fbpx


Cultuur
Benno Barnard

Teerbeminde burchtheer

Dagboekaantekeningen (56)



Zondag 3 oktober Sinds de dag waarop de verhuiswagen met de Britse nummerplaat mijn boekendozen, papieren, bureau, erfstukken en de rest van mijn genealogie oplaadde – 10 december 2015 – ben ik aan het verhuizen. Op die dag belandde ik in dit verrukkelijke plattelandshuis, dit zeventiende-eeuwse Knossos van baksteen, balken, raadsels, levens waarvan de laatste zucht gesmoord is in de immateriële materie van gestolde geschiedenis; en het monster dat de doolhof bewaakt is een ingemetselde kat (ook het verstorven gejuich…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Zondag 3 oktober

Sinds de dag waarop de verhuiswagen met de Britse nummerplaat mijn boekendozen, papieren, bureau, erfstukken en de rest van mijn genealogie oplaadde – 10 december 2015 – ben ik aan het verhuizen. Op die dag belandde ik in dit verrukkelijke plattelandshuis, dit zeventiende-eeuwse Knossos van baksteen, balken, raadsels, levens waarvan de laatste zucht gesmoord is in de immateriële materie van gestolde geschiedenis; en het monster dat de doolhof bewaakt is een ingemetselde kat (ook het verstorven gejuich van de muizen is een afvalproduct van de tijd).
Haast zes jaar later staan nog altijd twee kamers vol met dozen, die niet zozeer energie van me verlangen als wel moed, want ik weet niet in welk kleverig spinnenweb van ruw ontwaakte emoties ik mijn hand steek… Vandaag stuit ik op brieven van mijn vader, notariële documenten betreffende de verkoop van het huis van mijn ouders, drommen grijze geesten van voorgeslacht op kromgetrokken foto’s, plakkerige draden, dode pissebedden, gruis, stof, en een pagina uit het Geïllustreerd Volksblad voor Nederland d.d. 25 april 1912 (dat is tien dagen na de botsing van onze technologische hybris met een ijsberg), die bewaard is gebleven – in de fossiele vorm die krantenpapier na een eeuw bereikt, een brosse, schilferige bruine mummie van tekst – omdat mijn grootvader een annonce had geplaatst:

Het geregeld oordeelkundig rei-
nigen maakt Uw haar zacht en
gemakkelijk te bewerken. 

 H. BARNARD, Kapper,
Van-Speijkstraat 144. Rotterdam.
Aparte
Salon voor Dameskappen
en hoofdwasschen à 50 cents.
Vlechten, Krulstukjes enz., ook
van uitgevallen haren.

Het reliek steekt – na uren schudden op landwegen en een woelig zee – uit een boekje dat ik jaren kwijt ben geweest. Het heet Lieder, wat geen Duits is maar Jiddisch; je spelt het zo: ליךער, en de computer tikt die letters tot mijn jongensachtige opwinding automatisch achterstevoren…

Maandag

Jiddisch.
In die geplaagde taal schreef de dichter Aleksandar Biedermann, de laatste Jiddische dichter van Odessa, die zijn werk in eigen beheer uitgaf en zich elke ochtend voor de scheerspiegel de nodige moed insprak om de sirenenzang van de zionistische aliyah te weerstaan – iemand moest achterblijven in die schitterende stad, waar de platte keien van het antediluviale wegdek met de bloedkorsten van de communistische revolutie en de nodige pogroms aan elkaar zijn gekit…
Ik was er in augustus 1995, blijkt uit de opdracht voorin (wat achterin is): ‘Benno Barnard von dem Autor dieses Buches mit Freundschaft, Odessa August 1995,’ gevolgd door een handtekening in het cyrillisch. De bibliografische gegevens zijn in het Russisch: twee alfabetten sluiten mij buiten, het boekje – zo dun alsof het honger heeft – is daar en ik ben hier, in de wereld der gojim, een wederzijdse duisternis.
Aleksandar schoor zich overigens slecht. Nu ik zijn foto op de achterflap zie (die dus het omslag is), herinner ik me hoe hij tegenover me zat in een Russisch restaurant, bij een raam dat uitzag op een straat overhuifd door een plafond van platanen die naar elkaars kroon aan de overkant tastten: een forse donkere man, op wiens wangen de schaduw van een beginnende baard bezig was te ontstaan; zijn ribfluwelen pak hield een droefgeestigheid bijeen die mijn romantiek op hem projecteerde, maar die omgekeerd ook op een erfelijke semitische emanatie leek.
We spraken over gedichten schrijven in een taal die haast niemand in zijn stad nog kon lezen. Hij stuurde zijn bundeltjes naar Israël, waar de intelligentsia de taal van het getto minachtte. Maar hij wilde niet weg, hij wilde de laatste bewoner van een imaginaire Joodse wijk zijn; die boekjes stuurde hij als zijn verkenners achterwaarts vooruit. Hij klonk onvoorstelbaar treurig.
Schrijf je nog, Aleksandar? Verkeer je nog onder ons, zuurstofverbruikers? Je slakkenspoor glinstert in het licht dat een Russische maan gedienstig uitgiet over een fantasmagorische sjtetl, maar ik vind je kwadraten niet terug op het web waarin wij allemaal met elkaar verbonden heten te zijn…


Dinsdag

Een tijdschrift peilt naar de invloed van mijn vader op mijn werk.
Een annonce uit 1912, een Hebreeuwse bibliotheek van paradoxen uit het jaar honderd en vele eeuwen daarvoor, de gedichten die hij voorlas, teksten van hemzelf – maar meer het besef dat een mens ook schriftelijk moest bestaan dan enige specifieke stijl. Mijn gedichten lijken niet op de zijne – hoewel ik vele ervan bewonder – en mijn proza heeft niets weg van het zijn proza. Theologie en liturgie interesseren me wel, maar ik draag helaas niets aan deze vakgebieden bij.
Herinneringen tuimelen over elkaar – een aardverschuiving vaagt de wereld onder mijn voeten weg en ik hervind mijn evenwicht op de magische patronen in het diepe rood van Voor-Azië die de vloer van zijn studeerkamer in de pastorie bedekt; overal liggen papieren en verrijzen stapeltjes boeken; ik zie zijn broekspijpen in de poort van zijn bureau, waarachter zijn modernistische stoel kraakt op de zware metalen veer… Nu kom ik dichterbij en zie zijn zachte, ernstige, vervolgens in een glimlach openbrekende langschedelige Barnardgezicht, en op het moment dat hij begint te spreken, dringt zijn geur in mijn neusgaten, het onvergetelijke aroma van zijn scheerzeep en zijn eau de cologne en zijn pijptabak, in vergelijking met het effect waarvan dat koekje van die verwijfde Marcel impotent is…  Ik ben vijf, acht, dertien en zijn stem zegt: ‘Heb ik je wel eens een gedicht van J.C. Bloem voorgelezen?’
Meer dan wat ook heeft zijn stem mij gevormd, de stem die Bloem en Nijhoff en Keats en Auden voorlas en een lezer van mij maakte; de zangerige bariton die zei dat het tijd werd om een dagboek bij te houden, want beschaafde mensen hielden nu eenmaal een dagboek bij.
Toen hij een week dood was, hoorde ik zijn stem nog één keer. Op mijn Belgische telefoon zat een knop die ik per ongeluk indrukte, zonder te weten waartoe hij diende – een spookachtige kracht bewoog mijn vingertop naar die knop: zo zette ik een antwoordapparaat in werking, stak een braambos in de fik, waaruit zijn stem weerklonk, die maanden geleden zei: ‘Zo jongen, ik wist niet dat je zo’n ding had… dit is de ouwe… maar ik bazel… ik bel later wel…’

’s Avonds

‘Dus u vertelt in uw werk autobiografische dingen?’
‘Inderdaad. Alleen moet ik er daarna nog voor zorgen dat ze ook echt gebeurd zijn.’

Donderdag 7 oktober

De Nobelprijs voor literatuur is toegekend aan de Tanzaniaanse auteur Abdulrazak Gurnah. Hij krijgt de prijs vanwege… de gevolgen van het kolonialisme… het lot van de vluchteling… de kloof tussen culturen en continenten… Goed zo, de moraliteit is bevredigd; nu rest ons de hoop – want niemand schijnt zijn werk te kennen – dat Gurnah ook om literaire redenen is bekroond.

‘Tot aan zijn pensioen eerder dit jaar was hij professor Engels en postkoloniale literatuur aan de universiteit van Kent.’
Kijk eens aan. Ik zink neer op mijn knieën en bid dat hij even goed kan schrijven als Ben Okri.
Intussen ben ik van oordeel dat het Nobelprijscomité zich aan taalkolonialisme schuldig maakt. Om die reden is een Afrikaanse schrijver die in een inlandse taal schrijft (en aldus aan de kosmopolitische blik van het Nobelprijscomité ontsnapt) de broeder van een in het Nederlands schrijvende schrijver. Die kwestie heeft niemand tot op dit moment aangeroerd.

Vrijdag

Of Human Bondage is geen meesterwerk, maar het lijkt er zo sterk op dat je dat tijdens het lezen even vergeet (een uit de banale chronologie losgesneden even van zeshonderd pagina’s).
Zo is er het portret van de sinds haar dertigste stokoude tante van Philip, wier kapsel van potsierlijke, grijs geworden pijpenkrullen, die haar gezichtje van verfrommeld papier omlijsten, nog uit haar meisjestijd dateert – ze is de vel-over-been geworden vreugdeloosheid van de pastorie in Blackstable, het antihuis van mijn eigen pastorie, de verdorde genius loci, een verschrikkelijk wijf als ze niet zo lief was en niet zo zielsveel van haar kreupele neef hield… En ze houdt van de oom, die dat niet verdient en trouwens ook niet opmerkt. Ze geeft Philip al haar spaargeld wanneer hij naar Parijs vertrekt om te leren schilderen: ooit appeltje voor de dorst mocht ze weduwe worden, maar nu voorvoelt ze haar dood al, die zijn benige vingers boven haar tegen de antimakassar geleunde broze victoriaanse hoofdje laat kraken, en ze bekent dat ze God dankbaar is straks als eerste te mogen sterven – vroeger dacht ze dat hij beter als eerste kon gaan, want ze wilde niet dat hij zou moeten lijden onder haar dood: ‘Maar nu weet ik dat het niet zo veel voor je oom zou betekenen als voor mij. Hij leeft liever dan ik, ik ben nooit de vrouw geweest die hij wilde, en ik geloof dat hij zou hertrouwen als mij iets overkwam.’
Ziehier mijn lectuur, vlekkerig door de tranen die ik stortte.

Maandag

Ik zet Joy af bij het treinstation in Rye af: voor het eerst sinds de pandemie moet ze voor haar werk ook fysiek in Brussel zijn. Tot nu toe mocht ze achter haar computer in Brede werken; nu werkt ze op bevel van de EU vanaf morgenochtend achter haar computer in haar flat in Brussel. Er is geen enkel verschil, behalve dat ze fysiek in Brussel is.
Daarna rijd ik naar het politiebureau in Hastings, omdat ik van de Belgische pensioendienst moet bewijzen dat ik leef en niet vanuit het hiernamaals mijn 820 euro opstrijk – tenslotte heb ik vanuit Engeland een bankrekening in België, dus waarom niet vanuit het dodenrijk, dat traditioneel eveneens daar wordt gesitueerd waar de zon ondergaat.
‘Ik heb een ietwat eigenaardig verzoek,’ zeg ik tegen de jonge vrouw in uniform achter het loket. ‘Kunt u alstublieft bevestigen dat ik leef?’
Ze glimlacht. ‘Ik zou zo zeggen van wel. Kunt u een sprongetje maken?’
Ik maak een sprongetje. In het Engels kun je van ‘smiling hills’ gewagen en ik snap nu waarom: haar glimlach trekt prachtige voren in haar gezicht, een door de heuvels van haar konen gedomineerd stralend landschap, roze, warm en onvergetelijk gemaakt door de namiddagzon die haar stralen op het raam afvuurt. Ze diept een formulier op, vult mijn naam in en zet een stempel. Een paspoort hoeft ze niet te zien.
‘U hebt zeker in Europa gewerkt?’

Woensdag

Geert van Istendael meldt me de dood van Francis Dannemark op 30 september, zesenzestig, even oud als ik. Een lange, magere, aimabele neuroticus, die eeuwig klaagde over geldnood en er lang voor de kanker hem te pakken kreeg al uitzag alsof de kanker hem te pakken had gekregen. Hologig, schuw, maar met een zekere vitaliteit. Hij schreef af en toe een boek (ik herinner me een wonderlijke roman) en deed in ruil voor de nodige subsidies veel voor de Vlaamse literatuur.
Drie van mijn boeken zijn dankzij Francis in Parijs verschenen. Ik gedenk hem dus met liefde. Maar een vierde boek zat er niet in en we verloren elkaar uit het oog. Een jaar of wat geleden belde ik hem. Het speet me (zei ik) dat we geen contact meer hadden, een gevolg van het feit dat hij niets meer voor me kon doen: onze vriendschap was gebaseerd (bekende ik) op mijn eigenbelang; ik schaamde me en of hij me wilde vergeven (dat laatste zei ik niet).
‘Dat is chic van je,’ zei hij na enige stilte. ‘Dat waardeer ik.’ Meer stilte. Nog wat woorden. Stilte. De stilte was als tafelzout dat zichzelf uitstrooide over een oneetbaar gerecht.
We hingen op. Daarna heb ik hem nooit meer gesproken, en dat zal er ook wel niet meer van komen. 


Vrijdag 15 oktober

Het Conservatieve parlementslid David Amess is doodgestoken tijdens een bijeenkomst voor kiezers in een kerk in Leigh-on-Sea. Hij was negenenzestig. De dader is gearresteerd. De zeer fatsoenlijke opvolger van Corbyn heeft gepast gereageerd, met onmiskenbaar afgrijzen.
Jo Cox, een parlementslid van Labour, werd in 2016 vermoord door een fascist die haar te kosmopolitisch vond. Bij congressen van de Tories staan er altijd wel demonstranten ‘Tory scum’ te schreeuwen en naar partijleden te spugen.
Mijn droeve conclusie dat de volksverheffing heeft gefaald. Mensen schijnen van de Schepper hun tong te hebben gekregen om te spugen naar tegenstanders en hun hand om een mes te grijpen.

Tijdens mijn hondenwandeling

Ik denk weer aan mijn vader, die met mij als zijn gehoor – ik was misschien twaalf – filosofeerde over de goddelijke ontschepping, wat iets anders was dan een vernietiging of apocalyps; nee, God annuleerde zichzelf, en dat niet in een kosmische ontploffing, gevolgd door een goudkleurig verwaaien van sterrenstof of zoiets, maar op de meest lullige manier. ‘Het vervelende van het christendom is dat je je doodschaamt voor Jezus.’
Wie zo opgroeit wordt als vanzelf iets eigenaardigs, mij bijvoorbeeld.

Weer thuis

De dood van het parlementslid houdt me er niet vanaf opnieuw als een Schliemann in mijn dozen vol objecten uit de Papiertijd te graven. Ik vind een brief terug die ik op 31 juli 1987 vanuit Antwerpen aan Joy heb gestuurd, die bij haar ouders in New York verbleef – dit was kort voor we naar Austin in Texas verhuisden, waar zij afstudeerde en ik een jaar lang gastschrijver was (zie daarover Het gat in de wereld).
Het is een half schertsende liefdesbrief – de andere helft is hartstocht. Voor ik vader werd, droomde ik van een dochter: ‘Let’s first have that daughter, but if it’s a son we can keep him for a while on probation, and if we like him we can consider not drowning him.’
O schoot van de toekomst, waarin verborgen een minder goeie grap.

Zaterdag

Westfield FC heeft 3-3 gespeeld tegen Rotherfield. Ik heb een beetje maagpijn als gevolg van het vermoeide broodje met gebakken spek dat ik aan de zijlijn heb genuttigd.

Vier uur

David Amess blijkt te zijn vermoord door een voormalige Somaliër, thans Brits staatsburger – een geval van falende voormaligheid dus.

Vijf uur

Begonnen in Paradise van Abdulrazak Gurnah, een roman uit 1964. Hij schrijft voortreffelijk.

Tegen middernacht

Na mijn zelf gekookte maal ben ik de draad kwijtgeraakt in een televisiedetective; nu zoom ik met Christopher en Hayley.
Ik krijg een rondleiding door hun appartement in Alexandria, maar het beeld is vlekkerig: ik zie een waterverf van kamers, een bank van vlekkerig bruin, waar twee katjes op spelen – ‘Your grandkittens,’ zegt de vlekkerige Zeppora – en een antracietgrijze vlek steelt mijn hart, de kleine lustmoordenaar buitelt onweerstaanbaar over het witroze van zijn broertje heen; de staande lamp sproeit impressionistisch geel licht over het tafereeltje en schept een onweerstaanbare intimiteit…
Nu gaat Zepporaatje ergens in al die huiselijkheid brownies bakken – brownies bakken! – en ik pak de brief die ik in dezelfde doos als de brief aan Joy heb gevonden. Het is een brief van mijn vader ‘Aan de beide jeugdige Barnards’:

‘Utrecht, 2 IX 2008 A.D.

Een groet van de “teerbeminde burchtheer” aan zijn onderhorigen: salut!’

De kleinzoon lacht: ‘Zo noemde ik hem in mijn briefjes…’
‘Weet je wat A.D. betekent?’ vraag ik pedant.
‘Natuurlijk weet ik dat,’ zegt hij pedant.

‘Ik hoop dat jullie op vakantie in Gendrey goed hebben rondgekeken: bossen en akkers, schapen en koeien, zonnebloemen en appelbomen. En ook mensen. Aardige mensen. Je kunt Frans met ze spreken.
Hier gaat het wel. De burchtheer is een beetje bouwvallig, net als zijn burcht (vraag Papa maar, die is er geweest). Maar de burcht staat nog, en de heer ook.’

Ik vraag burchtheer junior of hij van zijn burcht afweet.
‘Barnard Castle!’ zegt hij.
Onmiddellijk verrijzen de restanten van het kasteel in het gelijknamige stadje richting Schotse grens, halverwege loodlijn en instorting ongenaakbaar verstard boven de rivier de Tees, in de vorm van de tijdskromme die mij terugvoert naar een buitenbeentje Barnard, jongste zoon van de Lord, die omstreeks 1600 als liefhebber van Shakespeare dienst nam in een regiment dat bij het Globe Theatre was ingekwartierd en vervolgens tot zijn ontzetting naar het continent gezonden werd om de prins van Oranje te helpen; er is immer omstreeks 1620 een vaandrig Barnard in Nederland blijven hangen. Het staat allemaal in Een vage buitenlander.
‘Daar heb je vaak over verteld toen ik in mijn ridderfase verkeerde.’
Dat is waar. Ik heb zelfs een prentbriefkaart met de voorouderlijke ruïne voor hem en Anna meegebracht.

‘Weet je wat ik zou willen? Anna horen spelen op de piano. En Christopher Frans horen praten. Nu, dat komt misschien nog wel.

Dag kinderen!’

 

 

Benno Barnard