fbpx


Cultuur

Van oude schrijvers en dingen die niet voorbijgaan

Paul Claes over klassieke schilderijen en literatuur



Zou het geen idee zijn voor een aflevering van Taboe? Philippe Geubels een week lang in de Ardennen met vergeten Vlaamse schrijvers? Oude schrijvers die voor de meeste kijkers volslagen onbekenden zijn, maar die al bijna een halve eeuw aan de weg timmeren? Schrijvers die weinig tot geen aandacht krijgen in de mainstreammedia, omdat ze oud zijn, man bovendien en niet Stefan Hertmans heten? Schrijvers over wie het vandaag bijna niet meer kan gaan?

Prijs

We kunnen maar dromen, maar ik zou naast Willy Roggeman, Roland Jooris, Pol Hoste en Marc Insingel zeker ook Paul Claes voor dat programma uitnodigen. Claes heeft intussen meer dan 150 boeken op zijn naam. In een ander taalgebied dan het onze zou hij op handen worden gedragen. Hij is van alle literaire markten thuis: vertaler, essayist, literatuurwetenschapper en hij schrijft proza en poëzie.

Net als de eerdergenoemden zou hij al lang een carrièreprijs hebben moeten krijgen — als die maar bestond. Een Lifetime Award van de Lia, de Literature Industry Awards. Of beter nog: een ‘Midas’ van Literatuur Vlaanderen, genoemd naar de voorzitster van de club: de Mia Doornaert Academy Sceptre.

Winnende combinatie

Cijfers zeggen niet alles, maar 150 boeken op iets meer dan vier decennia is indrukwekkend veel. Zeker omdat die boeken steevast het niveau halen dat je in ons taalgebied maar zelden tegenkomt. Erudiet, grappig, technisch vakkundig en inhoudelijk sterk.

In principe zou die combinatie altijd winnend zou moeten zijn, maar in de Nederlandstalige literatuurkritiek van de voorbije dertig jaar werd ze steevast suspect bevonden. Boeken moeten meeslepend zijn, niet al te moeilijk, wel grappig, maar niet van de intellectualistische lachschool komen. Exeunt Paul Claes, Pol Hoste en Willy Roggeman.

De mot zit in de mythe

Claes is eind oktober vorig jaar 78 geworden. Hij begon te publiceren in de jaren ’70 als medewerker van verschillende tijdschriften, waaronder Streven. In boekvorm debuteerde hij in de vroege jaren ’80, en wel op verschillende fronten tegelijk: als dichter, als vertaler (van onder meer Gérard de Nerval en Ezra Pound) en ook als letterkundig essayist. In 1984 verscheen bij De Bezige Bij De mot zit in de mythe, de bewerking van zijn drie jaar eerder aan de KULeuven behaalde doctoraat.

In die studie legde Claes het fundament van wat zijn handelsmerk zou worden. In een nauwkeurige lectuur van teksten van Hugo Claus legt Claes uit waar de schrijver de mosterd haalde voor de talrijke klassieke en mythologische referenties in zijn werk. Maar Claes toont ook aan hoe Claus die zaken niet gewoon overneemt, maar transformeert: Claus doet iets met de oudheid, hij maakt die nieuw.

Lezer en vertaler

Na de publicatie van zijn proefschrift wordt Paul Claes de kenner bij uitstek van wat men in de literatuurstudie als intertekstualiteit bestempelt. Auteurs verwijzen in hun teksten naar teksten van andere auteurs en ze doen dat altijd met een welbepaalde bedoeling: om zich te affiliëren met het werk van grote voorgangers, of om zich net af te zetten van de traditie.

Claes’ fascinatie voor de verhoudingen tussen teksten en oeuvres brengt hem logischerwijze bij auteurs die zich sterk bewust zijn van hun plaats in en bijdrage aan de traditie. Rainer Maria Rilke en T.S. Eliot zijn twee van die auteurs: Claes zette zich niet alleen aan een grondige lectuur van hun werk (het in 1995 verschenen Raadsels van Rilke, bijvoorbeeld), hij vertaalde dat werk ook. In 2007 verscheen zijn sterke vertaling van Eliots The Waste Land.

Claes, die classicus én Germanist is, vertaalde niet alleen uit verschillende talen naar het Nederlands, maar ook omgekeerd: samen met de door hem zeer bewonderde dichteres Christine D’haen vertaalde hij poëzie van Leopold naar het Engels. Later vertaalde hij ook nog Nijhoff naar het Frans en Claus naar het Latijn. En vorig jaar verscheen nog bibliofiel een prachtig boekje met een Duitse, Franse en Engelse vertaling van Guido Gezelles Het schrijverke. (Wie het graag wil kopen, mag zich altijd melden.)

Iconografie in verhaalvorm

Paul Claes is ook prozaïst, schreef ik al. Vooral in de jaren ’90 van de vorige eeuw leidde zijn schrijverschap tot een aantal opgemerkte en bekroonde romans. De sater (1993), De zoon van de panter (1996) en De kameleon (2001) zijn de bekendste. Vooral met die laatste kon Claes zich ook als schrijver van fictie profileren.

De voorbije jaren heeft de onvermoeibare Claes zich aan een nieuw genre gezet, ‘iconografie in verhaalvorm’, in de woorden van de auteur: een mengvorm van creatief proza en kunstkritiek. Bij de mij verder onbekende uitgeverij Coriarius (gevestigd in Werchter) verschenen voorlopig vier korte prozateksten waarin Claes schilderijen centraal stelt van respectievelijk Jeroen Bosch (Wie van de drie?), Jan Van Eyck (De kamerheer en de kanselier), Pieter Bruegel (Waar is de bruidegom?) en Rubens (Het pelsken).

Ekfrasis

De bibliografieën bij elk van deze teksten geven aan dat Claes zich goed gedocumenteerd heeft. En toch zijn dit geen academische essays. Het zijn verhalen waarin fictieve personages het met elkaar in dialoogvorm over de besproken schilderijen hebben. We krijgen op die manier feitelijke informatie over de historische context van de werken in kwestie, maar vooral nauwkeurige beschrijvingen waarin Claes zich een meester toont van de ‘ekfrasis’: dat is een in woorden uitgedrukt beeld, waarbij de verbale precisie en het verbeeldingsvermogen van de schrijver zo goed samengaan, dat de lezer in de woorden te zien krijgt wat het niet getoonde beeld voorstelt.

In het verhaal over Bruegel (Waar is de bruidegom?) neemt Claes de lezer mee naar het zestiende-eeuwse Antwerpen: de personages van zijn verhaal zien de bekende Boerenbruiloft in zijn oorspronkelijke staat: later worden te openlijk erotische plekken op het schilderij overschilderd. In de tekst over Rubens (Het Pelsken) speelt het verhaal zich af in een werkcollege aan de universiteit: de studenten moeten het schilderij zo goed mogelijk proberen te beschrijven en vervolgens te interpreteren.

Betere verbeelding

Claes’ formule werkt aanstekelijk: de verhalen op zich lijken misschien niet noodzakelijk veel toe te voegen aan wat de auteur over de schilderijen wil zeggen. Maar ze zorgen er wel voor dat de lezer zich de werken actiever gaat verbeelden dan bij een academisch kunsthistorisch essay. En ze stellen Claes ook in staat om verschillende perspectieven op het werk in kwestie aan bod te laten komen.

Essays in dialoogvorm zijn natuurlijk niet nieuw: de dialogen van Plato zijn vermoedelijk de meest bekende voorbeelden in het hybride genre. Dichter bij ons waren er ook de experimenten van Oscar Wilde (The Critic as Artist) en Willy Roggeman (de ongepubliceerd gebleven Jazzkronieken waarin verschillende alter ego’s van de auteur zich buigen over klassieke albums).

Geen krans

Maar Claes doet nog iets anders: bij hem is dialoog meer ingebed in het verhaal. In de tekst over Bruegel mondt dat verhaal geleidelijk uit in de oplossing van een mysterie. En in de tekst over Van Eyck krijgen we het verhaal van de totstandkoming van De maagd van Autun, het bekende portret van kanselier Rolin.

De auteur slaagt erin deze vier recente teksten goed in dialoog en verhaal organisch met elkaar te verweven. Dat smaakt naar meer: goede Claes is zoals goede wijn. Beter wordend met de jaren, geen behoefte aan krans. Of een Mia Doornaert-scepter, godbetert.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel, cartoon of podcast wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels, podcasts, cartoons of video-uitzendingen op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Jurgen Pieters

Jürgen Pieters doceert literatuurwetenschap en 'Creative criticism' aan de Universiteit Gent.