fbpx


Cultuur, Literatuur, Religie

Ongelukkige mensen

Dagboekaantekeningen (32)


The Bard-Grahame-Nesbit-Proust-Nietzsche

Dinsdag 13 oktober Onze nieuwe buurvrouw speelt in films, regisseert toneel en opera, spreekt vloeiend Frans en heeft het Légion d’Honneur uit handen van de Franse president ontvangen. Ze heet Irina Brook. Ik ken haar dankzij mijn verstrooidheid. Dat ging zo. Ik sjokte gezeglijk achter de honden aan en wilde juist, in associatief gepeins verzonken, terwijl mijn zintuigen intussen werden bestookt door het gekras van kraaien, de herfstzon in mijn ogen en het parfum van humus, paddenstoelen en de laatste…

Plus artikel - gratis maandabonnement

U heeft een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U heeft reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement



Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Dinsdag 13 oktober

Onze nieuwe buurvrouw speelt in films, regisseert toneel en opera, spreekt vloeiend Frans en heeft het Légion d’Honneur uit handen van de Franse president ontvangen. Ze heet Irina Brook. Ik ken haar dankzij mijn verstrooidheid.
Dat ging zo. Ik sjokte gezeglijk achter de honden aan en wilde juist, in associatief gepeins verzonken, terwijl mijn zintuigen intussen werden bestookt door het gekras van kraaien, de herfstzon in mijn ogen en het parfum van humus, paddenstoelen en de laatste wilde dropplanten (munt en anijs) dat de bosrand aan mijn neus opdrong, het weggetje langs Hare Farm oversteken, toen ik uit dat niet onprettige geheel van lichaam en geest werd opgeschrikt door de knarsende remmen van een oude BMW met een Franse nummerplaat, die onderweg was naar het stijlloze lage huis dat tegen de heuvel boven de boerderij een banale bouwstijl met een als groene wijn fonkelend uitzicht over de vallei van de Brede hing te verzoenen… maar deze zin wordt te lang. De auto en ik kwamen gelijktijdig tot stilstand, mijn handen rustten tegen de bovenrand van het rechterportier, en door het automatisch naar beneden glijdende raam kwinkeleerde een vrouwenstem: ‘Hemeltje! U hebt zich toch niet bezeerd?’
Ze was pas een week eerder vanuit Parijs naar Brede verhuisd, met het oog op een opdracht in een Londens theater. Ze liet me de kale bungalow zien, waar ze met een kat woonde. Op een tafel voor het panoramische raam stond een onaf acrylschilderij, dat een artisticiteit verried die het provinciale ruimschoots overtrof: er was een zekere urbaan gemak in dat schilderij, net als in haar stem, haar trekken, die ook iets onafs hadden, alsof ze, op een ezel rustend, nog voltooid moesten worden, in haar zelfverzekerde middelbare leeftijd (ze was ongeveer even oud als Joy), haar losvallende rode jurk, haar kat, het glas dat ze me aanreikte; zelfs het uitzicht leek zich verlegen aan haar stedelijke blik aan te passen, het was anders mooi in deze nauwelijks vorsende, bijna onverschillige kosmopolitische ogen.
Ze had veel Shakespeare geregisseerd in Frankrijk, waar ze als Engels kind was opgegroeid. ‘Het voordeel van Shakespeare in het Frans is dat de taal veel begrijpelijker wordt,’ zei ze. Dat vond ik een betrekkelijk domme opmerking, maar ze was te scherpzinnig en te vrouwelijk om mijn sarcasme te activeren.
‘Het nadeel is dan weer dat je de poëzie kwijtraakt,’ zei ik.
‘Het is theater.’
‘Daarom lees ik Shakespeare ook liever. De superieure passages althans.’
‘Maar dan raak je de verhalen kwijt.’
‘Vind je de verhaaltjes dan niet… onnozel?’ (Mijn toon was plagerig.)
Ze lachte.
We zaten op het terras, voor het tegen de helling aangedrukte huis. Een windje stak op en een papieren brief – Irina speelde met de kiezelsteen die als presse-papier diende, aan haar hand groeiden ongelakte nagels – fladderde de wei in. Ik stond op en bukte me om de brief op te rapen, die in het Frans was geschreven; hij lag een seconde stil naast een schapenschedel, die ik tussen de duim en wijsvinger van mijn andere hand nam en haar aanbood: ‘Ziehier de arme Yorick!’
Actrices! Ik heb er in Vlaanderen heel wat meegemaakt; hulpeloos op zoek naar externe bevestiging, waren de meeste niet in staat tot een gedachtewisseling, maar af en toe boerden ze de pap van andermans woorden op – dan straalden ze.
Evengoed was Joy jaloers op Irina, die ik een uur later al in een imaginaire heldin had veranderd. Film. Regie. Légion d’Honneur.

Donderdag

Ik zit tegelijkertijd Nietzsche (De antichrist), Proust (Combray) en The Wind in the Willows te lezen… alsof ik dat van een knevel voorziene sublieme gewauwel moet zien te verzoenen met de bedenkelijke frisheid van een conservatieve plattelandsfantasie voor kinderen en het ziekelijk verfijnde proza van Marcel Proust.
Proust. Eindelijk lees ik hem. Ik bedoel: van kaft tot kaft in plaats van losse passages. Simultaan in het Frans en het Nederlands (de vertaling dient als woordenboek). Hij zou het tegendeel van Rowling moeten zijn, arm aan gebeurtenissen, rijk aan stijl… maar heremijntijd, wat een saai proza is me dat! Een uitputtende tocht door de Franse grammatica, een plattegrond van de menselijke ziel met de kleine Robert als stadsgids… En dan al die ontelbare details: de meidoorn kan niet in vrede zijn bloemen produceren zonder dat de neurasthenische Proust een vergrootglas boven elke stamper, elke meeldraad houdt. Het is alsof je te voet honderd kilometer Rodin moet bekijken.
Wanneer we de beroemdste scène bereiken, na vijftig pagina’s, weten we nog altijd niet meer dan dat de verteller als kind een huilebalk was die van zijn moeder voor het slapengaan veel kusjes moest krijgen. Niets over de gevolgen van de Frans-Duitse oorlog die een paar jaar eerder de ruwe omtrek van de seculiere republiek uit de materie van de tijd had gehakt. De scène is trouwens volkomen ongeloofwaardig. Je doopt een koekje in de thee en je volledige geheugen ontvouwt zich… Maar die onzin heeft de weg gebaand voor de onmachtige psychologische roman van de twintigste eeuw.
Proust – ik geeuw boven deze pathologie. Wat is literatuur, wat is heilige literatuur toch vervelend!

‘s Avonds (aan de keukentafel, bij lamplicht, terwijl de schemering Sussex uitwist)

‘Wat zit je te lezen?’
‘Proust.’
‘En?’
‘Strontvervelend.’
‘Waarom lees je het dan?’
‘Mijn wil dwingt me.’
‘Waarom wil je het dan lezen?’
‘Ik wil het helemaal niet lezen! Ik wil het gelezen hebben…
‘Ah, uiteraard. Wil mijn snob ook thee?’
‘Graag.’
‘Koekje?’

‘s Nachts

Zo beland ik in mijn Combray, in het zwarte vierkant van mijn zolderkamer, die naar schimmel ruikt doordat het regenwater in een hoek door het brokkelige pleisterwerk sijpelt, en waar de maan, bleke bezoeker, zich over mij heen buigt, zodat ik, mijn angst verbijtend, onder de dekens wegkruip – wollen dekens, nog voor de oorlog in Rotterdam vervaardigd, uit het huis van mijn grootouders afkomstige erfstukken, die de stank van ‘de meidagen’, de brandlucht van de gebombardeerde stad, in verijlde vorm hebben vastgehouden – waar een andere werkelijkheid heerst, die van het boek dat ik aan het lezen ben, het lievelingsboek van mijn moeder, dat zij gelezen moet hebben omstreeks 1930, als meisje van een jaar of tien, met een spits gezichtje en lange blonde vlechten: het heet Spoorwegkinderen en is geschreven door E. Nesbit en het is mama’s exemplaar dat ik mag lezen, ‘naar het Engelsch door G.W. Elberts, met platen van Hans Borrebach’, uitgegeven in ‘de Bibliotheek voor Jongens en Meisjes Na Schooltijd’; het ligt hier naast mij op mijn nachttafeltje, het papier is het bruin van slappe thee en vormt in de snee een elegante cascade, en hoewel het jaar van uitgave ontbreekt, situeert de omslagtekening van Borrebach de hoofdpersonen in de late jaren twintig (ook al speelt het verhaal even na 1900), toen mijn moeder mijn leeftijd had, zodat ze heel goed het oudste meisje zou kunnen zijn, Bobbie, in haar halflange jurkje met de witte kraag – o, de weemoedinductie van dit plaatje! – en zo, weggekropen in de tijdreisbubbel onder mijn deken, overdenk ik het spannende lot van die arme moeder met haar drie kinderen, die hun comfortabele villa in een voorstad van Londen moeten opgeven in ruil voor een huis op het platteland, nadat de vader is gearresteerd op verdenking van spionage, een valse beschuldiging, maar dat wordt pas aan het einde van het boek onthuld, wanneer alles goed afloopt, nog altijd tot mijn opluchting, realiseerde ik me toen ik het meesterwerk herlas (het is een meesterwerk), vele decennia later, schuilend onder andere dekens, in een andere tijdreisbubbel, die John & Mary West House heet, waar ik dit allemaal opschrijf…
Enfin, het zal u beginnen te dagen dat die ziekelijke Marcel een afkeer van de point final had.
Het nieuwe huis van Bobby-mama is een eenvoudige cottage. Er is nog maar een beetje hulp in het huishouden. Tegen het achterdoek van dialect pratende, goedmoedige lieden kun je amper enige klassenstrijd ontwaren, maar er verrijzen dan ook geen zwarte satanische fabrieken in de omgeving: we bevinden ons in het groene en aangename land. Dat is opmerkelijk, in aanmerking genomen dat Nesbit een feministe was, en ook lid van de Fabian Society voor intellectuele sympathisanten van het socialisme. Maar Edith had goddank meer talent voor vertellen dan voor preken.
De nabije spoorweg, waarover het gezin naar Humbleshire is vervoerd, speelt natuurlijk een grote rol, maar dat moet u verder zelf maar ontdekken.
Na schooltijd haastte de Tini van tien zich door het nog ongebombardeerde Rotterdam naar haar ouderlijk huis, Aelbrechtskade 84a: hier wachtten haar nieuwe boek en een Duits dienstmeisje met lekkers. Over haar ziekelijke moeder heb ik nooit veel gehoord, maar haar vader was haar held. Herman van Malde, een lichtend voorbeeld van Bildungsbürgertum, aangetrokken tot het artistieke, wat maakte dat hij stillevens schilderde en sonnetten in de stijl van de Tachtigers schreef, stond aan het hoofd van een kleine deurenfabriek en een grote kinderschaar. Na zijn dood werd hij een gedenkteken van morele onkreukbaarheid voor mijn moeder. Ze verheerlijkte zijn nagedachtenis. Hij was als de vader van Bobbie.

Zaterdag

De oogopslag van de glimlachende Renée Fleming halverwege de aria Casta Diva van Bellini… naar wie kijkt ze, een concrete man in het publiek (want ze kijkt naar een man), of een imaginaire, de gezant van mijn sekse? Smeltende substantie van de mond, de ogen, vloeibaar worden van het gezicht – de halve seconde waarin ze haar kuisheid op het spel zet, haar goddelijkheid loochent, doordringt in de aardse sfeer… En het valt gewoon te bekijken op Youtube, ook u kunt haar zien, terwijl ze van mij is!

Zondag 18 oktober

In de kerk wordt gebeden voor de Franse leraar Samuel Paty, op straat onthoofd door een Tsjetsjeense gelovige van achttien.
Ik heb het Nieuwe Jeruzalem altijd als een zwaktebod van de christelijke leer beschouwd en het seculiere Frankrijk als een blunder van de Verlichting. Maar ik vergiste me beide malen. De christelijke metafoor behoedt ons voor het paradijs van de maakbaarheid; het Franse realisme beschermt ons tegen het fanatisme van de fantasie.
Joy en ik steken een kaars aan voor Samuel: ik kniel voor Samuel en Marianne, terwijl mijn gebed in de vorm van heet gas opstijgt naar de hypothetische bedenker van zuurstof- en stikstofmoleculen.

Donderdag

Ik, willoos tandwiel in de witte racistische machine geheten Europa, kreeg te maken met een afschuwelijk driedubbel misverstand.
Ons duizend jaar oude, naar St George genoemde kerkje, tegenover The Red Lion, die onze dorst weer op een andere manier lest, zit nu al sinds vorig jaar zonder vicar (ik zeg vicar omdat ‘dominee’ niet de geest van de tolerante, victoriaanse, in botanie en het sonnet liefhebberende geestelijke oproept): Father Martin is met pensioen en er zijn inmiddels al drie kandidaten ongeschikt bevonden. Op zondag is er een gastprediker. Gary mag als enige zingen dat covid een kutziekte is. We zien eruit als een schaapskudde in de regen.
Eergisteren werd er een nieuwe kandidaat aangekondigd, Father David. Of wij hem en zijn vrouw onderdak wilden bieden? ‘Hij is Nigeriaans,’ zei Duncan (die behalve organist ook kerkvoogd is). ‘Misschien wel goed voor ons lieve slaperige dorp…’
David Isiorho is de bleke zoon van een Nigeriaanse vader en een blanke moeder; uit het racisme van sociale woningen in de jaren zestig en een eersteklas universitaire opleiding gekweekt, is hij zowel erg Engels als erg anti-Engels. Hij blijkt een boek te hebben geschreven over zijn ervaringen als halfbloed. Dat vertelt zijn vrouw Beth, die tien jaar ouder is en zowel Jezus als het socialisme aanbidt. Het echtpaar heeft, mogelijk in het kader van hun tweede godsdienst, geen bloemetje of fles meegebracht.
We zitten aan tafel (dit was gisteravond). Het lamsvlees is verrukkelijk, de wijn huppelt opgewekt naar de slokdarm, maar het maal is gekruid met argwaan. David zegt vrijwel niets: Beth praat. Davids boek heet Mission, Anguish, and Despair. Daarin klaagt hij het ‘endemische racisme’ in de huidige kerk aan; ja, in dat boek is hij erg kwaad. Zegt ze. Ik heb nooit iets gemerkt van racisme in de Church of England, die zelfs een ietwat dubbelzinnige houding tegenover homoseksualiteit aanneemt om de anglicaanse zusterkerken in Afrika niet van zich te vervreemden.
Nog een wijntje, Beth? Vader?

‘Ik haat de Tories,’ zegt Beth. David knikt. ‘Toen ik mijn eed van trouw aan de Koningin aflegde, hield ik mijn vingers achter mijn rug gekruist!’ zegt Beth trots. David knikt heftig.
Ik leid onze disgenoten dit bos uit, in de richting van het groene Engeland waar we veilig kunnen grazen. Daarginds wenken Mozart en Trollope: Davids favoriete componist en zijn favoriete romanschrijver. Vertelt Beth.
Vanochtend na hun vertrek vond Joy twee lege wijnflessen in de logeerkamer van die ongelukkige mensen.

Nachtelijke gedachte

Duisternis. Mysterie. Het raadsel van de afkeer die sommigen koesteren, altijd weer ontwikkelde autochtonen (en ook David is een autochtoon), van deze gezegende hoop kalksteen, van dit tweede Eden…

Zaterdag 24 oktober

Vader David wordt niet benoemd, hoor ik van Duncan. Ik denk: Mozart, Trollope, racisme. Zou het kunnen dat deze zwart-witte David een culturele Jekyll en Hyde is, en als zodanig tragisch, onoplosbaar, giftig, zijn eigen vergif? David die neerploft in zijn favoriete leunstoel met het bloemetjesmotief, waar hij geniet van rode wijn, rococo en het victoriaanse Engeland, terwijl het zwaard van Isiorho, krijger voor sociale rechtvaardigheid, naast zijn regenscherm in de paraplubak staat?
De crisis van het westen… De westerse mens kan blaten of grappen maken naar hartenlust, die crisis is onoplosbaar zolang hij zichzelf niet meer begrijpt.

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.