Robbe De Hert: a.m.p.

Robbe De Hert: rode linkse rakker, man van het volk, ‘rebel with a cause’, ‘enfant terrible’ met een hart van goud.

‘Waarom staat er op de generiek a.m.p. achter je naam?’, vroeg ik jaren geleden aan Robbe. ‘Als cameramensen A.S.C. en B.S.C. (American/ British Society of Cinematographers) achter hun naam mogen zetten, waarom zou ik er dan niet a.m.p. mogen achterplaatsen, schat?’

Arm maar proper

En daar moest ik het maar mee doen. Dat het de afkorting was van ‘arm maar proper’ heeft hij mij pas veel later verteld. Hij vond dat filmrecensenten maar hun werk moesten doen en beter geïnformeerd hoorden te zijn. Ongeveer hetzelfde maakte ik mee met Spike Lee, toen ook nog in het pre-gsm-tijdperk. Tijdens een interview vroeg ik Lee waarom zijn productiemaatschappij vermeld op de generiek zo’n vreemde naam had: 40 aren en een muilezel. Bijzonder onvriendelijk verweet hij mij dat ik de historiek achter de naam ‘Forty Acres and a Mule’ wel eens op voorhand had mogen opzoeken. Die verwees immers naar de nooit ingeloste belofte dat zwarten die tijdens de burgeroorlog meevochten met het noorden, een stuk land en een muilezel zouden krijgen. Een erg politiek geladen naam dus, zoals ‘arm maar proper’, die Robbes levenslange links-socialistische overtuiging weerspiegelt. Robbe: rode linkse rakker, man van het volk, ‘rebel with a cause’, ‘enfant terrible’ met een hart van goud.

Selfmade

Tarantino gaat er prat op alles geleerd te hebben van de films uit zijn videotheek. ‘Ik ging niet naar de filmschool, ik ging naar de film’, geldt zeker ook voor de Robbe. ‘Mijn film- en regieopleiding heeft net een kwartiertje geduurd: de tijd om de werking van mijn eerste camera uit te leggen.’ Minder dus dan bij Orson Welles, maar toch voldoende om sociaal geëngageerde films te maken: de kortfilm De bom (1969) met Louis Paul Boon in de hoofdrol, De Dood van een sandwichman (1971) Camera Sutra (1973) en Le filet américain (1981).

Een rode Witte

Robbes doorbraak kwam er met De Witte van Sichem (1980). ‘Een Witte gezocht’, zo stond het in alle kranten. Het was de vijftienjarige, donkerblonde Eric Clerckx die 40 jaar geleden Vlaanderens bekendste wittekop na Jommeke werd. Dat was ook het begin van mijn vriendschap met Robbe. Eric Clerckx studeerde toen aan het Heilig-Hartcollege in Heusden en ik was zijn leraar Engels en Media. De dagen dat hij niet op de set zat, kwam Eric vertellen over zijn filmervaringen. Vooral over Robbe, ‘die ruwe bolster met het peperkoeken hart die een socialistische stempel had gedrukt op onze beroemdste schelmenroman’.

Via het tijdschrift Film en Televisie (nu Filmmagie) waarvoor ik schreef, kwam er een setbezoek, waar ik samen met Eric, Robbe kon interviewen. Robbe zelf noemde het later ‘the beginning of a beautiful friendship’, het einde van Casablanca citerend.

Film, film en nog eens film

Als er zoiets bestaat als filmvriendschap, dan was het dat tussen ons beiden. En die beleefden we in de cinema, bij mij thuis in Hasselt of bij hem in Antwerpen. Dat laatste werd altijd moeilijker: op elke stoel, zetel en kast lag wel een boek, een tijdschrift of een dvd. Zitten kon je pas als je een plekje kon vrijmaken in die chaos. Bij mij thuis was er dan toch wat minder wanorde en kon hij zelfs met zijn kruk zwaaien als hij enthousiast was over een film. Daarbij moest wel mijn duurste luster sneuvelen.

Hij sliep dan in de living met de tv de ganse nacht aan: ook half slapend ademde hij film. Gaandeweg ontdekten we dat we wel wat gemeen hadden. Onze jeugd in Mortsel en onze buurtbioscoop Odeon, de talrijke cinema’s in ’t stad, vooral de kinderbioscoop Cineac waar ook ik dikwijls werd lastiggevallen door oudere heren die ‘probeerden mijn zakgeld te stelen’.

Pseudo-diabeet

Meestal gingen we naar UGC Antwerpen, hij als suikerzieke met een ganse zak snoep. Ik als pseudo-diabeet, die niet mocht flauw doen en maar moest  mee snoepen, want mijn waarden waren niets in vergelijking met de zijne, over de 300. Hij zou ze wel wegspuiten.

Niet erg verstandig maar wel gezellig, temeer daar iedereen Robbe kende en achteraf over de film wilde discussiëren. Niet dadelijk, want de film moest eerst wat doordringen en met een Cola Light worden doorgespoeld.

Wat ik mij vooral herinner is ons meningsverschil over Lars von Triers Breaking the Waves (1996). ‘Een meesterwerk? Ben je nu volledig gek om die Deense idioot geniaal te vinden? Hij laat een bekwame cameraman als Robby Müller  filmen alsof hij strontzat is?’ Ook Harry Kümel dacht er zo over.

De luis in mijn pels

Na Trouble In Paradise (1981) en het bijzonder sterke Maria Danneels of Het leven dat we droomden (1982) draaide hij het kassucces Zware jongens (1984). Toen ik over de film schreef dat die meer leek op een lange reclamespot voor Danone, noemde hij mij ‘de luis in zijn pels’. Hij had nog zo zijn best gedaan om de sponsering van Danone in het verhaal te verwerken. Gingen de filmcritici soms voor de centen zorgen? Product placement was onvermijdelijk als zelfs een kaskraker als De Witte geen winst had gemaakt.

Robbes carrière lijkt wel een gigantisch gevecht om geld. Het idee om Pieter Daens van Louis Paul Boon te verfilmen, mislukt en gaat naar Stijn Coninx. Met zijn semi-autobiografische films Blueberry Hill (1989) en Brylcream Boulevard (1995) was hij echter helemaal terug. Volgden nog Elixir d’Anvers (1997) en Gaston’s War (1997).

Lijmen/Het Been

Kwam Louis Paul Boons Daens er niet voor Robbe, Willem Elsschots Lijmen/Het Been (2000) werd wel zeer vakkundig geadapteerd. Zijn jarenlange relatie met Ida Dequeecker, kleindochter van Willem Elsschot, zal daar wel een rol in gespeeld hebben. Het is Ida die deze laatste weken de benedenverdieping van haar huis had vrijgemaakt om Robbe daar te laten sterven. Daar heb ik enkele dagen geleden nog afscheid van hem kunnen nemen. Zij maakte er mij op attent dat je bepaalde uitspraken van Robbe met een korrel zout moest nemen. Of zijn bewering dat Lindsay Anderson hem ooit de hoofdrol had aangeboden in diens Gouden Palmwinnaar if… nog voor Malcolm McDowell die rol kreeg, is maar de vraag.

Eigenlijk wist ik dat van toen ik een zeer uitgebreid Lijmendossier schreef voor Film en Televisie nummer 506, november 2000. In plaats van te helpen, bracht hij me dikwijls op een dwaalspoor om te testen of ik het oeuvre van Elsschot wel degelijk grondig gelezen had. Mijn dossier werd goedgekeurd door het Willem Elsschot Genootschap en toen ik vroeg wat hij zelf ervan vond, antwoordde hij: ‘Gaai denkt toch niet dat ik al dat intellectueel geleuter ga lezen.’

Samen met Frank Van Passel die Villa des roses in 2002 had geadapteerd gaven we overal lezingen over Elsschotverfilmingen: Frank, de ordelijke; Robbe, de chaoot en ik de interviewer. En het was altijd Robbe die de meeste aandacht kreeg. Met onder meer zijn vaste scenarioschrijver Fernand Auwera gaven we een scenario-filmweekend in Dommelhof. Robbes gouden raad: leer eerst de roddels van de filmwereld kennen door William Goldmans Which lie did I tell  te lezen!

Dan toch intellectueel

Mijn Shakespeare-lezingen volgde hij graag maar hij kwam altijd tot dezelfde conclusie: ‘Hoe onnatuurlijk staan die grote acteurs daar toch die karamelverzen te debiteren. James Mason als Brutus en Laurence Olivier als Hamlet staan er maar bescheten bij.’ Tot ik hem confronteerde met een vergelijking tussen Shakespeares toneel en de cinema. Het werd zijn lievelingstekst die hij in een Nederlandse vertaling als inleiding gebruikte voor Het drinkend hert in het nauw, het vervolg op Het Drinkend Hert Bij Zonsondergang.

‘Een filmstudio vandaag kan je best vergelijken met een Elizabethaans paleis uit de 16de eeuw. In een filmstudio nu zie je wat Shakespeare toen zag: de absolute macht van de tiran, de hovelingen, de vleiers, de narren en de listige, ambitieuze intriganten. Er zijn ook ongelooflijk mooie vrouwen en onbekwame gunstelingen. En dan zijn er echt grote mannen die plots in ongenade vallen. Er is een waanzinnige spilzucht enerzijds en een totaal onverwachte krenterigheid anderzijds. Er is een enorme uiterlijke pracht en praal, in de grond niet meer dan schijn, en een afschuwelijke viezigheid verborgen achter de schermen. Er worden grootse plannen gesmeed maar die worden dan gedumpt voor een of andere gril.’ (uit Christopher Isherwoods Prater Violet)

In ongenade

Voelde Robbe zich als één van die echt grote mannen die plots in ongenade waren gevallen? Zijn cowboyfilm over de laatste dagen van Jezus Christus heeft hij nooit kunnen realiseren. Dankzij crowdfunding en een financiële injectie van Cultuurminister Gatz kon hij zijn persoonlijke kijk op de Vlaamse film Hollywood aan de Schelde gelukkig wel afwerken. Maar toen hij merkte dat de jonge meisjes aan het loket van UGC niet meer wisten dat voor hen de peetvader van de Vlaamse film stond, was hij toch wel erg teleurgesteld.

Nu hij zijn legendarische handdoek definitief in de ring heeft gegooid, zal ook die generatie jongeren ontdekken dat het meer dan de moeite waard is om Robbe en zijn films  te leren kennen.

Karel Deburchgrave :Karel Deburchgrave is filmrecensent en voorzitter van het filmtijdschrift Filmmagie (vroeger Film en Televisie). Hij is filmdocent in diverse filmmusea en cultuurcentra in Vlaanderen en Nederland. Hij studeerde Germaanse filologie (UFSIA en KU Leuven) en is Fulbright alumnus van de Universiteit in Minneapolis-St. Paul.