Buitenland, Politiek
Koerden

Strijd voor de eigen identiteit

Eresenator Hugo Van Rompaey stelde onlangs zijn elfde boek over de Koerdische kwestie voor.

Hugo Van Rompaey, gewezen CVP-politicus, kant zich in zijn boekDe Koerden willen vrede langs politiek overleg, tegen de bestempeling van de Koerdische nationalisten als terroristen. Ook voor wie het hier niet mee eens zou zijn, is het boek een aanrader als filosofisch onderzoek naar de grondslagen van nationalisme en geweld om een politiek doel te bereiken. Ondergetekende hield bij de voorstelling volgende inleiding:

‘Hozan Canê, een Duitse zangeres van Koerdische afkomst, trad in de aanloop van de Turkse verkiezingen van juni 2018 op bij een verkiezingsmanifestatie van de pro-Koerdische partij HDP. Enkele dagen later werd ze op beschuldiging van terrorisme gearresteerd. Op 14 november 2018 veroordeelde de Turkse rechter haar tot zes jaar gevangenisstraf. Selahattin Demirtaş, de covoorzitter van de HDP, zit al anderhalf jaar in de gevangenis. Hij moet in vrijheid worden gesteld, oordeelde het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op 20 november 2018. De Turkse president Recep Tayyip Erdoğan legde de uitspraak naast zich neer.

Onderdrukking

Wie zich opwindt over de manier waarop Demirtaş en Canê behandeld worden, en over hoe de HDP geviseerd wordt, dat is Hugo Van Rompaey. Hij staat achter het streven van de democratische Koerdische beweging naar vrede en een oplossing voor de Koerdische kwestie langs politieke weg. Vandaag stelt Van Rompaey zijn elfde boek over de Koerdische kwestie voor, de vrucht van 14 jaar doctoraal onderzoek. De eresenator heeft niet alleen boeken geschreven, maar ook geschiedenis.

Dat deed hij in maart 1991 toen hij als christendemocratisch politicus in de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers het voorstel van resolutie betreffende de onderdrukking van de Koerden in Turkije indiende. Dat leverde hem heel wat verwensingen en scheldwoorden op vanwege – uiteraard vooral anonieme – briefschrijvers met een Turkse achtergrond. Het toont aan hoe moeilijk datgene te realiseren valt wat Hugo Van Rompaey in zijn boek over de Koerdische kwestie beschrijft, namelijk ‘vrede langs politiek overleg’. Wie de Koerdische kwestie aankaart, wordt onmiddellijk in het verdomhoekje van het terrorisme weggezet.

Wat dat in de praktijk betekent: daarvan kunnen Demirtaş en Canê meespreken en met hen tientallen verkozen burgemeesters en parlementsleden van de HDP en talloze journalisten en gewone burgers. Dat ergert Van Rompaey en dat is al heel zijn leven lang de reden om naar eigen zeggen ‘wetenschappelijk sereen, maar diepgaand en indringend (te) onderzoeken wat er met de Koerden in Turkije werkelijk aan de hand is’.

Volksnationalisten

In al zijn werken, en in het bijzonder ook in het voorliggende boek, onderstreept Hugo Van Rompaey telkens weer de vrijheidsdrang van de Koerden. Nationalisme wordt vandaag de dag in de westerse wereld afgedaan als iets verwerpelijks , maar de auteur wijst er op dat het bij de Koerden om bevrijdingsnationalisme gaat. De bevrijdingsstrijd die de Koerden voeren komt voort uit het verlangen naar zelfstandigheid of onafhankelijkheid. Dat maakt hen tot volksnationalisten die de eigenheid van hun cultuur willen behouden zien, in tegenstelling tot staatsnationalisten die hun demografisch dominerende cultuur van overheidswege willen opleggen aan andere religieuze of taalkundig verschillende groepen.

Wat voor de enen bevrijdingsstrijd is, is voor de anderen terrorisme. We zien dat antagonisme, die tegenstelling in opvattingen, duidelijk weerspiegeld in de persoon van Abdullah Öcalan: voor vele Koerden is hij een vrijheidsstrijder, voor de Turken een terrorist. De grote vraag waarover Van Rompaey zich buigt, is dan ook: waar ligt de grens tussen vrijheidsstrijd en terrorisme? Hij haalt de Britse terrorisme-expert Paul Wilkinson aan voor wie terrorisme kort samengevat het volgende betekent: het wil angst aanjagen, spaart daarbij onschuldige burgers niet, beoogt een ruimer doel, en wil vooral via een uitzonderlijke daad van geweld het politieke gedrag van regeringen en sociale groepen beïnvloeden.

Wilkinson verwerpt uiteraard zoals elke weldenkende mens terrorisme, maar vindt wel dat de ‘rule of law’ de reactie van de staat op het terrorisme moet aansturen. De Ierse terrorisme-experte Louise Richardson stelt dat ‘de kritische factor bij terrorisme het treffen (is) van onschuldige slachtoffers om een boodschap te brengen aan een andere partij’.

Identiteit

Wat betekenen deze stellingen voor de kijk van Hugo Van Rompaey op de strijd tussen de Turkse staat en de Koerdische nationalisten? Hier is de auteur heel duidelijk, zoals het volgende citaat uit zijn boek aantoont: ‘De Koerden hebben zich precies onthouden van de gekende terroristische technieken (als daar zijn): het onverwacht toeslaan, het treffen van onschuldige slachtoffers om aan anderen de boodschap te brengen, het optreden ten overstaan van ongewapenden, het toebrengen van zinloze schade.’ Hebben de Koerdische nationalisten dan geen geweld gebruikt? Toch wel, zegt Van Rompaey, maar ‘de beperkte aanslagen in Turkije en in de diaspora waren gericht tegen de hun bekende, gewapende vijanden, het Turkse leger en zijn collaborateurs, de dorpswachters (….)’. Het geweld was volgens Van Rompaey een reactie op de ‘negatie en vernietiging’ van de Koerdische identiteit.

Niet iedereen zal deze opvatting delen. Het is daarom ook een interessante gedachtesprong om bij de bekende Duitse filosofe Hannah Arendt (1905-1976) na te lezen wat zij vond van het gebruik van geweld om een politiek doel te bereiken – ook dit zoals reeds aangestipt een kenmerk van terrorisme. Vanuit haar ervaring als joodse die vervolgd werd door de nationaalsocialisten zei ze altijd: ‘Wer als Jude angegriffen wird, muss sich als Jude wehren’ (wie als jood wordt aangevallen, moet zich als jood weren). Dat lijkt Van Rompaey in zijn stellingname te bevestigen.

Maar er is ook nog een andere kant aan het verhaal aan Hannah Arendt. Zo veroordeelde ze de aanslagen die de Joodse ondergrondbeweging ‘Irgut’ onder Menahim Begin kort na de Tweede Wereldoorlog pleegde tegen Britse personen en inrichtingen (de Britten bestuurden Palestina als mandaatgebied van 1922 tot 1948) als het werk van onverantwoordelijk handelende ‘Sprengstoff-Spießer’ (vrij vertaald: benepen figuren die springstof gebruiken).

Ethisch nationalisme

Wat er ook van zij, geweld en bloedvergieten zijn altijd af te keuren. Dat moeten ook de Koerdische nationalisten beseffen, en vandaar ook dat ze vaak voorstelden om de wapens neer te leggen, zoals Hugo Van Rompaey aanduidt onder verwijzing naar de vredesvoorstellen van Öcalan (Rome, 5 december 1998). De auteur stelt dat de Koerden een ‘ethisch nationalisme’ aanhangen. Hij brengt hiermee een nieuw begrip binnen in het debat rond nationalisme.

Ethisch zou het nationalisme van de Koerden genoemd kunnen worden omdat het zijn eigen cultuur en identiteit wil behouden zonder zich superieur te voelen tegenover andere, en omdat het zich verzet tegen onderdrukking en assimilatie. Het komt volgens Van Rompaey voort uit wat de Belgische moraalfilosoof Roger Burggraeve een ‘negatieve contrastervaring’ noemt, een verontwaardiging over feitelijke toestanden waardoor een gevoel ontstaat van ‘het gaat echt niet meer’.

Vredesproces

Hugo Van Rompaey analyseert al deze vraagstukken – identiteit, geweld, terrorisme – door te rade te gaan bij heel wat filosofen en theologen. De oorzaak van het geweld ziet hij in de weigering van de Turkse staat om de Koerdische cultuur in haar eigenheid te aanvaarden en ruimte tot ontplooiing te geven. Bovendien legt de Turkse staat volgens Hugo Van Rompaey de aanbeveling van Wilkinson naast zich neer, namelijk dat bij de bestrijding van geweld van de tegenstander, in casu de Koerdische nationalisten, de ingeschakelde middelen in overeenstemming moeten blijven met de grondregels van de democratie. Turkse machthebbers wenden het begrip terrorisme zeer elastisch aan, zelfs tegen Turkse academici die in een petitie pleiten voor een dialoog met de Koerdische beweging, of tegen Turkse journalisten die een reportage maken over de Koerdische kwestie.

In plaats van na te denken over vrede en naar een vredesproces toe te werken, zoals dat in Noord-Ierland is gebeurd, escaleert het geweld en gaat het gepaard met wat Wilkinson een militaire overreactie noemt. Ooit riep de Turkse president doelend op de Koerdische nationalisten: ‘Ze zullen verzuipen in hun eigen bloed’. Maar zovele jaren later blijft het bloed onophoudelijk vloeien. De tegenstander terrorist noemen paait misschien de eigen morele superioriteit, maar leidt niet tot een oplossing. Tenzij men zich aan de illusie overgeeft dat de totale vernietiging van het Koerdische nationalisme mogelijk zou zijn. Het zou beter zijn, mocht er in plaats van bloed meer inkt vloeien in Turkije, inkt voor een staatkundig bestel met meer democratie en culturele autonomie, inkt voor wetten die een niet-militaire en dus vreedzame oplossing mogelijk moeten maken voor de Koerdische kwestie.’

Dirk Rochtus

steun doorbraak

Wil u graag meer lezen van Dirk Rochtus?

Doorbraak is een onafhankelijk medium zonder subsidies. We kunnen dit enkel doen dankzij uw financiële steun. Uw steun geeft onze auteurs de motivatie om meer en regelmatiger te schrijven. Steun ons met een kleine bijdrage of word vandaag nog Vriend van Doorbraak.

Ik help Doorbraak groeien.

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans