fbpx


Literatuur

Pissen met Scruton

Dagboekaantekeningen (14)


pissijn

Nog steeds in Nederland (7 januari) Toen haar kist in de aarde zakte, mompelde ik ‘Lord, receive her in your Kingdom,’ dit in de hoop dat er een koninkrijk was natuurlijk (ook de meest verlichte geest zal begrijpen dat een republiek niks is voor de ziel). Vervolgens overwoog ik dit bij mezelf (mede omdat ik niet wist bij wie ik het anders moest overwegen): een crematorium is een humanitair Auschwitz. Misschien valt de betekenis van het christendom wel af te…

Plus artikel - gratis maandabonnement

U heeft een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U heeft reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement



Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Nog steeds in Nederland (7 januari)

Toen haar kist in de aarde zakte, mompelde ik ‘Lord, receive her in your Kingdom,’ dit in de hoop dat er een koninkrijk was natuurlijk (ook de meest verlichte geest zal begrijpen dat een republiek niks is voor de ziel).
Vervolgens overwoog ik dit bij mezelf (mede omdat ik niet wist bij wie ik het anders moest overwegen): een crematorium is een humanitair Auschwitz. Misschien valt de betekenis van het christendom wel af te leiden uit het feit dat niemand als toerist in Parijs of Rome of Krakau een toeristisch bezoek aan Aula Chrysant brengt – je gaat naar de kathedraal.

Donderdag

Ik leerde de familie Witte kennen in december 1961, toen ik als zevenjarig kind op expotitie ging in de besneeuwde tuin van de oeroude pastorie – om mij heen een laat-feodaal dorp met een paar honderd inwoners, een kasteelpark, heuvels met herinneringen aan koninklijke jachtpartijen (ook op de jongedochters), daarachter de Duitse grens; een paar broedende oorlogsinvaliden, onder wie de voormalige molenaar, verrot geslagen door de moffen; een winkeltje met glazen flessen vol snoep (ik heb ze langs mijn ouders om geërfd); herten die wegvluchtten toen ik mij in deze eerste eigen mythe liet verdwalen; uiteindelijk, ergens tussen verwilderde struiken, achter een hek, proportioneel te klein om de labyrintische pastorietuin af te sluiten, plotseling het gezicht van een ander kind…
Joost. Ook zeven. Nog altijd zijn wij bevriend.
Nu, in een ander leven, dat toch op al mijn vorige levens lijkt, bezoek ik samen met hem en zijn vrouw en zes gebakjes in een kartonnen doos Charles en Alie, beiden ruim in de negentig en asymmetrisch gedementeerd: zij heeft geen idee wie ik ben, hoewel ze mijn aura niet als bedreigend schijnt te ervaren (‘anders zou ze onrustig zijn’) ze glimlacht vriendelijk en knabbelt vergenoegd van de zoetigheid; maar Charles herinnert zich na een zetje (‘weet je wel, pa, vroeger in de pastorie’) mij weer wel, sputterend komt dat negen decennia omspannende geheugen op gang… Ja, de zoon van de dominee, van Willem, dat was een goeie dominee, al zette Charles dan ook geen voet in de kerk, maar Willem kwam wel op zondag voetbal kijken, want Charles had een televisie en Willem niet, mijn vader was een rare inconsequente man, God zegene zijn nagedachtenis.
‘Hoe lang wonen jullie hier nu, Charles?’
‘Sinds tweeënvijftig. We waren net getrouwd en de baron verkocht een stukje grond en wij mochten dit huis bouwen…’ De baron. De ouwe Van Pallandt, meneer Willy. De moderne tijd was vergeten hem en zijn dorp op te ruimen.
‘Hij reed met zo’n vooroorlogse Wolseley door het dorp.’
‘In een slakkengangetje.’
O zoete Saksische klinkers uit zijn mond.
‘De baron,’ zegt Charles, terwijl zijn oude wang tot iets van een glimlach verzakt. ‘Ik had ook met hem te maken op het voetbal. Hij was voorzitter van de club.’
Charles, net wegens een knieblessure als linksbuiten gepensioneerd, toen, in 1961.
‘Altijd gedoe met de buren. Over een duivenhok,’ zegt hij opeens. Het zit hem ergens in zijn tijdscontinuüm dwars.
De baron werd er door Charles bij gehaald en hij loste het conflict op door beide partijen berispend toe te spreken: hij was tenslotte de baron en zij waren de horigen, zonder dat iemand ooit die termen gebruikte, het dreef allemaal op spontane, ondoordachte atavismen.
Mijn vader behoorde op analoge wijze tot de ronde tafel; wij kregen een kerstboom van het kasteel en tevens een koppel door de edelman met behulp van een negentiende-eeuwse buks en een vaste hand geschoten fazanten, die door de jachtopziener bij ons in de gang werden gedeponeerd, wat mijn stadse moeder een damesachtig gilletje ontlokte (ik herinner me mijn verbazing over de gele vetranden en het eerste loden kogeltje, dat naar tandartsbezoek smaakte); op mijn verjaardag legde Van Pallandt een bezoekje af, ik kreeg maar liefst twee Prismapockets cadeau (‘dank u wel, meneer Willy’) – nu wil ik die herinnering ophalen, maar ik bedenk tijdig dat de verjaardag van Joost hiërarchisch werd genegeerd.
In een hoek van de woonkamer, op een klein tafeltje, een ingelijste foto van Anna, die een paar keer bij de Wittes gelogeerd heeft: ze was erg op hen gesteld en dat gold wederzijds.
We stappen op. Dag Alie. Dag Charles, jij broos monument van Saksische deugd en provinciaal fatsoen. Nu worden verdomme je ogen nat.
Buiten is het 2020. Naast het huis van de familie Witte leunt de pastorie nog altijd vierkant en geruststellend tegen de bosrand.

’s Avonds

Na mijn moeders dood, na Hermans dood, na mijn vaders dood, na Anna’s dood… Maar je markeert een grens alsof je een bol met een rechte poogt weer te geven: je leeft tijdens hun dood.

Zaterdag (weer in Engeland)

De aardsheid van het voetbal ontspant me. Christopher en zijn ploeggenoten verliezen, maar er is altijd de vergiffenis van de meegereisde fans, die blijven zingen dat ze van hun club houden. Kinderlijke liefde, religiositeit voor de eenvoudigen van geest. Na afloop van de wedstrijd, tijdens het pissen, tussen sjaals, mutsen, commentaren en geklater, moet ik denken aan wat een vriend me vertelde over zijn ervaring in de toiletten van FC Antwerp.
Pissende vent 1: ‘Die van ongs hee nie geire da kik noar den voetbal goan.’
Pissende vent 2: ‘Die van ongs mok d’r aaige waais da kik noar de hoeren zen.’

Zondag (weer ernstig)

De pest aan het herlezen. Camus als beschrijver van eeuwig weerkerende situaties. Ik schrijf met rode verf een paar citaten op mijn inwendige klaagmuur, zoals: ‘Er komt altijd weer een moment in de geschiedenis waarop degene die durft te zeggen dat twee plus twee vier is met de dood wordt bestraft.’

’s Avonds

Etentje bij Vivienne, helaas zonder Joy, die dit weekend in Brussel is gebleven. Ze woont een dorp verderop: mijn schilderende vriend Darryl geeft me een lift.
Opmerkelijk voedsel, geen veganisme (kauwen op een overtuiging), maar wel bijzondere gewassen, gemengd met erg subtiele plakken rosbief (die het voedsel eronder schemerrood kleuren). De contrasterende textuur van de kikkererwten, granaatappelzaden en hazelnoten is buitengewoon.
Het gezelschap even onorthodox gemengd als het voedsel. Kunstenaars. Twee transgenders. Een paar licht verkreukelde burgermevrouwen. Vivienne weet zich te omringen.
Mijn hoogbejaarde tafeldame blijkt de erevoorzitster van De Vrienden van Normandië. Onmiddellijk peilt ze naar het percentage Normandisch bloed in mijn aderen; ik houd het bescheiden op een halve pint of zo, onder verwijzing naar Barnard Castle in Durham, een referentie die mij zichtbaar in haar achting doet stijgen, want Bernard de Bailleul, later Lord Barnard, was een vazal van Willem de Veroveraar (hij en ik zijn meer evolutionair dan genealogisch verwant, ongeveer zoals een adelaar en een nachtegaal).
Vertrouwelijk buigt ze zich over mijn rosbief – ik verwacht een anekdote die erop neerkomt dat ze op een haar na een ontmoeting met de Veroveraar heeft gemist. Ze zegt: ‘U weet toch dat de Slag bij Hastings in 2016, ter gelegenheid van de 950ste verjaardag, door honderden acteurs is nagespeeld?’
En of ik dat weet. Nauwelijks hadden we ons in Brede gevestigd, of een heel Angelsaksisch leger verzamelde zich in Battle, vanuit ons dakraam kon je ze zien; van de andere kant trok een fors contingent Normandiërs op, en voorafgaande aan vele hectoliters ale werd er geestdriftig gesneuveld.
‘Iemand,’ zegt mijn tafeldame, ‘had in de hoofdstraat een reusachtig spandoek opgehangen met daarop de tekst NORMANS GO HOME!…’
Ik verslik me in mijn slok douce France van het lachen. Zij doet haar best ernstig te blijven, maar de fonkeling in je eigen ogen kun je niet doven.
‘Er was veel Franse pers, en sommige Franse journalisten waren boos. Of misschien bedroefd. Ze begrepen het niet.’
Stoelendans voor het dessert, in de betere kringen steevast pudding geheten, ook al betreft het ijs met slagroom. Ik beland tussen Darryl en Bly, de dochter van Vivienne. Van ons gesprek in de auto weet ik dat de omgang van Willem met Harold betrekkelijk zachtmoedig was in vergelijking met het gedrag van Bly jegens haar moeder – op haar dertiende van huis weggelopen, bij zigeuners terechtgekomen, hoer geworden (‘drugs en mannen als chocolaatjes’); ze heeft haar borsten laten vergroten tot ze eruitzag als een stripheldin (en dan niet Wiske); ze heeft zich op het monsterlijke af laten tatoeëren – die koning Harold bofte maar met niet meer dan één pijl in zijn oog – en nu houdt ze alleen van paarden. Naast deze Bly zit ik dus. Ze is heel vriendelijk. Ze kijkt naar Darryl en vervolgens naar mij.
‘Aren’t you guys a couple?’ vraagt ze erg luid. Ze klinkt alsof ze schuurpapier in plaats van ijs zit te eten. U moet weten dat een beetje gaydar* onklaar raakt als hij Darryl of mij ontwaart.
Het gezelschap zwijgt verward. De vanille bevriest. ‘Au!’ roept koning Harold.
‘Waarom denk je dat?’ zegt Darryl.
‘Oh, I thought you’re friends of my mum and you sound so posh…’
Bly! Je tieten, je tatoeages… ik had alles aan je kunnen kussen!

Afterthought

De Fransen baren ons hier nog altijd zorgen. Je weet nooit wat die achterbakse Galliërs willen, een sentiment dat pakkend wordt uitgedrukt door mijn favoriete boektitel: 1000 Years of Annoying the French van de historicus Stephen Clarke.
Ik weet niet of Clarke een Vertrekker is; in elk geval drukt die titel het gevoel van de Vertrekkers compact uit. Je kunt overigens best een Vertrekker zijn die van het vasteland houdt. Of een Blijver die er geen ruk van afweet. Alle combinaties zijn denkbaar.
Neem nu John Crook, die tegenover ons woont in een huis dat nog ouder is dan het onze. Hij is hoofd van de Archeologische Dienst van de kathedraal van Winchester; ook is hij vrijgezel, gourmand, francofiel – dit alles verstokt – en op innemende wijze knettergek. Zo vult hij bijvoorbeeld een website met verhalen over een anglicaanse marmot, die bevriend is met een islamitische egel. De gehele website is vanzelfsprekend in het Latijn. Je bent een product van het oude Oxford of niet. Als John de geest krijgt, ben je geneigd hem te bottelen – lege wijnflessen genoeg in zijn huis.
In elk geval is John de Blijver degene die mij op dat verrukkelijke boek van Clarke wees.

Maandag

In het krantje: ‘Harry en Meghan betrekken de Queen niet’.
De vorstin is dan ook geen paleis.
De bal bevond zich op tien centimeter van de doellijn; geen verdediger te bespeuren en de keeper lag ergens rond de rand van het strafschopgebied nog wat na te graaien – ja, wat u zegt, makkie, deze goal. Maar ik verwed er mijn Torinstinkt op dat de halve redactie van het krantje dit niet begrijpt.
Vergeet u grammatica en semantiek even. Het waarlijk demoraliserende van de dagbladpers is dat ik tot de heel weinigen in mijn generatie behoor die bang zijn zich te vergissen. Vandaar mijn eeuwige geweifel, waar u zo tureluurs van wordt. Maar in de kranten schrijven tallozen die als de dood zijn dat ze alleen komen te staan met een juiste (maar onwelgevallige) mening. Hun opluchting is het feit dat velen de door hen geleverde mening delen. Bijgevolg is de mening gepermitteerd.
Volgens mijn oudere broer, Søren geheten, zou de dagbladpers een uithangbord moeten hebben, zoals neringdoenden in vorige eeuwen – op zo’n bord zou moeten staan: ‘Hier worden mensen spotgoedkoop gedemoraliseerd, in de letterlijke zin van dat woord.’

13 januari

Gisteren is Roger Scruton overleden.
Ooit pisten wij samen.
Dat was in een Nijmeegs universiteitsgebouw, waar hij en ik moesten spreken. Vooraf tafelden we, vrouwen erbij, ontspannen sfeer, nog verbeterd door de eminente Bourgogne, waar hij veel over wist te vertellen; ik vond hem verstrooid maar vriendelijk; Joy en zijn vrouw kletsten erop los; het geheel was aangenaam seksistisch.
Voor wij het podium bestegen – altijd een schavot – verrichtten hij en ik de gebruikelijke rituele handelingen. Broek openwurmen. Jongeheer parallel richten. De bevrijdende straal; enfin, de mannen onder u zullen dit herkennen. Het is een goede plaats om over vrouwen te praten.
‘Roger,’ zei ik, ‘onze vrouwen konden het goed vinden samen, maar hoe heet jouw vrouw nu ook alweer?’
Vanuit een onpeilbare wijsgerige verte kwam het niet als grap bedoelde antwoord: ‘It’s either Sophie or Lucy.’
Later las ik hem (ik wist inmiddels dat zijn dochter Lucy heette). En ik herkende in zijn werk de opvatting dat een vrijblijvende horizontale solidariteit met de hele wereld zo wazig bleef als mist boven de velden, en dat ware menselijkheid een sociaal contract tussen de doden, de leven en de ongeborenen
inhield.
Maar een hele hoop beschaafde mensen neigen tot een vertoon van morele verhevenheid dat getuigt van hun onbekendheid met de menselijke aard.

Later

Het zou Roger niet hebben verbaasd: in een mij toegestuurde Engelstalige overeenkomst voor een optreden wordt naar ‘de artiest’, naar mij dus, verwezen als ‘it’. Bezittelijke vorm: ‘its’. Ik als de nieuwe mens, het kind van een bolsjewisme zonder utopie.
Hé, Roger, wat vind je? Is deze laatste uitwas van de Verlichting een goede zaak? Is die hele Verlichting eigenlijk wel een goede zaak?
Misschien is het nog wat vroeg om dat te bepalen.

Donderdag

Vorige week demonstreerden Schotse nationalisten voor Schotse onafhankelijkheid. Het niveau was lamentabel: op Facebook circuleerde een foto van een paardenvijg waarin een kaasprikker met een Union Jackje was neergezet; dat was het zo’n beetje. Het fundament van die Schotse fantasie is stront. En puur feitelijk gesproken is het alsof ze smeken om een touw om zich mee op te knopen, want ze handelen drie keer zoveel met Engeland als met de EU. Maar tegen de irrationaliteit van historische frustratie is geen statistiek opgewassen.
De Vlamingen hebben tenminste nog een taalstrijd, die voortbestaat als Franstalige minachting jegens het Nederlands versus een ongezonde Vlaamse voorkeur voor dialect – en de Catalanen hebben te maken met barbaarse meesters.
Voor de rest geldt Joseph Roth: God schiep eerst de nationalisten en vervolgens de apen, en dat was al een hele verbetering.

Drie uur ‘s nachts

Wakker geworden met deze gedachte: misschien zou Roth vandaag zeggen dat God eerst de globalisten schiep en vervolgens de provincialen.

Vier uur

En ten slotte de kosmopolieten, de ware tegenpool van de globalisten. Denkt u daar maar even over na, terwijl ik nog een potje schaak met Morpheus.

Zondag

Een Grieks vrouwtje zei tegen een Hollander dat het al een hele tijd mooi weer was, maar dat we niet konden weten wat we ‘nog achter de rug’ hadden. De Hollander vond dit vreemd. Ze legde uit dat je het verleden kent en dus ook voor je ziet, terwijl de onbekende toekomst, ruimtelijk voorgesteld, achter je ligt.

Maandag 20 januari

In De pest gaan de inwoners van Oran vanwege de quarantaine keer op keer naar dezelfde theatervoorstelling.
Camus schreef het boek als een allegorie van de Duitse bezetting en het gedrag van de bevolking.
Leven wij onder een bezetting, en zo ja, welke? Valt er in dat geval een analogie te bedenken tussen die theatervoorstelling en de hedendaagse kunst?

Dinsdag

Olga Tokarczuk, de Poolse Nobelwinnares, lakt haar nagels groen, zag ik op een foto, en dat beeld verpest haar oeuvre voor mij.
Iemand berispte mij om dit vooroordeel en zei dat ik irrationeel genoeg was om een personage als Janina Duszejko uit Drive Your Plow over the Bones of the Dead  te waarderen, een eenzame vrouw die van honden houdt, zich door de sterren laat leiden en dol is op de poëzie van William Blake (de titel is een citaat van hem).
Daar valt iets voor te zeggen, de astrologie daargelaten, die me verveelt (als de astrologie waarheid bevatte, zou ze me nog meer vervelen).
Ik koester elk van mijn vooroordelen als een bemind geesteskind, maar altijd in de hoop dat iemand met een overtuigend tegenargument komt, zodat ik het in mijn weeshuis voor afgedankte geesteskinderen kan stoppen. Ik zal dus zuchtend je boek bestellen, o Olga.

Woensdag

Al goed, ik leg het u uit: Meghan Markle incarneert het globalisme, de boven iedere provinciale en dus werkelijke werkelijkheid heen en weer vliegende elite van rijke mensen met chique meningen, die hun geen cent kosten, vervuld van minachting voor het heikneuterdom met zijn gehechtheid aan zijn provincie, aan een taal die het waagt van het Engels af te wijken, aan zijn eigen ouders, die domme ouderwetse mensen met hun achterlijke opvattingen, die Meghan maar een verwend meisje vinden dat klaagt over het gewicht van de diamanten die ze moet dragen.
Kosmopolieten daarentegen zijn provincialen die belangstelling en begrip hebben voor andere provincies, die met de hunne een zekere verwantschap vertonen (wat moet je in China als je geen Chinees kent: het is niet decodeerbaar).

Donderdag

‘Degenen die niet aangestoken waren wikkelden zich in de lakens van de pestlijders om zeker te zijn van hun dood,’ zegt de pater in De pest over een vroegere plaag die hij zich kan herinneren.
Wie wikkelt zich in welke lakens tegenwoordig?
_______

* Een soort inwendige radar waarmee je snel homoseksuelen weet te herkennen (nvdr)

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.