Advertentie
Economie
belastinghervormingen

Vroege nieuwjaarsbrief

Op 25 november raakte bekend dat minister van financiën Johan Van Overtveldt aan de Hoge Raad van Financiën (HRF), afdeling fiscaliteit en parafiscaliteit (verder HRF) heeft gevraagd een ‘grote belastinghervorming’ voor te bereiden tegen eind 2018.

‘De studie kan de bouwstenen aanreiken waar een volgende regering mee aan de slag kan. De hervorming moet het verschil tussen werken en leven van een uitkering groter maken. Daarbij moeten de fiscale aftrekken en de belastingtarieven onder de loep worden genomen. Het moet gaan om een belastingvereenvoudiging en -verlaging. Die moet worden betaald door een ‘gedeeltelijke of volledige verschuiving naar andere belastingen.’

Werken moet meer lonen. ‘Nu is het verschil tussen werken en niet-werken nog te klein. De “inactiviteitsvallen” moeten worden weggewerkt. Daarom moet de belasting op werken naar beneden, eventueel gecombineerd met de verhoging van andere vormen van belastingen.’

Na de tax shift vertelde minister van Financiën Johan Van Overtveldt dat het ging om ‘de grootste fiscale hervorming sinds 1963’. Blijkbaar is hij nog niet tevreden met zijn plaats in de belastinggeschiedenis, maar dat terzijde.

Belastinghervormingen komen zelden uit het fornuis van de HRF

Het kan nooit kwaad om advies te vragen. Men kan er iets uit leren. Men kan er tijd mee winnen en ondertussen de indruk wekken dat men de problematiek ter harte neemt. In de politiek heeft de vraag naar studies dikwijls een ander doel dan kennisnemen van de conclusies. Zo vroeg Reynders, toenmalig minister van Financiën in juli 2000 aan de HRF te onderzoeken in welke mate de huidige aftrekmogelijkheden gehergroepeerd konden worden tot een beperkt aantal korven. De belastinghervorming van paars-groen kwam er zonder het advies af te wachten. Bij de publicatie van het advies in november 2002 was de belastinghervorming al beslist en schreef de HRF ‘alhoewel deze hergroepering van deze aftrekken soms werd voorgesteld als een van de krachtlijnen van de belastinghervorming, is zij thans daarvan volledig losgekoppeld’. Er is verder niets gebeurd met het advies.

Wie herinnert zich nog dat Koen Geens, toen minister van Financiën, in november 2012 de HRF had opgedragen om ‘een grondige denkoefening aan te vatten over de manier waarop de fiscale regeling in ons land moet evolueren om rekening te houden met het nieuwe institutionele kader, teneinde dit belastingstelsel billijker te maken en belastingen op inkomsten uit arbeid te verschuiven naar andere soorten belastingen, zodat in de mate van het mogelijke een strategie inzake jobcreatie, groei en duurzaamheid uitgevoerd kan worden’.

Dat resulteerde in het rapport met de titel Een tax shifting ten voordele van arbeid en bredere belastinggrondslagen scenario’s voor een globale en significante belastinghervorming (augustus 2014). Zaken zoals de flat tax, huwelijksquotiënt en dual income taks die de jongste tijd in de aandacht kwamen, het staat allemaal in dat rapport… van de HRF.[1]

Rapport van 2014

Het rapport leert onder meer dat indien men de inkomstenbelastingen op arbeidsinkomen wil verlagen er grosso modo twee pistes zijn die ‘voldoende ruimte’ kunnen opleveren.

De eerste piste behelst een meer uniforme btw waarvan de opbrengst zou worden bestemd voor de financiering van een verlaging van de inkomstenbelasting. De tweede piste betreft een verbreding van de grondslag van de inkomstenbelasting.

Het voornaamste verbredingspotentieel inzake btw zou voortvloeien uit de afschaffing van de verlaagde btw-tarieven (12, 6 en 0 %). Daarmee zou de opbrengst van de btw met ongeveer een derde verhogen of ongeveer 10 miljard euro kunnen verhogen.

Het herverdelend effect van de verlaagde btw-tarieven is gering. Bovendien zou de afschaffing van deze verlaagde tarieven gecompenseerd kunnen worden door de toekenning van een vast bedrag per persoon. Deze compensatie kan in de personenbelasting gebeuren.[2]

De btw-verhoging zou een aanzienlijk effect hebben op de inflatie (+ 3 punten) en zou een neutralisering van de impact op de indexering veronderstellen, vermits de compensatie via de personenbelasting gebeurt.

Ook zonder die btw-verhoging blijkt België uit prijsvergelijkingen voor de betrokken producten met de buurlanden niet gunstig uit te komen. Daardoor en via het aanzienlijke effect op het inflatietempo zouden er bij zulke hervorming volgens de HRF ‘belangrijke overgangsproblemen’ zijn.

Uniforme belasting op inkomsten uit sparen

Een tweede piste is het verbreden van de grondslag van de personenbelasting. Ten opzichte van het uitgangspunt dat de draagkracht overeenstemt met de som van alle inkomsten, na aftrek van de kosten, en van de reële waardestijging van het vermogen, kent de huidige belastinggrondslag meerdere tekortkomingen.

Er bestaan tal van bijzondere stelsels voor extra-salariale voordelen waarvan de bedrijfswagen niet de minste is. Volgens de EU heeft de voordelige behandeling van bedrijfswagens een budgettaire kost van 3,75 miljard of 0,9 % van het bbp in 2016.[3]

Voorts integreert de actuele belastinggrondslag het vermogensrendement slechts gedeeltelijk, daardoor wordt het inkomen uit vermogen in België in vergelijking tot andere landen minder zwaar belast.[4]

Voor wat de onroerende inkomsten betreft, komt de belangrijkste afwijking voort uit het feit dat de inkomsten uit ‘privé verhuring’ gewaardeerd worden op basis van een geïndexeerd en gerevaloriseerd kadastraal inkomen en niet op basis van de netto huuropbrengst na aftrek van kosten.

De intresten op spaarboekjes[5] en meerwaarden op roerend en onroerend vermogen worden niet onderworpen aan belasting.

De HRF pleit voor een uniforme belasting op de inkomsten uit sparen. ‘Zowel wat betreft lopende vermogensinkomsten als meerwaarden kunnen alleen het reëel bestandeel, d.w.z. de nominale bedragen gecorrigeerd voor geldontwaarding, als inkomens worden beschouwd.  Deze uniforme belastingheffing op de spaarinkomsten kan geschieden door globalisatie of door ons stelsel te laten evolueren naar een stelsel van duale belasting. De eerste optie zou vereisen dat de geldontwaarding op systematische wijze in rekening wordt gebracht, terwijl de tweede optie het mogelijk zou maken hetzelfde resultaat op een eenvoudige manier te benaderen: een belasting tegen b.v. 25% van de nominale vermogensopbrengst sluit, op middellange en lange termijn, aan bij een belasting van de reële opbrengst tegen 50%.[6] De effectieve belastingvoet van de inkomsten uit spaargelden zou dus dicht aanleunen bij het hoogste marginale tarief van de inkomstenbelasting. Een dergelijke oplossing is niet zo perfect als globalisatie van het reële inkomen maar is wel minder ingewikkeld’.

Een afzonderlijke proportionele belasting is daarenboven beter aangepast aan schommelende inkomsten: vermogensinkomsten en zeker meerwaarden zijn veel minder dan inkomsten uit arbeid + vervangingsinkomens stabiel in de tijd. Een belasting op occasionele inkomsten op basis van een progressief barema is niet gerechtvaardigd.

‘Een uniforme belasting van verschillende vormen van spaaropbrengsten (inkomsten en meerwaarden) heeft verschillende voordelen: een dergelijke hervorming vormt een “win-win” wat de afweging doeltreffendheid versus billijkheid betreft en ze biedt een belangrijke bewegingsmarge om een daling van de belastingdruk op de inkomsten uit arbeid te financieren. Het is eigenlijk de voornaamste marge die werd geïdentificeerd.’ Volgens de HRF is een kleine 6 miljard aan bijkomende inkomsten mogelijk.

Belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomens

Tussen de lijnen kan men vermoeden dat Van Overtveldt de belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomens op de helling wil zetten. Die fiscale uitgaven kosten volgens jongste raming 4,6 miljard euro en komen vooral gepensioneerden ten goede. Hierover schreef de HRF ‘voor de belastingvermindering op vervangingsinkomsten kunnen we moeilijk voorstellen dat, voor de sociale basisuitkeringen, de belastingverminderingen worden afgevoerd zonder het brutobedrag aan te passen om zo eenzelfde vervangingsratio te behouden. De vervangingsratio’s voor de sociale minima zijn namelijk niet bijzonder hoog in internationaal opzicht en die van het wettelijk pensioen gaan sinds meerdere decennia achteruit door het ontbreken van een systematische welvaartsaanpassing.’

Illusie

Belastinghervormingen met aanzienlijke, snelle effecten op de groei en de werkgelegenheid bestaan niet. Belastinghervormingen kunnen wel grote effecten hebben op de inkomens-en vermogensverdeling, en de begrotingstoestand. Budgetneutrale hervormingen blijken in de praktijk niet zelden toch een gat te slaan (zie bijvoorbeeld de taks shift-operatie). Zo’n budgettair probleem verdwijnt nooit vanzelf.

Rekening gehouden met de begrotingstoestand zou een belastinghervorming minstens opbrengstneutraal moeten zijn. Principieel wordt de discussie over de omvang van de overheidsuitgaven best gescheiden van de discussie hoe de middelen daarvoor moeten worden verzameld.

In de theorie over belastinghervormingen is de verbreding van belastingbasissen prominent aanwezig. Volgens de HRF ‘vertoont ons land de karakteristieken van een belastingstelsel met hoge tarieven en enge grondslagen’ maar in de praktijk van de regering-Michel gaat het dikwijls anders zie o.a. de mobiliteitsvergoeding, de fexi-jobs en de 500 euro onbelast bijverdienen voor vrijwilligerswerk.

De hoop op een simpel en politiek gemakkelijk realiseerbaar antwoord blijft branden, maar is een illusie.

—-

[1] En vroegere rapporten.

[2] Ook onder vorm van terugbetaalbaar belastingkrediet voor wie onvoldoende inkomstenbelasting betaalt.

[3] S.Princen, Taxation of comany cars in Belgium. Room to reduce their favourable treatment, European Economy Economic Brief 026, May 2017.

[4] Dat België in de Europese statistieken inzake belastingen op kapitaal relatief hoog scoort, heeft te maken met de relatief hogere belasting op vermogenstransacties en overdrachten (registratierechten en erfbelasting).

[5] Door de vrijstelling van de eerste schijf van 1.880 euro per persoon. Dat bedrag zou vanaf 2018 worden verlaagd tot 940 euro. Wat bij de huidige rentetarieven nog steeds een de facto vrijstelling zou zijn.

[6] Als men ervan uitgaat dat op middellange tot lange termijn de reële opbrengst en de inflatie elk de helft vertegenwoordigen van de nominale opbrengst.

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans