fbpx


Cultuur, Religie

Twintig kusjes

Dagboekaantekeningen (48)


Klaar voor een theekransje

Pinksteren Kijk, je hebt toeval, een verschijnsel waarvan je als simpele ziel denkt dat het een bestiering is, zoals wanneer je iemand leert kennen die op dezelfde dag jarig is, alsof God zijn hand in een pop heeft gestoken om het tafereeltje in zijn poppenkast te stofferen met wat magisch-realisme. Voor de universitair geschoolden onder ons is er dan weer de synchroniciteit van Jung, die je kunt omschrijven als een betekenisvolle samenloop van causaal niet verbonden omstandigheden, een zinnige verstrengeling…

Niet ingelogd - Plus artikel - log in of neem een gratis maandabonnement

U hebt een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting of betaling. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U hebt reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement





Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.

U kan aanmelden via uw e-mail adres en wachtwoord of via uw account bij sociale media als u daar hetzelfde e-mail adres hebt.








Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder uw e-mail adres en uw naam en we maken automatisch een nieuw account aan of we sturen u een e-mailtje met een link om automatisch in te loggen en/of een nieuw wachtwoord te vragen.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


Pinksteren

Kijk, je hebt toeval, een verschijnsel waarvan je als simpele ziel denkt dat het een bestiering is, zoals wanneer je iemand leert kennen die op dezelfde dag jarig is, alsof God zijn hand in een pop heeft gestoken om het tafereeltje in zijn poppenkast te stofferen met wat magisch-realisme. Voor de universitair geschoolden onder ons is er dan weer de synchroniciteit van Jung, die je kunt omschrijven als een betekenisvolle samenloop van causaal niet verbonden omstandigheden, een zinnige verstrengeling van verhaaldraden, iets dat nuttig is in kinderboeken, wanneer de held bijvoorbeeld een grijsaard ontmoet die de zin uitspreekt waardoor hij opeens begrijpt wat zijn vader indertijd bedoelde, begrijpt u wel? (Misschien moet u om dit te begrijpen zelf ook weer een grijsaard tegenkomen.)

En dan heb je Anna, de domineesvrouw, die thee komt drinken en met wie het gebruikelijke gebabbel tot hoger gebabbel leidt, over haar adoptie… Ze spreekt met grote liefde over haar Canadese moeder, een alleenstaande onderwijzeres, die anderhalf jaar na de val van het communistische regime in een weeshuis in Boekarest belandde, een uitloper van de terreur, waar ondervoede kinderen in hun eigen uitwerpselen probeerden op te groeien; in dat oord duwde een verpleegster een baby in haar armen. Anna was drie maanden oud. Dertig jaar later is de domineesvrouw Anna nooit in Roemenië geweest, maar haar geboorteland heeft zijn etnische stempel gezet: het haar een zwarte spiegel, in haar huid een zweem van het olijfgroen dat sommige expressionisten zo graag overdreven.

‘Maar etnisch gesproken ben ik Indisch,’ zegt ze. ‘Mijn moeder was Roma.’ Het is alsof ze een sok in mijn mond stopt.

‘Onze Anna kwam uit een weeshuis in India,’ zegt Joy. Ze wijst naar het portret in de vensterbank, Anna een maand voor haar dood, de voltooide schoonheid, van wie ik dagelijks mijn blik moet afwenden. ‘Ze was achttien toen ze stierf in een auto-ongeluk.’

‘O God… Heet ze ook Anna? Ik wist niet… dus ook geadopteerd?’ Ze kijkt met immense bruine ogen, die hevig glanzen.
‘Ze ligt begraven naast jullie huis.’
‘Ik zal haar graf zoeken.’ Dat is toch een eigenaardige zin bij de thee. Maar hij wordt uitgesproken door de domineesvrouw Anna.

‘Op de steen staat Anna Vandana. Ze kwam bij ons als Vandana en wij hebben daar Anna aan toegevoegd. Anna Vandana Barnard. Zeven a’s.’ Hoe merkwaardig dat mijn vrouw haar gemoed onder controle heeft: het rust in haar schoot als een klein hondje.

Maar de domineesvrouw Anna slaat haar hand voor haar mond. Haar schouders beginnen te schokken als in een negentiende-eeuwse roman. ‘Dat is mijn naam… ’ zegt ze ten slotte.

‘s Avonds

Onverklaarbaar verdubbelde Anna. De zestienjarige biologische moeder van onze domineesvrouw had haar Vandana genoemd, een klank die ze uit een Bollywoodfilm kende. Dat vertelde de verpleegster in het weeshuis. Vandana – ‘Ochtendgebed’ – is zelfs in India een ongebruikelijke naam.

De werkelijkheid die de fictie belachelijk maakt. In de Joodse mystiek van de ohr ein sof, het oneindige licht, dat vrijwillig inkromp om een conceptuele ruimte te scheppen waarbinnen eindige werkelijkheden en naburige universa zouden kunnen bestaan, is er misschien iets te vinden over de ene einsteiniaanse kromme die de andere kruist.

Maandag 24 mei

‘Onder het grote bureau verrijzen zijn broekspijpen als zuilen naast mijn vier jaar; eerst speel ik nogal zoet met een autootje, dat om zijn schoenen heen telkens weer hetzelfde snijpunt passeert, tot deze ontdekking van de lemniscaat me begint te vervelen; dan richten mijn jeugdige zintuigen zich in die kleine ruimte op de geur van zijn pijptabak, waarvan de rook in allerlei interessante arabesken langs komt drijven, daarna op het vervaarlijke kraken van de draaibare bureaustoel, die op zijn zware stalen veer voortdurend van positie verandert, als een schommelend schip dat soms slagzij maakt, en vervolgens op de tweed van mijn vaders pantalon, waar ik behoedzaam met een vinger langs strijk.’

Dit gaat over het hoofdpersonage van mijn roman. Vertelde ik u over mijn roman? Vast wel. Maar zoals dat gaat in dit vak van oplichters, het berust op een vroege herinnering van mijzelf. Mijn roman is een kinderboek voor volwassenen. De hoofdpersoon ontmoet een vreemdeling die maakt dat hij begrijpt wat er met zijn familie is gebeurd. Het toeval van die ontmoeting behoort tot het domineesvrouwtype en is dus statistisch onverklaarbaar.

Dinsdag

Welk beeld van mijzelf als tempel boven mijn zoon verrijzend is in Christophers kleutergeestje afgedrukt? Of ziet hij mij in zijn oudste herinneringen als een hijskraan, een berg, een Jupiter?

In het park van het Museum voor Schone Kunsten bestond onze primitieve kunst erin de bal zo hoog mogelijk schoppen, naar het punt boven zijn hoofdje waar de verticale lijn van onze verbeelding de hemelbol sneed – verrukt gadegeslagen vlucht van zijn vederlichte rode bal. Hij was drie, het was de zomer voor de komst van zijn zus. Hij geloofde dat niemand op de aardkloot beter kon voetballen dan papa; en op zijn aardkloot was dat volkomen waar.

Een uur later

Alsof ze meeleest over mijn schouder, stuurde mijn zus (nog altijd bezig met haar album voor de bruiloft) zojuist een scan van het cadeau dat Christopher mij op 21 november 2009 voor mijn verjaardag gaf.

Het is een door hem geschreven en getekend vel papier, met een liniaal onderverdeeld in waardebonnen, goed voor 1 ontbijt op bed, 1 massage bij rugpijn, 1 autowasbeurt, enzovoort.

Het bonnetje der bonnetjes is bonnetje no. 5:

Goed voor TWINTIG kusjes*. Altijd geldig, s morgens, s middags, s avonds.
Enkel voor eigen gebruik!!!
*Dit bonnetje geldt totdat ik achttien ben.

Het document bevestigt en ontkent mijn macht, het is een geschenk dat de koning van iets berooft, het is onze persoonlijke Magna Carta, met hem in de rol van de baronnen… Hij speelt liefdevol met de kloten waaraan hij is ontsproten.

Ik kijk naar de uitstekend leesbare, vloeiende tekst, dat door zijn kinderhand gekalligrafeerde patroon van kalme bogen en besliste schreven – het is absoluut niet kinderlijk; het is vrijwel identiek aan zijn volwassen handschrift.

Hij was elf, ik werd die dag vijfenvijftig.

Donderdag

Ik gaf hem de zeven delen van The Chronicles of Narnia van C.S. Lewis, die hij verslond als de boa constrictor de olifant in een ander kinderboek; zijn denken is dan ook een Narniavormige uitstulping gaan vertonen.

In het eerste deel van de Kronieken dringt een jongen een parallelle wereld binnen via een kleerkast vol bontmantels, een metafoor van de vagina volgens sommige door Freud gevangen gehouden commentatoren.

In Narnia gebeurt van alles, dat ik nu oversla, maar het beeld dat je nooit meer uit je hoofd krijgt is dat van een brandende straatlantaarn in de sneeuw. Hoe komt die daar nu? vroeg een bevriende lezer. Aan het antwoord wijdde Lewis het zesde verhaal van de reeks, dat chronologisch het eerste is, The Magician’s Nephew. Het is mijn favoriete deel en ik zit het nu te herlezen.

Digory heeft een gekke oom in het victoriaanse Londen, die op de verrukkelijke plaatjes van Pauline Baynes is uitgerust met artistiek verwilderde manen en een billentikker. Toverringen verplaatsen het neefje en zijn vriendinnetje Polly naar een dromerig bos, een tussenwereld met poelen, die toegang geven tot andere inkrimpingen van het oneindige licht dan onze realiteit. Op de bodem van zo’n poel belanden ze in een stervende wereld. Maar de heks Jadis volgt hen terug naar Londen, waar ze een staaf van een straatlantaarn afbreekt. Later brengt een andere poel hen naar Narnia, dat net bezig is geschapen te worden door de zang van de leeuw Aslan. Jadis smijt het stuk victoriana naar zijn kop, maar het belandt op de grond en er spruit een nieuwe lantaarn uit te voorschijn.

Zo onnozel als het klinkt, zo overweldigend is die passage, het hele boek, de integrale allegorie. Wie het allemaal leest en zich niet spontaan tot het anglicanisme bekeert, heeft de sleutel van Engeland gebroken.

Zaterdag

Het is kalm in de kosmos, de sferen maken hun muziek, de witte schemering laat zich behoedzaam vallen om ons niet aan het schrikken te maken, ik doe het licht aan, mijn doden poseren in hun fotolijstje, mijn moeder draagt haar blauwe jurk op het grasveld voor de kathedraal van Canterbury, mijn vader is zijn eigen bronzen ernst, Anna glimlacht naar haar aangenomen ouders, alles is veilig.

Dan valt – in strijd met de rust in hemel – de elektriciteit uit. En zie, Sammie begint epileptisch te schokken en trilt dan nog minutenlang. Het licht springt weer aan; ze blijft trillen. Joy sust haar als een baby, die irrationele hond met haar op de trillingen van het wereldruim aangesloten sensitiviteit, zo superieur aan mijn botheid…

Zondag (een warmtefront nadert het dorp)

Na het wierookvat, de gezangen en het brokaat van de bisschop bij zijn bevestiging als onze plaatselijke priester (het schouwspel heet hier induction), hield Owen vandaag zijn eerste preek. Het is Domenica Trinitatis, de zondag van de Drie-eenheid, en hij merkt op dat de Triniteit onder theologen geen populair onderwerp is. Nee, dat zal wel, een taai leerstuk, dat je alleen maar als een duistere dichtregel kunt slikken. Maar de preek is tot mijn opluchting uitstekend, het zijn de woorden van een gevoelige intellectueel, die zich tot zijn gehoor richt en niet tot een verdwijnpunt ergens in de schemering onder de orgelgalerij. Een koorlid heeft haar hond meegebracht die een paar keert instemmend blaft. Henry kijkt vol ontzag naar zijn verwekker in de hoogte van de preekstoel. Anna Vandana glimlacht.

Ik bedwing mijn neiging te klappen.

Op mijn knielkussen is een lam met de vlag van St George geborduurd, naast een rudimentaire weergave van de kerk – ik kniel in onze bank van onverwoestbare Victoriaanse eik, plet met een knie het lam en met de andere de kerktoren, luister naar de voorbeden. In stilte bid ik om twintig kusjes.

Maandag (25°)

Ik houd ik mijn eigen eerste exemplaar vast, mij aangereikt door de postbode, van het boek met gedichten bij de foto’s die Eddy Verloes heeft gemaakt van chassidische Joodse jongens, ergens op een strand in een stormwind – het is als Buiten zinnen bij Poëziecentrum verschenen tijdens de jongste oorlogshandelingen tussen Israël en Hamas. Het maakt van de koffietafel eronder een schamel lastdier, dat niet met zijn last valt te rijmen, een ezel met een koning op zijn rug.

Zie die wonderlijk uitgedoste kerels springen en dansen! Hoor The River Curls Around the Town, een band die de Engelse vertalingen van de gedichten op muziek heeft gezet, muziek die mij vreemd is, maar vertrouwd als afkomstig uit een parallel leven. Lees eventueel ook de gedichten.

Dinsdag (de mussen op het dak beginnen te klagen)

In de tuin van Great Dixter, de mooiste tuin die er bestaat, ontworpen door Christopher Lloyd, een bestudeerde wildernis van over elkaar heen tuimelende planten, een gecontroleerde ontploffing van kleuren, door paden ontsloten, met een vijver, een boomgaard, een bloemenwei, met terrassen die naar het huis in het hart van dit Elysium voeren, een middeleeuws huis, begin vorige eeuw gerestaureerd en in de stijl van de Arts and Crafts uitgebreid door Edwin Lutyens – dit Great Dixter, zelf weer gesitueerd in het hart van het grotere Elysium dat Barnardshire heet, roep ik uit tot de heerlijkste plek op aarde (moge een engel met een vlammend zwaard de ingang bewaken).

Ik dwaal wat rond, in hersenloze gelukzaligheid, zoals ik zo vaak doe; verderop hoeft een impressionistische Joy niet van gedaante te verwisselen om voor een borstwering van valeriaan en het daarachter verrijzende huis haar metamorfose tot Milady te ondergaan; de zon projecteert door de brede rand van haar strohoed heen een voile van gemaasde schaduw voor haar gezicht; ze zwaait met die smalle witte Edwardiaanse hand van haar, een hand zoals mijn moeder die ophief, en alleen een geestelijk gestoord iemand ziet in de gelijkenis tussen die beide smalle witte Edwardiaanse handen een oedipale obsessie…

Dan drinken we thee in de theetuin, tussen andere bezoekers. Waarom overvalt mij nu opeens het besef van mijn onbekendheid in dit land, ondanks een vertaalde dichtbundel en de Engelse gedichten in Buiten zinnen (ook Losing Our Minds getiteld)? Maar het volgende ogenblik, terwijl Joy een insect van mijn schedel verjaagt, verandert dat besef in een geruststelling: het is heerlijk onbekend te zijn, in een beschaafde, kleine massa op te gaan, geen verantwoording te hoeven afleggen, niet beoordeeld te worden door mensen die ik nooit heb ontmoet… In dit gezegende Engeland ben ik niemand, nagenoeg helemaal niemand; het is een groot voorrecht nagenoeg helemaal niemand te zijn…

Woensdag

Een dode houtduif drijft in de vijver. Als kind van een jaar of tien kwelde ik mezelf met de gedachte dat de hiërarchie van de levende wezens zich na de dood zou voortzetten: ‘Papa, gaan honden naar de hemel?’

‘Vast wel. Als er een hemel bestaat.’
‘Wat denk jij?’
‘Vandaag weinig.’

Mijn moeder schonk mij haar eigen wijsheid: ‘Jongen, wij weten niets van die dingen. Maar dat hoeft ook niet.’

Donderdag 3 juni

Morgen voor tien dagen naar Washington om Christopher te zien voor hij trouwt. De reis dient voornamelijk om ons eigen sentiment te bevredigen, het vooruitzicht van een getrouwde zoon doet meer met ons dan we verwachtten: rite de passage, sleuteloverdracht, begin van een nieuwe generatie.

Vrijdagnacht (regen, dramatische afkoeling)

De honden willen naar buiten. Ik leg mijn boek neer en doe de keukendeur open. Is dat nu sneeuw…?

 

[ARForms id=103]

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.