Economie

Successierechten en vermogensongelijkheid: heroverweging nodig

Zoeken naar rechtvaardige wetgeving


successierechten

Het blijft een lastige. Mensen werken, consumeren, sparen en investeren. En aan iedere uitgang staat de belastingdienst te wachten. Dat hetzelfde inkomen door meerdere belastingheffingen wordt getroffen, is ondertussen gebruikelijk geworden. Dat kan een combinatie zijn van inkomstenbelasting en BTW of accijnzen of enig andere denkbare combinatie. Maar als het gaat over de combinatie van een van deze belastingen met successierechten, dan lijkt het altijd zwaar te vallen.

Nadat Magere Hein met de zeis voorbij kwam, belt de belastingdienst ook nog een keer aan met haar graftaks. Voor veel mensen is dat niet te verkroppen. Dat wordt als onrechtvaardig ervaren. Politiek heeft zich dat vertaald in een dalende druk van de successierechten ook al heeft de nieuwe Vlaamse regering de gedane belofte inzake de afschaffing van de successierechten tussen partners niet verzilverd in het recente regeerakkoord.

Rechtvaardigheid versus vermogensongelijkheid

Aan de andere zijde is er het maatschappelijk gegeven dat steeds meer vermogensongelijkheid in de maatschappij terug te leiden is tot intergenerationeel verworven vermogen en alle mogelijkheden die dat vermogen biedt. Er wordt dus wel eens gesteld dat een deel van de oplossing inzake vermogensongelijkheid bestaat uit het optrekken van de tarieven van de erfenisheffing.

Dus aan de ene zijde de ervaren onrechtvaardigheid van heffing bij overlijden, anderzijds de maatschappelijke problematiek van groeiende vermogensongelijkheid. Dat is een flinke spagaat. Deels is dat te verklaren doordat de meeste mensen de graftaks bekijken vanuit het oogpunt van de overlater en niet vanuit de ontvanger(s) (die de heffing uiteindelijk verschuldigd zijn).

Veel onderzoek gebeurde er de laatste jaren niet naar de relatie tussen erfenissen en de invloed daarvan op de stijgende vermogensongelijkheid. We hebben wel het boek van Thomas Piketty Kapitaal in de 21 ste eeuw  van enkele jaren geleden, dat meer in algemene zin de slechte relatie aantoont tussen kapitalistische vermogensaccumulatie en de beoogde meritocratie van onze westerse maatschappijen. Buiten het feit dat er flink wat gaten in zijn onderzoek zijn geschoten, toont hij ons ook niet echt een ‘smoking gun’.

Recent probeerden twee uitgeweken Franse economen het in de VS opnieuw in hun boek met de enigszins tendentieuze titel De overwinning van de onrechtvaardigheid. Senator Elizabeth Warren, een van de presidentskandidaten voor de democraten, heeft haar karretje gehangen aan hun spinsels. Dat heeft haar in eerste instantie wat winst in de peilingen opgeleverd, maar die voorsprong diende ze recent toch weer terug te geven.

Te vaak worden oprechte wetenschappelijke bevindingen lam geslagen door ze om te vormen tot ideologisch bruikbare wapens. Verstandiger was geweest dat Warren een onderscheid had gemaakt tussen verdiend (waarvoor je moet werken) en onverdiend vermogen (dat kwam aanwaaien voor de ontvanger) in haar belastingvoorstel. Nu gezinnen steeds kleiner worden (en vermogen dus minder van nature distribueert in de maatschappij) is inkomensmobiliteit meer een kwestie van goed geboren worden dan je eigen talenten ontplooien en verzilveren.

Erfenissen en vermogensongelijkheid

Het was dan ook een verademing dat het Centraal Planbureau (CPB) vorige week met een eigen analyse kwam van het effect van erfenissen op vermogensongelijkheid. Ook al ben ik zelf van mening dat zijn bevindingen niet het volledige probleem afdekken. Eerst even de conclusies van het CPB: het gaat hier enkel over schenkingen en erfenissen waarover belastingaangifte is gedaan.

Daarmee streep je in België al heel wat weg gelet op de ruime toepassingsmogelijkheden van hand- en bankgift en de bredere schenkingsfaciliteit bij leven. Ook laten we even buiten beschouwing dat een voldoende groot familievermogen internationale vermogensplanning mogelijk maakt via stichtingen en truststructuren (zoals de familie Frère recent). We negeren verder de effectieve belastingdruk op deze schenkingen en erfenissen even daar de Nederlandse wet op dat gebied te veel afwijkt van de Belgische om een directe vergelijking echt zinvol te maken.

Het Centraal Planbureau concludeert evenwel: ‘Ontvangers van erfenissen en schenkingen zijn relatief rijker dan leeftijdsgenoten die niets ontvangen. Desondanks hebben erfenissen en schenkingen tussen 2007 en 2015 niet geleid tot een toename van de vermogensongelijkheid. Dit komt doordat huishoudens die een grote schenking geven, gemiddeld ouder en meer vermogend zijn dan de ontvangers, zodat vermogen verschuift naar de minder vermogende generatie. Een andere oorzaak is dat huishoudens met lage of negatieve vermogens weliswaar minder schenkingen en erfenissen ontvangen, maar deze zijn in verhouding tot hun oorspronkelijke vermogen hoger dan bij huishoudens met meer vermogen. Vermogensongelijkheid wordt deels doorgegeven naar volgende generaties, maar na verloop van tijd verspreidt het vermogen zich over de nakomelingen.’

Theoretisch kan ik die redenering volgen, maar in praktische termen is deze conclusie er een in relatieve termen en niet in absolute. Terwijl net daar het probleem zit. En er is nog meer pijn.

Relatieve versus absolute vermogensongelijkheid

Het CPB concludeerde dus dat ontvangers van erfenissen rijker zijn dan hun leeftijdsgenoten die niets ontvangen. Helder. Maar dat leidde niet tot vermogensongelijkheid omdat ‘huishoudens die een grote schenking geven, gemiddeld ouder en meer vermogend zijn dan de ontvangers, zodat vermogen verschuift naar de minder vermogende generatie’. Ja, dat klopt, van rijker naar minder rijk in de bloedlijn.

Maar men zegt niets over de impact van deze ontvangers versus hun leeftijdsgenoten die niet van deze welvaart kunnen genieten. Daar speelt toch echt wel de ovarian lottery waarvan Warren Buffett al lang geleden melding maakte. Maar daar houdt het niet op. Het CPB vervolgt met de gedachte dat de huishoudens met lage of negatieve vermogens weliswaar minder ontvangen via schenkingen erfenissen, maar dat deze in verhouding tot hun oorspronkelijke vermogenspositie een grotere impact hebben. Ook hier weer een relatieve vergelijking.

Vermogende ouders geven meer door aan hun (in vergelijking met hun eigen positie) minder vermogende kinderen, en minder welvarende ouders geven minder door aan hun minder begunstigde kinderen, maar dat heeft toch een opwaarts effect op de vermogenspositie van die laatste categorie kinderen. Begrijpen wie begrijpen kan en hoe dit beleidsmatig bruikbaar is.

Het is uiteindelijk niet de relatieve vermogensongelijkheid die telt, maar wel de absolute. Het is namelijk die ongelijkheid die bepaalt in welke mate meritocratie kan spelen, herverdeling zinvol is en in welke mate gelijke kansen niet leiden tot dezelfde of identieke uitkomsten aan de eindstreep. Een duidelijk gemiste kans in de analyse van het CPB.

Bedrijfsopvolging

Een van de grote probleempunten die het CPB aankaart, en waar België in dezelfde situatie verkeert, betreft de faciliteit van de bedrijfsopvolging en haar gevolgen. In het kort: bedrijfsopvolging is fiscaal mogelijk, onder voorwaarden, tegen een gereduceerd tarief van drie procent, ongeacht de hoogte van de waarde van het overgedragen bedrijf. Dit geldt trouwens parallel voor de successierechten alsmede voor de schenkingsrechten.

Even ter vergelijking. Ervan uitgaande dat de vererving plaatsvindt in de rechte lijn betaalt iemand die dezelfde waarde overdraagt in een andere vorm dan als bedrijf 3% tot 50.000 euro, 9% vanaf 50.000 euro en 27% vanaf 250.000 euro. Ik zwijg even over de ‘dodelijke’ tarieven buiten de bloedlijn. Een zalvende gedachte is evenwel dat de gemiddelde erfenis in België ‘maar’ rond de 130.000 euro ligt, en roerend en onroerend vermogen wordt gesplitst, en je dus tweemaal ‘geniet’ van de lagere tarieven. Dat gemiddelde erfvermogen verbergt wel een redelijke hoeveelheid variatie, zo bleek vorig jaar.

Consequentie is wel dat een roerend vermogen van 130.000 euro ongeveer 8.700 euro aan erfrechten mag aftikken en een bedrijfsoverlating van 130.000 euro ‘slechts’ 3.900 euro. U kan uitrekenen wat dat betekent als het een bedrijf of vermogen van twee, vijf of tien miljoen euro betreft. Een extreme asymmetrie. Niettemin was deze faciliteit niet bedoeld dit soort van gevolgen te hebben en al helemaal niet op zo’n brede schaal en zonder een plafond qua bedrijfswaardering.

Deze regeling was bedoeld om te vermijden dat de volgende generatie diende te gaan lenen om de overname van het familiebedrijf successietechnisch af te dekken, of dat er activa dienden verkocht te worden om de successierechten te betalen. Die bedenking maakt men zich in Nederland ook, waar men een zelfde bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) kent. Daar concludeerde het CPB dat de gemiddelde Nederlandse erfenis 12% successierechten onderging. De erfenissen met een BOR regeling slechts 1,1%. Ook in de dood is dus niet iedereen gelijk. En dat terwijl de meeste familiebedrijven makkelijk de normale tarieven zouden kunnen betalen, puur op basis van de liquiditeiten aanwezig op de balans.

Wetstechniek werkt onrechtvaardigheid en vermogensongelijkheid in de hand

Ondanks het feit dat de causale relatie tussen vermogensongelijkheid en de beperkte functionaliteit van de beoogde meritocratie nog steeds niet echt aangetoond is, maar hier eerder slechts circumstantial evidence voor bestaat, speelt hier een andere en zo mogelijk zelfs problematischer dynamiek. De wetstechniek van de successiewetgeving dreigt, in haar uitwerking, vermogensongelijkheid uit te lokken.

Die vermogensongelijkheid staat nog los van het puur juridische gelijkheidsprincipe. Er is mij geen Belgische jurisprudentie bekend op dit punt, maar de Hoge Raad (Cassatie) in Nederland oordeelde in 2013 reeds dat het geen inbreuk zag op het gelijkheidsbeginsel tussen gewone burgers en ondernemers binnen het kader van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit.

Dit bewijst enkel dat rechtspraak vaak niet in staat is de werkelijke achterliggende kwestie helder te krijgen. Tuurlijk is er geen schending van het gelijkheidsprincipe, want conform de voorwaarden heeft iedereen toegang tot de bedrijfsfaciliteit. De Hoge Raad zag verder evenwel ook geen inbreuk op het gelijkheidsprincipe omdat er geen disproportionaliteit werd gezien in het bevoordelen van de overgang van bedrijven bij overlijden (vergeleken met ander vermogens), zeker daar familiebedrijven als motor van onze economie worden gezien. Dat is een maatschappelijke weging waarvoor politieke evaluatie nodig is, geen rechtspraak.

Doden hebben geen rechten

We zijn dan misschien niet ‘gelijk in de dood’, maar doden hebben geen rechten en zeker geen eigendomsrechten. Die laatsten zijn toch de ultieme wetsfictie. De juridische overgang van activa via de bloedlijn bij overlijden is dat ook. Als je daar het juridische gelijkheidsprincipe op loslaat, zal je waarschijnlijk tot een andere conclusie komen dan de Hoge Raad.

Een scheefgetrokken meritocratie berokkent maatschappelijk meer schade op lange termijn dan een iets duurdere bedrijfsovergang bij overlijden. Zeker als je weet dat 70% in de tweede generatie en 90% in de derde generatie het familiebedrijf toch om zeep helpt. De vrijstelling kan dus zeker niet vanuit een efficiëntie-standpunt verdedigd worden.

Misschien dat het voorstel van filosoof en econoom John Stuart Mill van destijds wat richting kan geven aan de discussie: geef een vrijstelling aan de voet, ‘een bedrag groot genoeg om iemand te helpen, maar niet genoeg om hem te ontslaan van inspanning’ (totaal schenking(en) + erfenis), en daarna mag er flink afgeroomd worden, als een vorm van ‘hangtaks’. Ontheffing in het leven is beter dan vrijstelling in de dood.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Ik word vriend van Doorbraak.

Luc Nijs

Luc Nijs is de bestuursvoorzitter en CEO van investeringsmaatschappij The Talitha Group en doceerde o.a. ‘Internationale kapitaalmarkten’ en ‘Bedrijfsfinanciering en -waardering’ aan de universiteiten van Leiden, Riga en Madrid. Hij is de auteur van een reeks boeken inzake internationale financiën, kapitaalmarkten, schaduwbankieren en aanverwante onderwerpen.