fbpx


Buitenland, Cultuur

Verdeeld portret van Vlaanderen



Leg eens uit hoe het komt dat de ‘rechtgeaarde’ aandacht voor eigentijdse kunst en cultuur bij het oorspronkelijke Vlaams-nationalisme vandaag niet meer terug te vinden lijkt bij N-VA? Hoe valt deze verschuiving te verklaren? Waar is het fout gelopen? Dit was de uitdaging waarvoorrekto:verso me stelde. Alsof die verwijdering voornamelijk aan de Vlaamse Beweging zou liggen, en niet zozeer aan de kunstensector zelf …

Het gaat om een paradox die ook werd geformuleerd in een aantal teksten in het kielzog van de presentatie van de burgerbeweging Hart boven Hard. De Vlaamse Beweging, die de Vlaamse identiteit toch altijd uit de Vlaamse cultuur zou hebben afgeleid, zou – nu ze in de gedaante van N-VA aan de macht is gekomen – deze cultuur stiefmoederlijk behandelen en zelfs langzaam wurgen door haar de broodnodige subsidies te weigeren. Als een initiatief dat zich tegen cultuurbesparingen verzet, heeft Hart boven Hard gelijk het zo te stellen. Maar daarom kloppen de premissen achter de vraag nog niet. Nu zou ik het vraagstuk snel kunnen oplossen door te constateren dat de politieke partij N-VA niet samenvalt met de Vlaamse Beweging, of door te zeggen dat de stellers van de paradox alleen maar een beroep doen op de oorsprong van de Vlaamse Beweging om het huidige politieke beleid des te beter te kunnen treffen. Dat is ongetwijfeld zo. Maar er is meer aan de hand.

Vlaamse kunst was flamingantische kunst

Er is inderdaad een tijd geweest dat zelfs de keuze om in het Nederlands aan literatuur te doen een ‘flamingante’ keuze betekende. Lees bijvoorbeeld de uitmuntende analyse van de romans van de ‘linkse’ maar Vlaamsgezinde Willem Elsschot, die Matthijs de Ridder inzet om diens ‘onverklaarbare’ gedicht ‘Aan Borms’ te interpreteren in Aan Borms. Willem Elsschot, een politiek schrijver(2011). In die tijd (lang voor en kort na Elsschot) was ongeveer de hele Vlaamse literatuur een soort emanatie van de Vlaamse Beweging. Dat gold ook voor de plastische kunsten en de muziek. Vlaamse kunst was bijna vanzelf flamingante kunst, dat moet de lezer nu maar even van me aannemen. Voor en na de Eerste Wereldoorlog was Vlaamse kunst avant-gardekunst en was avant-gardekunst activistische kunst – niet in de politieke betekenis die we uit de Vlaamse geschiedenis kennen, maar in de culturele betekenis die het Duitse Aktivismus van Kurt Hiller had gekregen: een cultureel-maatschappelijke en utopische beweging binnen een idealistisch expressionisme, met veel Geist.

Alleen, die tijd van de symbiose tussen Vlaamse beweging en (bijvoorbeeld) literatuur is echt al lang voorbij. Volgens sommigen liep hij al in het interbellum af, toen de Vlaamse idealisten en pacifisten er nog op stonden te kijken; volgens anderen hield de symbiose het uit tot in de jaren 1970 en was het Hugo Claus die de cesuur vormde. In elk geval, deze functie van de Vlaamse literatuur bestaat niet meer. Het cultuurflamingantisme is allang ingeruild voor een politiek flamingantisme met culturele inslag – zeker sinds Vlaanderen niet meer het ‘Nederlandstalige taalgebied’ is, maar de Vlaamse natie op Vlaams grondgebied. Op het flamingante menu komt nu iets anders voor, namelijk de oplossing van het institutionele machtsprobleem en dus van de verhouding tussen Vlaanderen en België. Met deze menuwijziging heeft N-VA in principe niets te maken. Deze partij is er namelijk zelf het resultaat van.

Socialisten en katholieken: van hetzelfde laken

Zou men dezelfde vraag niet kunnen stellen aan en over het socialisme? Ik bedoel dan het West-Europese socialisme en communisme, want over het socialistisch realisme en de intellectuele voorstanders ervan in de Sovjet-Unie wil ik het hier niet hebben. Waar zijn nu de volkshuizen, de volksbibliotheken en de verheffing van het volk? Wat is er toch gebeurd dat het socialisme zijn verhouding tot de kunstwereld heeft laten verzuren, of erger nog, tot irrelevantie heeft laten herleiden? Waar is nu die band tussen het socialisme en de art-nouveau-architectuur, uit de tijd toen Victor Horta het Brusselse volkshuis mocht bouwen? Waarom liep het zo erg fout dat de partij haar eigen volkshuis liet afbreken? Waarom deed sp.a daar niets aan? Hoe komt het dat alleen nog ‘rechtse’ auteurs vandaag de idealen van de utopische Britse schrijver-ontwerper William Morris hooghouden – neen, hoe komt het dat auteurs die de idealen van Morris hooghouden door het linkse ‘commentariaat’ als ‘rechts’ gecatalogeerd worden? Doe mij dan maar rechts.

Wat men in de evolutie van de Vlaamse Beweging denkt te constateren, geldt ook voor de andere grote bewegingen: de kunstsfeer wordt niet meer ingezet als vroeger

Ik laat u dezelfde oefening maken voor de eertijdse symbiose tussen het katholieke reveil en de Sint-Lucasscholen, of de christelijke cultuurfondsen, of het lectuurrepertorium, of de religieuze architectuur die tot vandaag het silhouet van onze steden en dorpen tekent, en trouwens het hele Europese kunstpatrimonium van de middeleeuwen tot heden – wat is er aan de hand met CD&V dat het daar niets heeft aan gedaan?

Wat men in de evolutie van de Vlaamse Beweging denkt te constateren, geldt ook voor de andere grote bewegingen: de kunstsfeer wordt niet meer ingezet als vroeger, en de kunst laat zich ook niet meer inzetten. Ik vermoed dat de uitgangsvraag de ‘schuld’ van de parting of the ways van Kunst en Vlaamse Beweging bij deze beweging en haar huidige politieke arm wilde leggen. In werkelijkheid kruisten twee evoluties elkaar. Niet alleen ‘de Vlaamse Beweging’ gaf de overtuiging op dat kunst de emancipatie naderbij brengt, ook ‘de Kunst’ zelf geloofde dat niet meer. We moeten de vraag dus herformuleren.

Een stelling

Wat er aan de hand is, formuleer ik in een stelling die sommigen zal choqueren. Toch probeer ik iets te verwoorden wat velen aanvoelen. Dat maakt van mij geen woordvoerder, maar wel iemand die een weerwoord wil bieden aan een massieve tendens in de Vlaamse kunst- en cultuurwereld. Mijn stelling is dat de waterscheiding waarvan hierboven sprake, zich niet zomaar als een natuurwet heeft voorgedaan. Bovendien heeft de Vlaams-Belgische cultuurwereld zich crescendo vanaf de jaren 1970 actief en opzettelijk van haar Vlaams-politieke ambiënte afgescheurd. De woordvoerders van deze tendens zijn daar zelfs trots op en dagen geregeld de Vlaamse Beweging uit daar een antwoord op te bieden.

Ook identitair begon het mis te lopen: voor vele cultuurmensen bestaat er vandaag niets ergers dan ‘Vlaams’ te worden genoemd. Het is dus voornamelijk de kunstwereld die zich van de Vlaamse Beweging heeft afgewend. De publieke cultuurdragers beschouwen de Vlaamse Beweging als conservatief, neoliberaal of extreemrechts. Tegelijkertijd ijveren ze actief voor de deconstructie en demontage van Vlaanderen en willen ze graag bijdragen tot een rebelgiserende pedagogie. Ze doen aan cultural engineering om België te herstichten. Zo zijn ze spreekbuizen van de ‘neobelgicistische’ tendens geworden en kiezen ze expliciet tegen een verdere devolutionaire ontwikkeling van de Belgische staatsstructuur. Hun belgicisme is in hun eigen inschatting ‘links’ en hun linkse optie is belgicistisch. Tot zover mijn stelling.

Een verwerpingsgemeenschap

Man en paard, naam en adres, vraagt men dan. Als het moet kan ik wel elke man, elk paard en elke actie waarin cultuurdragers zich zo hebben gemanifesteerd, van een hilarische omschrijving voorzien. Het is hier niet de plaats om zo’n Leporellolijst te publiceren. Ongetwijfeld kunnen zowel de actoren als hun slachtoffers zich gemakkelijk herkennen in wat ik hier evoceer. Het gaat immers om een collectieve trend bij een groepering die zichzelf als een gesloten bondgenootschap pleegt voor te stellen. Niet voor niets noemt de kunst- en cultuurwereld zichzelf ‘de sector’ – met, zoals deze benaming al laat vermoeden, een corporatistische inslag die men zelfs bij de Orde van Geneesheren of de Orde van Architecten niet op die manier aantreft.

Het is voornamelijk de kunstwereld die zich van de Vlaamse Beweging heeft afgewend

Hoe deze ‘sector’ zichzelf ziet, blijkt uit het vocabularium van zijn tekstschrijvers. De claim dat hij de emancipatie en de idealen van de verlichting vertegenwoordigt, kan er nog mee door. Het is hoog gegrepen, het betekent ook niet zoveel, want zolang men deze claim niet probeert waar te maken kan hij op zich geen kwaad. Dat men zichzelf als een ‘tegenmacht’ en een ‘linkse voorhoede’ ziet, is al wat anders. Men zal een ‘politieke strijd’ leveren tegen rechts en ‘het verzet mobiliseren’. Wellicht beseffen deze mensen niet waar dit automatentaaltje vandaan komt (namelijk uit de kretologie van de neomarxistische poot van ’68), misschien menen ze het ook helemaal niet; maar in de recente controverses rond cultuursubsidies werden deze uitdrukkingen wel herhaaldelijk gebruikt.

Wanneer de kunstwereld met zijn cultuurdragers voor de zoveelste keer ‘naar buiten’ komt, bestaat het gevaar dat kunst gezien wordt als een bedrijf waarin men op gezette tijden verontwaardigd is over de te verwerpen richting die de maatschappij weer eens uitgaat. Maar dan wel slechts over die fenomenen die zich tot een morele en collectieve verontwaardiging lenen. Deze morele verontwaardiging dient niet alleen een ‘zaak’, maar evenzeer de eigen collectiviteit. Ze bevordert het sluiten der rangen tegenover de vermaledijde Andere (die men in een ander discours zo bemint). Vandaar ook de bekende uitsluitingsmechanismen – wie mag met ons nog meedoen en wie niet? – zo noodzakelijk voor het in stand houden van de eigen vertooggemeenschap. Daarin volstaat het gezamenlijk iets te verwerpen om zelf iets te zijn. Men zou kunnen spreken van een verwerpingsgemeenschap. En neen, dit is niet alleen een theorietje van Michel Foucault uit zijn artikel ‘De orde van het spreken’, maar een bittere praktijk waarvan in een andere context ook bijvoorbeeld een Peter Sloterdijk het slachtoffer is geworden. De Vlaamse cultuurwereld staat hier namelijk niet alleen.

Waar Vlaanderen wel alleen in staat, is in de laboratoriumpositie waarin een deel van de cultuurwereld dit land wil duwen. In het kader van het wereldwijde postmoderne gevecht tegen mythes, stereotyperingen en stigmatiseringen vormt Vlaanderen namelijk een gedroomde testcase. Een regio (Vlaanderen) die een natie wil zijn in een staat (België) die als het multiculturele model zelve wordt aangeprezen! Een natie (Vlaanderen) gebaseerd op talige identiteit, die met verdelende en grenzen-optrekkende taalwetten verdedigd moet worden! Een regio die niet wil inzien dat de Brusselse grootstedelijkheid haar als voorbeeld moet strekken! Daarin vindt de gepolitiseerde, kosmopolitisch denkende kunstwereld een unieke kluif. Volgens deze wereld creëert het zogenaamd niet-nationalistische België immers de bestaansvoorwaarden voor de huidige superdiversiteit en de toekomstige grenzeloosheid. In vergelijking daarmee kan Vlaanderen niets anders zijn dan een gepasseerd stadium. Cultuur heeft waarde voor een gemeenschap, dat wordt grif toegegeven, maar dan met uitzondering van de Vlaamse gemeenschap. Daar komt het in essentie op neer: een mateloze verwerping van de Vlaamse politieke ruimte. ‘Averechts nationalisme’ noemt literatuurwetenschapper Kevin Absillis in een interview in ’t Pallieterke deze ‘neiging van linkse culturele elites om zich te distantiëren van het onaantrekkelijke natiebeeld dat ze zelf in hun fictie en in hun publieke vertoog creëren’.

Een exemplarisch ‘portrait imaginé de la Flandre’

Al het voorgaande lijkt samen te komen in de exemplarische boycot van de fototentoonstelling Portrait imaginé de la Flandre in het Fotomuseum van Charleroi, o.a. na een dreigement van de PVDA. De expo moest uiteindelijk geannuleerd worden – niet omdat ze van racisme of discriminatie beticht kon worden, maar omdat ze een beeld van Vlaanderen wilde tonen dat niet overeenstemt met het negatieve beeld dat sommige cultuurdragers zo koesteren. Het ging om werk van Vlaamse en buitenlandse fotografen die tussen 1839 en 2014 in Vlaanderen gewerkt hebben en die beelden van Vlaanderen tonen. De boycotters werden in de reguliere media met veel egards behandeld.

Cultuur heeft waarde voor een gemeenschap, dat wordt grif toegegeven, maar dan met uitzondering van de Vlaamse gemeenschap

Het punt van de boycottende ideologen was niet dat het om een ‘Vlaamsgezinde tentoonstelling’ ging. Niemand heeft curator en fotospecialist Johan Swinnen ‘Vlaamsgezindheid’ verweten. Het was veel erger. Wat uiteindelijk bleek te storen, was de Vlaamse doorsnede, de Vlaamse onderwerpselectie. Vlaanderen, dat immers niet bestaat, kon geen fotografisch thema zijn. België was dit dan weer wel, want, ik citeer een kunstkenner, ‘dat is al wat groter’. ‘Het criterium “Vlaams” is me te beperkend’, stelde een bekend fotograaf. Daarenboven ging het om een taalgrensoverschrijdende uitwisseling, weliswaar gesteund door het Waalse museum zelf en met goedkeuring van de burgemeester van Charleroi, maar jammer genoeg georganiseerd door de verkeerde curator, die ook nog eens voor N-VA in de Kamer bleek te werken.

Geen enkele Franstalig-Belgische stem heeft zich tegen deze tentoonstelling verzet. De hele discussie speelde zich af onder Vlamingen. Wat de belgicisten ontstemde, was al in de titel vervat: Portrait imaginé de la Flandre. Het ging om de poging het ‘imaginaire’ van het ene land in het andere land te exposeren. Het ging om beeldvorming, om ‘imagologie’. Er is een tijd geweest dat imagologie, de studie van de beeldvorming van het ene land over het andere, samen met de studie van de geëxporteerde zelfbeelden, het goed deed in publicaties en cursussen, als tak van de vergelijkende literatuur- en cultuurwetenschap. Maar ‘imagologie’ veronderstelt natuurlijk dat deze te vergelijken culturele identiteiten ook ‘bestaan’. Welnu, de marxistische component van het postmodernisme aanvaardt dit niet. Vooral de Vlaamse culturele en politieke entiteit heeft geen bestaan, en een herbevestiging van België is het middel bij uitstek om dit niet-bestaan aan te tonen. Alsmede, natuurlijk, een boycot van manifestaties waaruit dit bestaan wel eens zou kunnen blijken.

Om op de uitgangsvraag terug te komen: wie lijdt hier aan een gewrongen verhouding tot de kunsten? Vorig jaar stelde theaterman Guy Cassiers voor om een kunsteffectenrapport te schrijven. Het werd hem door het krantencommentariaat ontraden. Met politici, en al zeker met Vlaamse politici, praat men niet, werd hem verordend. Het rapport kwam er dan ook niet. Het werd algauw vervangen door een bijeengesprokkeld brievenboek, De hemel van de verbeelding, dat omwille van de medewerking van de prominent figurerende Mark Eyskens, nog snel voor de verkiezingen moest verschijnen. Geïnstrumentaliseerd tot en met.

Camp en bias

In mijn herinnering ontstond de nieuwe Vlaamse belgitude ergens in het begin van de jaren 1980, toen twee door mij gewaardeerde collega’s van de VRT-redactie, Jef Lambrecht van de radio en Geert Van Istendael van de televisie, als het ware als conceptkunstenaars begonnen te colporteren met tricolore hebbedingetjes, meestal kartonnetjes met Belgische vlaggetjes. Waren het bierviltjes? Misschien werd toen ook al de vaderlandreddende friet verheerlijkt. De belgitude, die niet meer is dan het sentiment bij het belgicisme, presenteerde zich vooreerst als grap en als ‘camp’. België was ‘camp’. Camp is wanneer linkse belgicistische cultuurdragers de monarchie omarmen. Wat eertijds als bedoelde farce begon, kan straks als onbedoeld melodrama eindigen. We zijn een kwarteeuw verder, de leuzen worden holler, en de camp wordt serieus en bitsig.

Waar leidt het dualisme in dit camp-spel heen? De polarisering is welhaast groter dan die in de politiek. Men kan zich moeilijk voorstellen dat dit uitloopt op ofwel algehele vervreemding en irrelevantie van kunst en cultuur bij het grote publiek, ofwel op totale uitdoving van de Vlaamse Beweging door toedoen van de kunsten. Het gaat immers om onmeetbare eenheden, onderling ook niet te vergelijken. De ene kan niet ‘winnen’ van de ander. Deze blijvende onmin stelt ons niet alleen op scherp, ze vergiftigt ook sociale en persoonlijke relaties. Niet dat ik me een wereld zonder discussies wens, maar vandaag lopen de meeste discussies door het kluwen van wederzijdse verdachtmakingen faliekant af. Daarbij ben ik van oordeel dat de klacht die ik hier formuleerde, wel ruim verspreid is onder de bevolking, maar zelden haar plaats krijgt in de media. Daarom spreek ik van het politiek correcte cultuur- en mediacomplex, waarbij cultuur en media in hun correctheid nog nauwelijks te onderscheiden vallen.

Waar leidt het dualisme in dit camp-spel heen? De polarisering is welhaast groter dan die in de politiek

Vaak gaat het om een diep geloof, om wat men in het Engels bias noemt: tendensen en prerationele neigingen. Hoe krijgen we daar nu wat rationele orde in? Wat historisch perspectief zou al helpen. Ik vind de geschiedenis van links niet alleen boeiend, maar ook noodzakelijk om de posities van vandaag te begrijpen. Zou men misschien eens hetzelfde willen doen met de geschiedenis van de Vlaamse natiewording? Ten tweede zou een flinke dosis comparatisme, de leer der vergelijkingen, ook al wat rommel aan de kant kunnen zetten. Het zou misschien komaf kunnen maken met de pseudo-linkse overtuiging dat Vlaanderen zo uniek was in zijn collaboratie, dat dit land het enige in Europa lijkt te zijn dat meer met de Duitsers heeft gecollaboreerd dan de Duitsers met zichzelf. Ten derde zou een realistische opvatting van identiteit kunnen vermijden dat dit concept te pas en te onpas tegen dit land wordt gebruikt. De anti-eigenheidshouding van de culturele wereld verbaast, omdat culturele interesse juist de aanvaarding betekent van de complexe dialectiek van identiteiten intern en onderling, dus niet alleen van identiteiten van nieuwe burgers.

En ten slotte weten we allemaal dat het communautaire probleem na een rustpauze toch weer terugkomt. Het zou goed zijn als iedereen zou beseffen dat dit institutionele probleem draait om een betere democratische staatsordening, en dat dit weinig of niets te maken heeft met kunst en cultuur, en nog minder met de keuze tussen rechts en links. Het gaat in het Belgische geval wel om de keuze van de ruimte waarin democratische politiek zich hoort af te spelen. En die wordt bepaald door één alomvattende vraag, namelijk: waar speelt de democratie zich af? Als het antwoord daarop gegeven is, kunnen we beslissen waar we deze democratie het best organiseren. Dan kunnen we eens echt van mening verschillen.

 

Foto (c) Reporters

Deze tekst maakt deel uit van het project ‘Voorrang van Rechts’ van het Tijdschrift rekto:verso, tijdschrift voor cultuur en kritiek. Over een aantal overtuigingen in deze tekst gaat de dialoog online verder op rekto:verso en op Doorbraak.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Jean-Pierre Rondas

De auteur is voorzitter van Stem in 't Kapittel vzw, de uitgever van Doorbraak