Analyse
vakbond

Vakbonden verliezen 88.000 leden in twee jaar tijd

Vooral bij het ACV zijn nogal wat pluimen zoek, want de christelijke vakbond incasseert de zwaarste verliezen. Paniek is nochtans onnodig, want de Belgische bonden tellen nog altijd 3,5 miljoen leden, en dat is voor een land met een beperkte schaal als het onze behoorlijk indrukwekkend. Maar allicht zullen Marc Leemans, Rudy De Leeuw en de minder bekende Mario Coppens zich wat kopzorgen beginnen maken. In  syndicale middens zullen gegarandeerd twee bekommernissen de teneur van de discussies kleuren.

Die twee vraagstukken luiden: tast een gedaald vakbondslidmaatschap de kwaliteit van onze sociale dialoog aan (en dus tegelijkertijd de impact van de syndicale organisaties)? en staan die 88.000 recentelijk verloren schapen voor een voorspelbare verdere aderlating? Enkele elementen van antwoord.

Syndicale macht en ledenaantal

Het is algemeen bekend dat er tussen de lidstaten van de EU merkelijke verschillen bestaan op het vlak van de syndicalisatiegraad. België behoort hier, samen met de Scandinavische landen, tot de absolute top, en dat is op zichzelf nogal raar omdat wij (net zoals Italië) een echt KMO-land zijn.

Daarnaast is in het welvarende Westen het vakbondslidmaatschap significant gedaald. Een vergelijking tussen 18 geïndustrialiseerde landen overheen meer dan dertig jaar toont aan dat dit bijna overal het geval is, op enkele uitzonderingen na: Spanje, Ierland en Luxemburg[1]. Ook België heeft lang weerstand geboden, alleen de paar laatste jaren doken de cijfers sterk naar beneden.

Wat zegt het wetenschappelijk onderzoek?

Het brede publiek beschouwt een daling van de algemene syndicalisatiegraad meestal als een slecht voorteken voor de toekomst van het sociaal overleg, maar sociologen vinden daar geen evidentie voor. Integendeel zelfs, multifactoriële analyses tonen aan dat niet zozeer de mate van het individuele lidmaatschap werknemersverenigingen impact geeft, maar de collectieve vakbondsmacht zoals die op zichzelf geïnstitutionaliseerd werd. Inderdaad kan er nauwelijks een verband worden vastgesteld tussen bv. de syndicalisatiegraad in een bepaald land en de dekkingsgraad van collectieve arbeidsovereenkomsten aldaar  –  dit laatste wordt traditioneel als een goede meetparameter wordt beschouwd voor de syndicale invloed.

Bijna overal ligt die dekkingsgraad een stuk hoger dan het percentage van de bij vakbonden aangesloten werknemers. Een typische illustratie hiervan is Frankrijk, waar zich naar schatting 90% van de tewerkstelling afspeelt binnen de contouren van een CAO, maar dat één van de laagste syndicalisatiegraden laat optekenen van de hele geïndustrialiseerde wereld (nauwelijks 8 % van de werknemers is daar lid van een vakbond). Dat lage aandeel blijkt de mobilisatiecapaciteit van de Franse syndicaten allerminst te schaden: in dat land wordt zowat elk sociaal conflict uitgebreid op de straat uitgevochten.

Datzelfde fenomeen kan, binnen de EU, ook worden vastgesteld op ondernemingsvlak: ook daar zou de impact van de werknemersafgevaardigden in het sociaal overleg maar losjes in verhouding staan tot het percentage aangeslotenen.

De sociale partners in de coulissen van de macht

Vakbondsmacht hangt in de Westerse wereld inderdaad vooral af van de mate waarin deze geconsacreerd werd in een hele reeks organen die een bepalende invloed hebben op de dagelijkse beleidsvoering vanwege de overheid. Dergelijke overlegplatformen tussen de sociale partners verwierven een bestaansrecht door hiervoor een reglementair kader te creëren of kregen vorm via stapsgewijs gegroeide onderhandelingspraktijken. Bij uitstek in België heeft dat proces zich in de breedte ontwikkeld, en dat heeft onder meer geleid heeft tot een heroriëntering van de discussies onder de sociale partners, die zich traditioneel beperkten tot loonafspraken en arbeidsvoorwaarden, naar bredere maatschappelijke thema’s zoals het arbeidsmarktbeleid, de openbare omroep en de sociale politiek – beleidsdomeinen waarover ze, in vele landen, voorheen geen zeggenschap hadden.

Je kan aannemen dat de op deze wijze gecreëerde instituties veel stabieler zijn dan de syndicalisatiegraad op zichzelf; en voor zo een voorspelbaarheid zijn natuurlijk ook werkgevers de vragende partij omdat die stabiliteit ook hùn impact op het maatschappelijke gebeuren veilig stelt. ‘The coincidence of institutional stability of bargaining coverage and employers’ organisations with ongoing decline of union density rates (…) supports the assumption that coordination does not depend on trade unions’ power resources but might be due to employers’ preferences for coordination’[2].

Macht en ledenaantal zijn twee verschillende zaken

Natuurlijk kan niemand ontkennen dat een sterk dalend lidmaatschap na verloop van tijd de morele autoriteit van de vakbonden sterk zou kunnen ondergraven – en in tweede instantie ook hun financiële armslag (een werkend lid betaalt doorgaans 16 à 17 euro per maand aan syndicale bijdrage). Maar is er echt iemand onder de lezers die gelooft dat, mocht het ledenaantal van de grote Belgische vakbonden in de nabije toekomst blijven dalen zoals dat de voorbije paar jaren geconstateerd werd, die syndicale organisaties hun zitjes gaan zien verminderen in de regentenraad van de Nationale Bank? buiten zullen vliegen in de Raad van Bestuur van een hele reeks overheidsinstanties? hun quasi-monopolie gaan verliezen als uitkerende instantie voor werkloosheidsvergoedingen? Zelfs als het laatste aangesloten lid de deur zou hebben toegetrokken, zal de syndicale beweging nog altijd een erg groot stuk van het maatschappelijk gebeuren en van het functioneren van de overheidsinstanties blijven bepalen.

Maar waarom vermindert die syndicalisatiegraad? En kan zo’n evolutie gestuit worden?

Daarover zijn al heel wat beschouwingen uit de pen gevloeid. We geven hier puntsgewijze de meest courante verklaringen voor de veralgemeende afname van het aantal werknemers dat aangesloten is bij de vakbond. Sommige ervan gaan op voor de meeste Westerse landen, maar enkele gelden specifiek voor ons eigen land.

1.       De schaalgrootte van ondernemingen is de voorbije decennia merkelijk afgenomen (hoewel dit proces intussen gestabiliseerd lijkt). En ja: in KMO’s ligt de syndicalisatiegraad traditioneel aan de lage kant. Bovendien werd veel manuele/uitvoerende arbeid gedelocaliseerd dan wel weggeautomatiseerd waardoor de klassieke arbeider-met-de-pet een minderheid wordt; en hoger geschoolden zijn nu eenmaal minder geneigd om zich te syndikeren.

2.       De opkomst van het neo-liberalisme heeft het overheidsapparaat, een werkomgeving waarin vakbondsorganisaties bij uitnemendheid gedijen, in vele landen doen afslanken. Ook in België werden een aantal functies die voorheen op een vanzelfsprekende wijze door ambtenaren werden waargenomen (bewakingsoprachten, collectief vervoer, bepaalde aspecten van de openbare dienstverlening zoals de postbedeling)  overgenomen door de privésector.

3.       Vooral in de vroegere Oostbloklanden is het imago van de syndicale organisaties ernstig besmeurd geraakt door hun nauwe verwevenheid met de vroegere machthebbers – een communistisch verleden waarvan de meest van deze staten liever afstand van nemen. In bijna al die “nieuwe” lidstaten is de syndicalisatiegraad na pakweg 1990 zonder meer ineengestort. Ook in andere landen (het Frankistische Spanje, de VS in vorige eeuw) had een beperkte groep van syndicale fracties zich soms ingelaten met minder appetijtelijke machtsgroepen, hetgeen tot op heden het blazoen van de arbeidersbeweging in die landen blijft besmeuren – grotendeels ten onrechte, overigens.

4.       In ondernemingen wordt de vertegenwoordigende participatie van de personeelsleden (dit wil zeggen dat de stem van de werkvloer voornamelijk wordt gehoord via de werknemersafgevaardigden) steeds frequenter vervangen door de rechtstreekse dialoog tussen uitvoerenden en hun leidinggevenden. Dit gebeurt thans via kwaliteitskringen, werkoverlegsessies, tool box meetings, enz. In vele bedrijven zijn de vakbonden hun communicatiemonopolie op die manier kwijtgespeeld. Geïndividualiseerde benaderingen (zoals cafetariaplannen waarbij een personeelslid binnen bepaalde grenzen zijn extralegale voordelen mag bepalen), telewerk, het uitbesteden van activiteiten die niet resulteren onder de kerncompetenties van een onderneming, deeltijdse arbeidsregimes… hebben de impact van de syndicale afgevaardigden verder verzwakt.

5.        In België staan de syndicale organisaties in voor de overgrote meerderheid van de uitbetalingen van de werkloosheidsvergoeding (voor wie het niet wist: dat is evenzeer het geval in de Scandinavische landen, hetgeen ook daar altijd een ware autostrade heeft betekend die rechtstreeks leidde naar een veralgemeend vakbondslidmaatschap). Maar nu onze werkzaamheidsgraad eindelijk begint toe te nemen en het SWT-stelsel (dat we nog altijd in de volksmond “brugpensioen” noemen) werd afgebouwd, worden steeds minder mensen toegeleid naar de administratieve zetels van die vakbondsorganisaties.

6.       Prof. V. Scheltiens van de UAntwerpen voegt (zie De Standaard van vrijdag 8 juni ll.) voegt daar voor ons land nog specifiek aan toe: ‘Het beleid van de regering stelt veel ACV’ers teleur, terwijl de politieke vrienden van de CD&V daar mee aan de knoppen zitten.’ Dat laatste kan allicht verklaren waarom de christelijke arbeidsbeweging de zwaarste klappen heeft gekregen. Dit is dan ook de enige conjuncturele (met andere woorden: mogelijkerwijs terugdraaibare) verklaring voor de recente daling van het aantal Belgische vakbondsleden.

 


[1] Furaker B. & Bengtsson M. (2013) : Collective and multilevel benefits of trade unions : a multi-level analysis of 21 European countries, Industrial Relations Journal, 44-5-6, pp. 548-565

[2] Hassel A. (2013): Trade unions and the future of cemocratic capitalism, Hertle School of Governance, Juni 2013

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans