fbpx


Cultuur

Poolse reis

Dagboekaantekeningen (68)


Polen

Woensdag 11 mei We zijn in Krakau, Joy en ik, in het fotogenieke, smerige Krakau, waar ik in 2011 ook ben geweest – net als in mijn dagboek zijn hier elf jaar verstreken. Krakau. Hol van Pluto, wachtkamer van Belzec, gat in de geschiedenis, waar de riolering uitstekend werkt en transplantaties van Europees wegdek zijn uitgevoerd; waar het pleisterwerk smaakvol is hersteld (want de Polen zijn even goed in bezetten als in bezet worden) en waar Joy en ik op…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Woensdag 11 mei

We zijn in Krakau, Joy en ik, in het fotogenieke, smerige Krakau, waar ik in 2011 ook ben geweest – net als in mijn dagboek zijn hier elf jaar verstreken.
Krakau.
Hol van Pluto, wachtkamer van Belzec, gat in de geschiedenis, waar de riolering uitstekend werkt en transplantaties van Europees wegdek zijn uitgevoerd; waar het pleisterwerk smaakvol is hersteld (want de Polen zijn even goed in bezetten als in bezet worden) en waar Joy en ik op de enige overgebleven Joodse binnenplaats een kamer hebben gehuurd.
Deze wijk heet Kazimierz en is op de rand van het cataclysme gefotografeerd door Roman Vishniac: in zijn wereldberoemde fotoboek A Vanished World staat ook onze binnenplaats afgebeeld, een compositie in grauw licht van sneeuw en zwarte jassen; een van de jassen beklimt de trap naar de overdekte galerij waar tien, twaalf deuren toegang bieden tot de kamers van een motel avant-la-lettre, een Joodse herberg. Het is 1937.
Nu logeren wij achter een van die deuren. Het is ongewoon warm voor mei. We zijn moe van het reizen. Onze trap – lees ik in mijn gids – speelt een kleine rol in Schindler’s List, een film vol geschiedvervalsing die het toerisme helaas sterk heeft bevorderd. Aan de voet van de trap drommen schaapskudden samen rond de paraplu van hun herder; elders op de binnenplaats is een terras uitgestald, waar vrolijke mensen de holocaust wegdrinken. En al die plakkerige banaliteit wekt de indruk dat het zwart-wit van binnenplaats, herberg en trap is overgeschilderd.

Later (op bed)

Alweer op reis dus… Nee, ik ben geen toerist, wat denkt u wel.

’s Avonds

De serveerster heeft een dikke blonde vlecht en beveelt varkensvlees in koolblad met knoedels aan. Het klinkt weerzinwekkend maar is in elk geval eerlijker dan het zogenaamd kosjere eten in restaurants die gewiekste nazaten van het antisemitische Polendom uitbaten. Daar zitten we dan, een keurig echtpaar, de een koude bietensoep lepelend (die overigens heel smakelijk is), de ander wachtend op haar spleethoevige vlees en af en toe, dromerig, misschien gewoon moe, haar lepel in mijn soep onderdompelend.
Ik vraag het meisje met de vlecht naar de vluchtelingen. ‘O, er zijn er veel,’ zegt ze. ‘Misschien wel evenveel als de stad inwoners telt. In de keuken heeft mijn baas een Oekraïense vrouw een baantje gegeven, ook al hadden we eigenlijk niemand nodig.’ De vlecht danst tijdens haar monoloog op haar schouder.
‘Wat heb jij toch met serveersters?’ vraagt Joy. ‘Je zit altijd te flirten.’
‘Serveersters kunnen niet weglopen, maar je kunt ze ook niet aanraken. Dat is een definitie van de eeuwige begeerte.’
Ze grijnst naar me; het vet druipt van haar kin. We schransen. We betalen. Nadat ik een gulle fooi op het geblokte tafelkleed heb gelegd, knip ik de vlecht af en stop die in mijn broekzak.

Donderdag

We wandelen naar het treinstation: vandaag en morgen is het de beurt aan Warschau, waar Christopher een conferentie over de toekomstige Europese energievoorziening bijwoont. Onderweg zien we veel Oekraïense vlaggen en bordjes in cyrillisch schrift. Het nieuwe station – naast het Habsburgse gebouw vanwaar ik elf jaar geleden naar het bekoorlijke Lemberg ben vertrokken – verschuilt zich achter een monsterlijk winkelcentrum, waar zinloze spullen blinken en alle Polen er als Duitsers uitzien. Maar de oude vrouw met het hoofddoekje van mijn moeder om haar pieken, die bij de ingang broodjes met maanzaad verkoopt, maakt een wrevelig wegwerpgebaar naar mijn Engels… O moedertje, hoezeer waardeer ik je onwil mee te gaan met de tijd!
Het geraas van de trein, waarvan de raampjes open zijn geschoven, maakt dat we met de blonde conducteur geen overeenstemming weten te bereiken over de bestemming van onze reis; uiteindelijk drukt hij geërgerd twee kaartjes af: over drie uur zullen we de hoofdstad bereiken. Hij heeft een typisch Slavisch gezicht, de conducteur, alsof Spielberg hem voor een rol als collaborateur heeft gecast, met een eigenaardige geometrie, een hoekigheid die wellicht door de consumptie van knoedels is veroorzaakt.
Heuvels schieten voorbij, vervolgens de Poolse laagvlakte, op een cadans van berken en sparren. Ik lees over Polen, Krakau, het lot van de Joodse mens, voor wie datzelfde Polendom in 1946 nog een speciale pogrom heeft georganiseerd, om het af te leren als het ware – in Kielce, 42 doden, 50 zwaargewonden. Die hel brak los bij het zoveelste bloedsprookje over ritueel geslachte christelijke kinderen. Ik wist het en weet het nu opnieuw en span me geweldig in om het volgende blonde, hoekige hoofd met deegkleurige huid niet te verafschuwen.

Later (in het Sofitel)

Nog voor we hem hebben kunnen omhelzen, zit Christopher een panel over olie, gas, Rusland, kernenergie en dergelijke meer voor. Ons vlees en bloed ‘zit voor’… Door een raadselachtige winding in zijn verstand heeft hij aanleg voor dat soort dingen en wordt hij (als strateeg van zijn milieuorganisatie) overal gevraagd. Hij zit voor in pak en stropdas. Ik kijk naar de zachtmoedigheid van zijn moeder, de wilskracht van zijn vader, en hoor hem in zijn Engels van de Oostkust dingen zeggen die zijn ouders nooit zouden kunnen bedenken.
We mogen aanschuiven bij het diner. Maryan Zablotskyy, parlementslid uit Kiev, spreekt tussen de somptueuze hoofdschotel en de decadente pudding: ‘We will win the war because slaves will never beat free people.’

Vrijdag 13 mei

Op de laptop van Joy geef ik toe aan mijn nieuwsgierigheid en lees mijn mails. Vrienden schrijven me eergisteren dat Jeroen Brouwers dood is. Knack vraagt of ik een necrologie wil schrijven, wat ik wil maar nu niet kan, in ons hotelletje in Warschau, en wanneer ik thuis ben is de dode Jeroen geen nieuws meer.
Ik slenter met Joy en Christopher door de oude stad (de reconstructie van de oude stad). Mijn necrologie van vandaag bestaat erin dat ik Christopher over Jeroen vertel. Hij was mijn tweede leermeester, zeg ik. ‘Je grootvader was mijn eerste. Maar ze zeiden allebei uiteindelijk hetzelfde, schrijven was leuk voor amateurs en zwoegen voor schrijvers.’
‘Jullie hadden toch ruzie?’
Mensen als hij en ik hebben geen ruzie, die hebben een brouille. Vulgo: hij was boos omdat ik brieven van hem aan het literatuurmuseum had geschonken.
Dood. Jeroen. Het verleden wordt meer en meer buitenland.

Lunch

Szopska sałatka met zachte kaas: dat Bulgaarse gerecht tref je overal in het voormalige communistische Europa aan. De salade begeleidt de entrecote als een kamerdienaar. Het pretentieuze vlees kost 33 złoty per 100 gram en op de rekening weegt het 620 gram, zodat ik een euro of veertig kwijt ben voor een biefstuk van het gebruikelijk formaat, want het bot is meegewogen. Ik weiger te betalen. Geruzie met de ober, vervolgens met de eigenaar. We betalen ten slotte de helft en begeven ons, begeleid door Poolse onwelvoeglijkheden, naar de uitgang.

Later

We hebben het getto bezocht, of beter gezegd de met historisch-materialistisch beton volgeflikkerde ruimte waar God vroeger ademde en zijn Joden altijd één mening meer hadden dan hun gezelschap leden telde. We hebben de enige niet verwoeste synagoge bezocht. De laatste nog bestaande vooroorlogse woonkazerne gezien. Er valt niets over te zeggen. Er valt een bibliotheek over te schrijven die al geschreven is.
We hebben het getto bezocht en zitten op een terras een beschaamd glas te drinken. We praten over de Semitische neus van de christelijke cultuur. De vrucht van mijn lendenen zegt: ‘Weet je waarom Jezus met zijn vinger in het zand schrijft? Omdat zijn vader de Tien Geboden in steen schreef. Wat je in de aarde schrijft kun je uitwissen en veranderen.’
Ziehier de geboorte van de interpretatie: Jezus die zijn eigen uitleg kon deleten. Verbazingwekkende gedachte. Eén Jood, twee meningen. De avond begint te vallen en de gedachte rijst als een ster naar de bleke hemel.
‘Je verbaast me.’
‘Het komt uit Stille omgang.’
Stille omgang is het theologische magnum opus van mijn vader.

‘Lees je dat dan?’
‘Het is mijn metafysische conversatie met bompa.’

Zaterdag

In een gebouw met stalinistische fresco’s dwalen mijn tijdgenoten achter hun schermpje aan door het Muzeum Życia w PRL – het museum van het dagelijks leven in de Poolse Volksrepubliek.
Je kunt er in een Fiat Polski gaan zitten, een conservenblik voor vier sardienen. Er staat een marxistische telefooncel: het kon gebeuren dat je afluisteraar hoestte of snoof, dat er een spontane solidarność tussen de afgeluisterde en de afluisteraar ontstond en de afgeluisterde de afluisteraar in het griepseizoen medisch advies gaf.
Christopher blijkt nooit van Lech Walesa en de scheepswerf in Gdansk te hebben gehoord; net als andere jeugdige bezoekers kijkt hij met geamuseerde verbazing naar mijn concrete herinneringen – nog niet geheiligd tot antiek doen de voorwerpen van een halve eeuw geleden vreemder aan dan het wandtapijt uit de zestiende eeuw of de voetstoof in mijn vaders kerk, waarin de oude demente dame probeerde weg te kruipen, met veel gestommel tijdens de preek. In de nagebouwde staatsflat domineren het bruin en oranje dat ook in het westen populariteit genoot; de sprei op de slaapbank is door oma op het platteland gehaakt; de droefgeestige televisie spuit de leugens van de staat; de boekenplanken hangen scheef van de getolereerde en verboden literatuur, samen met seks de enige mogelijkheid voor innere Emigration… en nu wordt alles donker en ziften mijn ogen uit dat donker de omtrekken van voorwerpen in de pastorie in Rozendaal, waar mijn zus op een verwante grammofoon in haar kamer 45-toeren-plaatjes draait, waar in de bijkeuken een vergelijkbare wringer staat (maar uit een voornamere tak van de familie Wringer): mijn moeder draait het natte wasgoed door de twee rollen, met dezelfde soepele beweging van haar dunne pols waarmee ze op zaterdagavond de stencilmachine van de kerk bedient, bewonderenswaardig onvermoeibaar.
‘Ik was hier al voor 1989,’ zeg ik tegen de blondine aan de ingang. ‘Niet hier maar in Praag en Oost-Berlijn. Niet uit sympathie voor het communisme, maar…’
‘Oh thank you.’
‘Jammer dat u geen gidsje met foto’s verkoopt.’
‘Oh thank you,’ zegt de blondine.

In de trein terug naar Krakau

In mijn functie van bovengrondse-ondergrondse schrijver noteer ik – mijn boekje rust op het raamtafeltje, mijn achterwerk rust op blauw trijp – dat er tientallen bepakte en bezakte Oekraïeners aan boord zijn. In onze ouderwetse coupé zit een onaantrekkelijk meisje met een dikke kat schuin tegenover mij. Naast haar, recht tegenover mij, zit een onaantrekkelijke jongeman met een lichtbruin baardje. Ze passen goed bij elkaar, maar omdat ze beiden onaantrekkelijk zijn, ontstaat er tussen hen geen aantrekkingskracht. Het meisje streelt haar kat. De jongeman trekt een eindeloze sliert snot uit zijn neus en rolt die plechtstatig tot een almaar imposantere bal op. Joy valt tegen mijn schouder in slaap en begint te snurken. Het onaantrekkelijke meisje lacht luid. Joy schiet wakker en verontschuldigt zich. De Poolse laagvlakte trekt voorbij. De onaantrekkelijke jongeman opent het raampje en vuurt zijn snotbal op de Poolse laagvlakte af.

Zondag

We slenteren door de Planty, het park met de groene houten bankjes onder de paardenkastanjes, dat iedereens voetstap vertraagt en een 1900 schept van bedaagde burgermensen, met mij in de rol van een gepensioneerde professor Duitse letteren of zoiets, terwijl Joy het huishouden bestiert en het daghitje en de kokkin humaan onder de duim houdt… Het park slingert als een gordel rond de middeleeuwse binnenstad, vroeger verrezen hier de muren die Krakau moesten beschermen; we slenteren en ik snuif het merkwaardige aroma van de kastanjebloesem op – ‘Wist je,’ zeg ik tegen mijn echtgenote, ‘dat de kastanjebloesem volgens de markies de Sade naar sperma ruikt?’
‘Wat een onzin,’ zegt Frau Professor. ‘Het klinkt gewoon als iets dat leuk is om te zeggen…’ Inderdaad, liefje, zo kun je de literatuur definiëren en op haar plaats zetten. We slenteren verder.
Maar nu gebeurt er iets. Jongens trappen een voetbal de lucht in, die landt, stuitert en dan naar mijn rechtervoet rolt; de kuitspieren in mijn broekspijpen spannen zich, musculaire herinneringen schieten in gang, en tot verbazing van de jongens begin ik te jongleren met hun bal, hun wereldbol…

’s Avonds

Op het zoveelste terras raken we in gesprek met een Oekraïense vrouw, die in 2015 hier haar geluk heeft gezocht, getrouwd is met die vriendelijk knikkende man, een tussen de tafeltjes door dansend dochtertje heeft gekregen – en die oudere heer is haar vader, hij is in de eerste week van de oorlog uit Marioepol gevlucht: van Marioepol naar Krakau was vijf dagen rijden. Hij is scheikundig ingenieur en spreekt uitstekend Engels. Ja, hij werkte voor de Azovstalfabriek, iedereen in Marioepol werkte voor dat immense staalbedrijf.
Ik haal bier en betaal – haast gewelddadig, want deze Oekraïeners zijn trots. We klinken. We voeren een gesprek van Europeanen onder elkaar. De ingenieur heet Viktor. Ons gesprek is even onmogelijk om te reconstrueren als een ballet of een beschieting – het heeft iets van beide, dat klinken, dat Russen vervloeken, dat zeggen wat je zegt als je toevallig met buitenlanders aan de praat raakt, in de smoezelige tussensfeer van twee kortstondig door elkaar geklutste huishoudens, alleen is het allemaal krankzinnig verhevigd door de oorlog; en de verheviging wordt nog verhevigd door het gedrag van Viktor, die drinkt, die in stilzwijgen  vervalt…
‘Denk je dat je ooit nog terug kunt, Viktor?’ vraagt Joy.
Viktor komt weer te voorschijn uit zijn glas: onder het kortgeknipte grijze haar zou die geciseleerde kop ook zonder oorlog wel melancholiek zijn. ‘Terug?’ zegt hij. ‘Mijn flat is verwoest. Mijn huis bestaat niet meer.’
Bij het afscheid omhelzen we elkaar; het slotkoor van de 9de symfonie weerklinkt; het is 2022.

Maandag

Onze gids heet Gosia en we huren onze kamer van haar, die ze zelf weer huurt van de stad. De stad beheert tientallen huizen waarvan de eigenaars zijn vermoord, er kan altijd nog een erfgenaam opduiken. Gosia komt uit Nowy Targ. Voor de oorlog waren zes op de tien Nowy Targers Joods, maar ze heeft op school nooit iets gehoord over een Joodse aanwezigheid. Haar naoorlogse ouders schaamden zich, alleen haar grootmoeder schetste wel eens een straatbeeld van vroeger, mannen met slaaplokken en jaspanden als de dekschilden van kevers. Dat gat in de stad dreef haar, die zelf niet Joods is, naar Studiuj Judaistykę aan de universiteit.
Ze weet alles van Kazimierz, ze is onze Vergilius in deze uitgedoofde hel.
De 65.000 Joden zijn verdwenen; een deel werd al vroeg ‘verplaatst’ naar andere delen van Polen, de rest vergast. Er waren subtiele administratieve redenen om dat vergassen in Belzec te doen en niet in Auschwitz, dat veel dichter bij de stad lag. Auschwitz kun je per bus bezoeken. Je kunt Auschwitz per bus bezoeken voor een paar tientjes.
Hierover moet ik verder zwijgen.
Je kunt ook de fabriek van Oskar Schindler bezoeken, daarvoor heb je zelfs geen bus nodig, die fabriek ligt in een buitenwijk. ‘Ik beveel het niet aan,’ zegt Gosia. ‘Te veel eer voor die opportunist. In de fabriek is echt niks te zien.’
Synagoge in, synagoge uit – keppeltje op, keppeltje af.
Gosia geeft peripatetisch onderricht en ik krabbel mijn steno in mijn boekje – nu, een paar uur later, maak ik er een uitgeschreven versie van, op een tafeltje in het geactualiseerde 1937 van de binnenplaats.
De zeven synagogen en de meeste huizen zijn bewaard gebleven, maar waarom zijn ze bewaard gebleven? Dat is onduidelijk, misschien waren er verfijnde culturele zielen bij de top van de SS, die net als in Praag een museum van een verdwenen volk wilden stichten, of de verwoesting van al die oude huizen barbaars vonden.
Gosia blijft staan bij een deurpost en wijst op de verdwenen mezoezah, de afdruk van een mezoezah, die hier ooit geïncrusteerd was, uit het hout is gepulkt als een fossiel, weggegooid door een katholiek, meegenomen door de bewoners bij hun verdwijnen. Ik probeer mezelf uit te leggen waarom deze afwezigheid van 8 x 2 cm, te midden van de pulserende werkelijkheid, mijn gemoed meer  beroert dan zeven complete synagogen (ik heb het antwoord gecursiveerd).
‘Hoeveel Joden wonen er nu in Krakau?’
‘Een paar honderd religieuze, maar het correcte antwoord luidt dat niemand er een idee van heeft. In dat vaderland van mij zijn er bij een pogrom na de oorlog nog Joden vermoord. En onder de communisten was Jood-zijn ook een slecht idee. Er zijn in 1968 vanwege de Zesdaagse Oorlog twintigduizend Joden het land uitgezet, vooral intellectuelen… Poolse kinderen bezochten Auschwitz en leerden dat daar Polen waren vermoord, het woord Joden werd niet gebruikt… En nu is Krakau en omgeving een soort Joods Jurassic Park… En ik werk daaraan mee.’
‘Wij ook.’
‘Ja, maar jullie gaan niet naar Auschwitz of de fabriek.’
‘En het antisemitisme nu?’
‘De geografie maakt de geschiedenis anders voor ons. Veel Joodse intellectuelen pretenderen een Joodse oudtante te hebben ontdekt, heel aandoenlijk. Onze regering is sowieso afschuwelijk. Maar links lijdt dan weer aan die domme haat tegen Israël.’
Het Holocausttoerisme als intern toerisme. De ruimtelijke nabijheid van de geschiedenis.
Ik heb het genoteerd, Gosia.

’s Avonds

In een door haar aanbevolen volks restaurant lepelen we barszcz alsof het bloed is.

Dinsdag

Weer thuis.
Bij de mails een hartelijk bericht van Gwennie, de weduwe van Jeroen. Tegenover menigeen had hij verklaard dat ‘als Benno hier binnenstapte, alles in vijf minuten weer goed was’.
Waarom bel je nu niet even om dat uit te leggen, Jeroen? Ik spring alsnog in de auto, ik vaar alsnog naar je toe over het water dat ons scheidt.

Bitterzoete opluchting.

Donderdag

Zoals gezegd heeft Gary’s broer Philip twintig jaar in Moskou gewoond. Nu kampeert hij op de bovenverdieping van het grote huis van Gary en Duncan: zijn raam aan de tuinkant offreert hem een vredig pastoraal uitzicht op de vallei van de Brede. Hij zoekt werk – in Rusland doceerde hij Engels. Hij belt dagelijks met zijn vrouw, die door een dochter en een verlopen paspoort in het tsarenrijk wordt vastgehouden.
Philip en ik kletsen regelmatig, bijvoorbeeld over de wijze waarop het Russische bewustzijn wordt misvormd. Vandaag vertelt hij over een krantenbericht: de bewakers van de controleposten rondom Zelensky’s verblijfplaats vragen om paswoorden, die elke dag veranderen. Vaak is zo’n woord nonsens, aaneengeregen klanken die geen Rus kan uitspreken, zoals ‘koffiekopaanbidder’.
Het fenomeen heet sjibbolet: zie het boek Richteren, twaalfde hoofdstuk.

Vrijdag

Mijn psa-waarden zijn voorlopig gestabiliseerd, zo blijkt uit mijn jongste bloedonderzoek. Ik dank het laboratorium. Maar gisteren heb ik weer een oude vriend verloren, Terry Verbiest.
Je bent jong en betekent niets – juist in die betekenisloosheid schuilt de grootste blijdschap. Daarna ‘word je iemand’ en ontsnapt de levensvreugde als een gevangene uit je borstkas. De dode om wie ik onverminderd tranen stort was jong; met haar stierf de levensvreugde.

Zaterdag 21 mei

Om zes uur vanavond haal ik Peter op in Gatwick.

 

 

 

 

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.