Geschiedenis

Verkiezingen die geschiedenis schreven

Vooruitblikken in het verleden

Nu het land zich stilaan opmaakt voor een lange kiescampagne voor de gemeenteraadsverkiezingen in 2018 en de Vlaamse, federale en Europese verkiezingen in 2019 blikken we terug op enkele memorabele verkiezingen uit het verleden. Want hoewel sommigen verkiezingen blijkbaar niet meer van deze tijd vinden, blijft het nog steeds een uitermate geschikt systeem om de politieke krachtsverhoudingen vast te stellen, op een ordentelijke manier een machtsoverdracht te organiseren en de politiek niet uitsluitend in handen van een beperkte elite te geven – iets waar ieder alternatief vroeg of laat op uitdraait.

Machtswissel

Dat een verkiezing de machtsverhoudingen voor lange tijd kan duidelijk stellen bleek op 10 en 17 juni 1884. Het Belgisch kiessysteem zag er toen wel behoorlijk anders uit dan nu. De verkiezingen van 1884 speelden zich af in volle schoolstrijd. De liberale regering Frère-Orban II, een regering die geheel uit vrijmetselaars bestond, wou het onderwijs uit de greep van de katholieke kerk halen. Het resultaat was echter vooral dat de katholieken afgetekend de verkiezingen wonnen. Als gevolg werd de liberale regering vervangen door de katholieke regering Malou II. Daarop volgden 32 jaar van homogene katholieke regeringen, tot in 1916 omwille van de oorlog de regering werd verruimd met liberalen en socialisten. Daarna leverden de katholieken nog steeds de premier tot het korte intermezzo van de liberale premier Janson en de socialistische premier Spaak in 1937 en 1939. Maar beide regeringen hadden maar een levensduur van enkele maanden. De liberalen, die in het midden van de negentiende eeuw verschillende homogeen liberale regeringen hadden geleid zouden moeten wachten op de verkiezingsoverwinning van Guy Verhofstadt op 13 juni 1999 om een premier te hebben die meer dan een jaar aan de macht was.

De samenstelling van een kiezerskorps bepaalt natuurlijk de verkiezingen. In België is de evolutie van een beperkt kiezerskorps naar algemeen stemrecht moeizaam en bij momenten zelfs bloedig verlopen. in 1830 bestond het kiezerskorps voor de Kamer uit niet meer dan 46.000 man. In 1893 kwam er dan algemeen meervoudige stemplicht om dan in 1919 ongrondwettelijk te veranderen in de algemene enkelvoudige stemplicht. Maar dat gold enkel voor mannen. Vrouwen kregen geen stemrecht. Nochtans werd dat in discussies over hervormingen van het stemrecht regelmatig op tafel gelegd door de katholieken. De redenering was dat vrouwen meer onder invloed zouden staan van de clerus en dus eerder katholiek zouden stemmen. Net om die redenen waren de liberalen virulent en de socialisten tactisch tegen het stemrecht. Uiteindelijk zou de socialistisch-christendemocratische regering Spaak IV de algemene stemplicht voor vrouwen invoeren. De verkiezingen van 26 juni 1949 waren de eerste verkiezingen waar vrouwen mee konden stemmen. De christendemocraten behaalden een absolute meerderheid in de Senaat en samen met de liberalen een zeer ruime meerderheid in de Kamer. Niet dat dat daarom een stabiele regeringsperiode inluidde, want tot aan de verkiezingen van 1954 kende het land maar liefst vier verschillende premiers.

Winnen en verliezen

Grote verkiezingsoverwinningen leiden niet noodzakelijk tot een lange en stabiele regeerperiode. Dat ondervond ook de Gaulle na 1968. De studentenrevolte van mei ’68 had hem in serieuze problemen gebracht. Door de hevige studentenprotesten en grootschalige stakingen was het land virtueel tot stilstand gekomen. Toen op 29 mei De Gaulle de ministerraad annuleerde en naar de troepen in Duitsland reisde om daar steun te gaan vragen leek zelfs het politieke bestel in elkaar te zakken. Een dag later was De Gaulle terug, hield een televisietoespraak die honderdduizenden supporters op de been bracht, ontbond het parlement en schreef nieuwe verkiezingen uit voor 23 en 30 juni 1968. Die verkiezingen won hij met de grootste meerderheid uit in de Franse geschiedenis. Maar het bleek geen blijvende persoonlijke overwinning. Nog geen jaar later overspeelde hij zijn hand door zijn persoonlijke politieke lot aan een referendum over een grondwetsherziening. Hij verloor en trad meteen af.

Niettemin kan een verkiezing winnen een president een zeer grote legitieme basis geven. Dat bewees Jeltsin toen hij op 12 juni 1991 het eerste democratisch verkozen staatshoofd van Rusland werd. Die verkiezing was het gevolg van de soevereiniteitsverklaring die door het Congres van volksafgevaardigden van de Russische Socialistische Sovjetrepubliek op 12 juni 1990 had gestemd. Die verklaring dat de wetgeving van de Russische republiek voortaan prioriteit zou hebben op de wetgeving van de Sovjetunie. Op 17 maart 1991 besliste een referendum in Rusland dat het land een verkozen president moest krijgen. Jeltsin behaalde met 58% een grote overwinning, een overwinning die hem voldoende aanzien, legitimiteit en autoriteit gaf om in augustus 1991 de hoofdrolspeler te worden in het doen mislukken van de poging tot staatsgreep van een aantal communistische hardliners de macht wilden grijpen. Jeltsin kwam als grote overwinnaar uit de confrontatie, meteen was ook het lot van de Sovjetunie bezegeld.

En als er geen verkiezingen mogelijk zijn moet het volk op een andere manier zijn ongenoegen laten blijken. Dat deden de Berlijners toen ze op 17 juni 1953 op straat kwamen om te betogen tegen het DDR-regime tot Russische tanks aan het protest een bloedig einde maakten. Het verleidde Bertold Brecht tot het giftige gedicht Die Lösung:

Nach dem Aufstand des 17. Juni
Ließ der Sekretär des Schriftstellerverbands
In der Stalinallee Flugblätter verteilen
Auf denen zu lesen war, daß das Volk
Das Vertrauen der Regierung verscherzt habe
Und es nur durch verdoppelte Arbeit
zurückerobern könne. Wäre es da
Nicht doch einfacher, die Regierung
Löste das Volk auf und
Wählte ein anderes?

Verkiezingen: het is inderdaad maar een kwestie van wie wie kiest.

 

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans