbinden dat veelal met fysieke stereotypen, vanuit een eigen identiteitsgevoel. Het stoort weinig Europeanen dat ze door moslims als een kafir  worden beschouwd, integendeel, het  is een erkenning van wat we niét zijn. Het is pas de jihad, de heilige oorlog tegen de ongelovigen, die er een probleem van maakt.

Het taalkundig stigma, soms evoluerend naar de status van scheldwoord, heeft dus met een socio-culturele realiteit te maken die men in de politiek-correcte sfeer probeert weg te gommen, in de hoop dat daarmee alle verschillen en eventuele wrijvingen uitgewist worden. Helaas, integendeel. Als men iets verbaal niet meer kan/mag uiten, kookt het vat misschien pas over.

Van Geuzen tot impressionisten

scheldproza

De Nederlandse edelen (‘geuzen’) op visite bij Margaretha van Parma (1566). Let op de hond links.

Terug naar mijn individuele stalker. Ook beledigen is communiceren, misschien zelfs een dieptevorm ervan. Terwijl lof dikwijls vals is en met nevenbedoelingen kan omzwachteld zijn -vleierij en gefleem dus-, is het schelden wars van elke hypocrisie. Het constateert een breuklijn en vertolkt dat ook kernachtig, liefst nog met een uitroepteken. Literair kan dat tussen polemisten tot zeer leesbaar proza leiden, maar niet iedereen is een letterkundige. Persoonlijk ben ik er tegen om lezersfora te censureren in naam van het fatsoen: grof taalgebruik is niet het voorrecht van Herman Brusselmans. Persoonlijke beledigingen kunnen dat overigens maar zijn als men zich ook beledigd voelt: wie het schoentje past, trekke het aan.

Dat brengt ons tot de andere kant: hoe met gortige aanspreektitels omgaan? In het recente Aalsterse carnaval werd er gespeeld met het woord klaugmier, dialect voor ‘klaagmuur’, verwijzend naar de trammelant rond de vorige editie met de Joodse karikaturen van de Vismooil’n.

De figuratie hield het midden tussen Joodse typering (de zwarte sjtreimel als hoofddeksel) en een onmiskenbare verwijzing naar de mier. Weer groot misbaar in de internationale pers en in zionistische kringen. Terwijl, ach, dat zo makkelijk met de glimlach zou kunnen gerecupereerd worden. Dat opzichtig hoofddeksel dragen ze dus wel, so what. En mieren zijn geen kakkerlakken. Ze staan voor werkijver, discipline, onoverwinnelijkheid en groepsintellect. Israël is een mierennatie. Helaas, het werd weer een klaugmier van jewelste.

Het uiten van beledigingen is een recht, ze accepteren en transformeren is een kunst. U weet hoe de Geuzen aan hun naam zijn gekomen: het was Charles de Berlaymont, raadsman van Margaretha van Parma, die de landvoogdes gerust stelde met de onvergetelijke woorden ‘N’ayez pas peur, Madame, ce ne sont que des gueux’ toen op 5 april 1566 een delegatie van Nederlandse edellieden afgezakt kwam met een verzoekschrift tot tolerantie, waarachter een niet mis te verstane dreiging van revolte stak.

Een verjaardag die mag gevierd worden: de Geus (‘schooier’) werd een geuzentitel voor de opstandelingen tegen het Spaanse schrikbewind. En zo wordt het aanvaarden en omvormen van beledigingen een sleutelelement in het vormen van identiteit. Het zijn de anderen, de tegenstanders, zij die schelden, die ons ‘sterk’ maken tot wat we zijn. De Ajuinen, de Maneblussers en de Kiekenfretters kunnen ervan mee spreken: draag uw schandnaam met waardigheid en doe er iets mee.

Terwijl de Franse schilderkunst in de tweede helft van de 19de eeuw beheerst werd door academisme en hypernationalistische genrestukken, kwam een aantal jonge borstelaars met iets totaal nieuws af: ze werden door de pers geringschattend impressionisten genoemd, en exposeerden in het parallelle, onofficiële ‘Salon des refusés’. We kennen de rest van het verhaal.

Les flamingants

scheldproza

Erwin Vanmol

Zineb El Rhazoui, de journaliste die de aanslag op Charlie Hebdo heeft overleefd (omdat ze toevallig niet op de redactievergadering was), formuleerde het zo: Het recht om met iets of iemand te lachen, markeert de scheidingslijn tussen een barbaarse of een beschaafde samenleving.’ Noteer het woord ‘barbaars’. Ik zou eraan toevoegen: het getuigt nog meer van beschaving als men het scheldwoord incasseert, om het uiteindelijk binnenste buiten te keren.

Daar is de islam nog lichtjaren van verwijderd. De joden hebben wel hun eigen humor en satire, maar niet-joden mogen met hen niet lachen of het is antisemitisme. Alleen het christendom heeft de zelfspot van de pastoorsmop helemaal geaccepteerd en zal, o ironie, misschien net aan die tolerantie ten onder gaan.

Ondertussen moeten we ons dringend beraden over de Vlaamse identiteit, net vanuit het geuzenverhaal. Welk karikaturaal beeld cultiveren de tegenstanders van de Flandritude? Volgens onze eigen links-culturele elite en de francofone Belg is de bewoner van la Flandre profonde een rechtshangende barbaarse zak. Wel, misschien moeten we dat dan ook maar worden en cultiveren met stijl en zwier. Geusgewijs, à l’impressioniste.

Even onze vinger in de klei steken. De Vlaamse onderbuik is absoluut on-Belgisch, evenmin Hollands, en ruikt altijd wat naar bier en varkensstallen, hoezeer Gent en Antwerpen ook hun best doen om op een stad te lijken. Het slijk van de Vlaamse polders en de bijbehorende mestgeur, met alles wat daaraan voorafging (Groeninghe) en erop volgde (de IJzervlakte), hangt aan ons vel als een tweede huid en vrat zich een weg naar binnen. We zijn ‘fascisten’, in de infrapolitieke zin die L.P. Boon, Claus, Brusselmans en Verhulst er onbedoeld aan gaven: stout, ongemanierd, lomp, en niets voor een schoonheidswedstrijd.

Deze volksaard, ten dele Antwerps-stedelijk, ten dele Menapisch-ruraal, verspreekt zich constant op literair en artistiek vlak, daarom zullen we nooit een Nobelprijs halen. Het zit in onze genen, zoals Jacques Brel over les flamingants  hoonde, en veel later nog eens Bert Bultinck in een notoir stukje zelfhaat. We waren al voorbestemd tot de status van slijkvlaming, als genotype, en zijn het voor de andere helft geworden als fenotype, via de sleur en de martelgang van het leven, het onrecht van de geschiedenis, het verdriet van de politiek en het gekonkel van onze eigen media.

Dus ja, ik ben een slijkvlaming en behoor tot een volk van varkens en ben er verdomme fier op. Ik heb het brabbelen met veel ijver gestileerd tot letterzetten, maar het blijft in se geknor met een geur van politieke incorrectheid. Een goed gemikte belediging kan wonderen doen. Het Politiek-Incorrect Genootschap (PIG) van mijn compagnon Erwin Vanmol kan een en ander verder op muziek zetten. In afwachting dat het definitieve Vlaamse geuzenboek dit najaar verschijnt.

Politiek-incorrect: het nieuwe boek en de lezingenreeks, voor meer info klik hier.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Johan Sanctorum

Johan Sanctorum is filosoof, publicist, blogger en Doorbraak-columnist.