Geschiedenis, Multicultuur & samenleven

Vlaamse auteurs houden Vlaams pleidooi

De Verklaring van de Acht

25 mei 1976. Op de viering van het tienjarige bestaan van het Overlegcentrum van Vlaamse Verenigingen (OVV) werd de Verklaring van de Acht voorgelezen door Marnix Gijsen. De Verklaring was een manifest van de Vlaamse schrijvers Louis Paul Boon, André Demedts, Jan Albert Goris (alias Marnix Gijsen), Hubert Lampo, Maria Rosseels, Gerard Walschap, José J.M. Aerts (alias Albert Westerlinck) en Cyriel Coupé (alias Anton Van Wilderode). OVV-voorzitter Aloïs Gerlo – voormalig VUB-rector en socialist – lag mee aan de basis van het initiatief.

Daarmee sprak de kruim van de Vlaamse literatuur zich toen uit voor samenwerking tussen het Vlaamse en het Waalse gewest, met respect voor de taalgrens en voor de grenzen van het Brusselse gewest. We kunnen ons vandaag een gelijkaardig standpunt niet meer voorstellen.

Eerder hadden de ‘letterkundigen’ (zoals dat toen nog heette) Stijn Streuvels en Herman Teirlinck zich in 1959 al tot de Vlamingen gericht in een open brief. In die traditie en ‘namens de vele duizenden die hun stem niet kunnen laten horen’ namen de auteurs hun verantwoordelijkheid.

Kern van de boodschap: Brussel. En de ‘lichtzinnigheid, de laatdunkendheid, ja, het cynisme, waarmede men telkens weer het probleem Brussel schijnt te willen aanpakken. (…) Iedereen zou moeten weten dat Brussel geografisch geen grensstad is, maar aan alle zijden omgeven is door het Vlaams grondgebied; dat Brussel historisch een Vlaamse stad is, even Vlaams als Antwerpen en Gent, en dat zijn wereldvermaard cultureel patrimonium Vlaams is. (…) ‘Iedereen zou moeten weten dat de verfransing van Brussel van recente datum is en dat die verfransing geen natuurlijk verschijnsel is geweest, maar door sociaal-economische druk werd afgedwongen. Dat de Vlamingen deze stad niet volledig willen herwinnen, dat zij rekening houden met het feit der francofone bevolking, is het sprekend bewijs van hun grote gematigdheid, redelijkheid en werkelijkheidszin. Dat is hun grote en bestendige toegeving.’

Aanleiding voor de open brief waren de standpunten en gesprekken langs weerszijden van en over de ondertussen in 1961-’63 vastgelegde taalgrens omtrent de eventuele uitbreiding van Brussel met faciliteitengemeenten, dan wel met morzels Vlaamse gemeentegrond. Al in de gesprekken die Vaast Leysen voerde, en waar we de kiem in zien van het Egmontpact in 1977, leek er aan Vlaamse kant openheid te bestaan om wijken van onder andere Sint-Pieters-Leeuw, Vilvoorde en Grimbergen, aan Brussel te geven. 

Net daartegen verzetten de Vlaamse auteurs zich. Ze hielden een sterk pleidooi voor de onschendbaarheid van het Vlaamse grondgebied. Het ‘gesjacher met Vlaamse mensen en met Vlaams grondgebied rondom Brussel moet ophouden’, lezen we. De tekst sluit af: ‘Voor het welzijn van ons volk en voor de staat waarin wij leven, achten wij het bijgevolg noodzakelijk dat de nu getrokken grenzen tussen Vlaanderen, Wallonië en het Brussels gewest van de 19 gemeenten, onaantastbaar blijven. Dan alleen is een vreedzame overeenkomst mogelijk, die het Vlaamse en Waalse volk toelaat, door eigen beleid, de eigen toekomst naar best vermogen op te bouwen.’

 

Foto: Marnix Gijsen.

 

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans