Buitenland

Pot en scherf

Mongolië, da’s altijd een beetje thuiskomen. Ik hou van dat land, zijn leiders en zijn geschiedenis. Dat land. Wie van de luchthaven Buyant Ukhaa de Dzjenghis Chan (naar DDR-gewoonte in het Duits geschreven) verlaat op weg naar de hoofdstad Ulaanbaatar (Oeljan Bator in meer Sovjetvriendelijke tijden) rijdt door de volslagen leegte. Geen steppe, geen bergen, geen bomen. Maar wel onder een triomfboog door. Heerlijk land, prachtig zelfs, niets te zien. Zijn geschiedenis behoeft geen krans. De wereldbefaamde hordes hebben Europa mores geleerd, China op de knieën gekregen, de halve wereld bestierd. En dat voor joggerteters met wat biefstukken die onder het zadel werden beurs gereden – als ze al niet wepel te paard zaten. Zijn leiders waren ook al niet minnetjes. Van Dzjenghis Chan tot Roman van Ungern-Sternberg, de witte en kompleet krankjorume generaal die in 1920 het Groot-Mongoolse Rijk herschiep naar lamaistische tradities, van Soeche Bator Damdin (wiens stalinistische ruiterstandbeeld nu prijkt op de grote markt, het Süchbaatarplein)  tot mijn vriend Hannibal, eertijds fijnbesnord ambassadeur in Brussel, nu hoofd van de informatiediensten bij buitenlandse zaken, er valt wat te zeggen om zo’n land tot in zijn verzenen te bestuderen.

Mongolië, dat is uitdagen. Dat is een blinde vlek op de landkaarten van voor de oorlog, die in mijn klaslokaal van het derde leerjaar hingen, invullen, aanvoelen, uitzoeken en ruiken. Het wezen van de journalistiek. Mongolië heeft me geleerd dat in de grootste wreedheid de grootste verdraagzaamheid heerste. Dat in de grootste onwetendheid de grootste nieuwsgierigheid kon gedijen. Dat in de barbaarse bloedwraakkultuur de meest fijnbesnaarde openheid kon heersen.

Mongolië is het embleem van de ware journalistiek. Niet de platvloersheid van de zelfcensuur, die in commerciële én openbare nieuwsgaring tot zedenspreuk is verheven. Niet de geveinsde begrijpelijkheid die tot norm is opgewaardeerd – al is het mij tot vandaag een raadsel wat de wielerliefhebber aanmoet met erythropoëtine (gemeenzaam epo geheten) of de Europeaan met het subsidiariteitsbeginsel of de Wetstrater met de gemeenschappelijke gemeenschapskommissie. De Mongool maakt zich daar niet druk om. Ik evenmin. Ik maak mij druk om geknor over het gebruik van het woordje ‘appelig’, dat “te moeilijk” wordt bevonden (omdat men de moeite niet doet de Fabeltjeskrant te bekijken), om de kritiek dat Nive te ver van ons bed ligt (maar wel één volle stem in het VN-kapittel heeft om de verdragen van Kyoto te ratiiceren), om de journalistieke goegemeente die vindt dat het al ruimschoots volstaat te weten wat zich in de onmiddellijke leefomgeving voordoet (ongevallen, misdaden, bedrijfsoplichting, mond- en klauwzeer, en het schaap met vijf poten), want “dat is wat het volk vraagt”.

Ik geef het toe: ik lees een boek. Ik geef nog meer toe: ik bel iemand op die in den vreemde verblijf houdt. Ik zal het uiterste toegeven: ik reis omdat ik wil weten, zien, begrijpen wat zich elders afspeelt. Omdat ik honger heb naar wat zich achter de eerstvolgende hoek bevindt. Omdat ik nooit zou weten wat bosbranden betekenen als ik zelf niet door de brandende bush was gereden bij nacht en ontij tussen Sydney en Melbourne. Omdat ik niet zou weten wat haat en onbegrip is als ik geen kapotgeschoten kerken of verkoolde tankbemanningen had gesnoven in Vukovar. Omdat ik geen begrip zou hebben van sociaal wanbeleid als ik geen das van Dungannon zou dragen en in de bled Gerry Adams had ontmoet. Omdat ik de eenzaamheid van Noorse stenen niet zou gevoeld hebben, de braaklust niet bedwongen na het doorslikken van de Svið og sviðasulta der Ijslandvaarders (schaapskop met hersenpudding) in Reykjavik, de schijnheiligheid van kerk en moskee niet doorgrond zou hebben zonder les te geven aan Iraanse revolutionaire wachten, Saoedische vliegtuigtripjes te hebben meegemaakt met sloten whisky, of niet geleefd te hebben “midden de” Afrikaanse volkskerk (en volkenmoorden).

Journalisten hebben twee dingen nodig: onstelpbare dwarsliggerij (zeker tegenover bazen die altijd dienstvaardig zijn) én onuitroeibare betweterigheid. Wie dat niet heeft, blijft beter bij zijn leest (of die van zijn buurvrouw). Een nieuwe gesel gods zou welgekomen zijn. Eén die persvrijheid boven kortzichtigheid stelt. Die vrije spraak boven horigheid stelt. Die ontleding in plaats van meningen bevordert. Er zou geen proces meer zijn over het kontneuken van het Spaanse koningskoppel in El Jueves (“U gaat langs Af en ontvangt 2.500 €”).  Over de hond Mohammad in Nerikes Allehanda. Over al even slechte cartoons in Jyllands Posten. Over ayatollah-bashing in Hara-Kiri. Over de madonna met boerka van Luke Sullivan.

Wie de slechte smaak van het woord knevelt, is de grondbereider van het fascisme. Geen volksjury, maar schervengerecht. Liever één hoongelach in de VN, dan twintig alkoholvrije recepties in aanwezigheid van Achmadinejad. Liever één schunnigheid op de toiletdeur, dan de pradaschoentjes van Benediktus de Ratzinger. Ik hou van Mongolië. En ik hou van Nive. Suriname. De Zuidpool. Waziristan. De Beekse Bergen. Omdat ze alle om de hoek liggen. Ik hou niet van Iran, Trump, de koning, Gazprom, de Chinese triades (behalve in De Onnoembaren). Omdat ze de hoekloze wereld vormen.

 

 Foto: (c) Reporters

Lukas de Vos

steun doorbraak

Wil u graag meer lezen van Lukas de Vos?

Doorbraak is een onafhankelijk medium zonder subsidies. We kunnen dit enkel doen dankzij uw financiële steun. Uw steun geeft onze auteurs de motivatie om meer en regelmatiger te schrijven. Steun ons met een kleine bijdrage of word vandaag nog Vriend van Doorbaak.

Ik help Doorbraak groeien.

Dit artikel delen of afdrukken




Commentaren en reacties


Kijk vooraf even op onze Spelregels en technische problemen
Reacties - klik hier

Voeg een reactie toe

https-doorbraak-be

Lees ook

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans