fbpx


Literatuur

Vrolijke lijdensweg

Dagboekaantekeningen (25)


De Nunvlinder, Orthosia Gothica, met de Engelse bijnaam 'Hebrew Character'

Woensdag 24 juni

Om mijn leven te rekken slik ik nog voor de eerste kop koffie duizend milligram vitamine c, een cardioaspirine, een zinktablet en een capsule levertraan, maar nu is de levertraan op… en reeds haast ik me naar mijn apothekeres, maar ze wacht op een levering en heeft alleen maar levertraan in flesjes. Weer thuis schroef ik de dop van mijn traditionele, uit bruin glas vervaardigde flesje, vul een lepel en slik, waarbij ik onwillekeurig mijn ogen sluit.
De levertraan heeft een even krachtige uitwerking als het welbekende Parijse koekje; ik proef de lever van een dode kabeljauw en het is de walgelijke smaak uit mijn gezegende kindertijd: mijn moeder staat voor me en zegt ‘knijp je neus maar dicht’ en giet de substantie met een knikje van haar pols in mijn gehoorzame strot, en om een onverklaarbare reden legt mijn geheugen voor de rest van mijn leven dat beeld vast, die smalle pols van mijn moeder, met eromheen een gouden schakelarmband…
Dank je, levertraan.
Maar waarom dit beeld?
De armband speelt verder geen rol in mijn leven. En wat drukt mijn moeders fragiele witte pols uit: de kwetsbaarheid van haar matriarchaat, haar lieftalligheid, de ouderwetsheid van mijn jeugd – al dat onverhoeds uit zijn waas te voorschijn tredende vroeger? Of symboliseert dit toneeltje juist niets, is het gewoon wat het is, zichzelf, een kleine jongen, vieze levertraan, een lieve stem, een dunne pols, een gouden kettinkje, dit alles samengeperst tot een zintuiglijk mengsel en uit een flesje van Boots Pharmacy gegoten?
De wezenlijke vraag – en de reden waarom ik deze anekdote vertel – is van filosofische aard, namelijk of de dingen alleen maar zijn; of dus het symbool, dat snoepgoed van de dichter, een leugen is die helaas veel beter smaakt dan levertraan.

Donderdag (de sterftecijfers dalen)

U denkt misschien: dat heertje wandelt maar in zijn pastorale omgeving, overdenkt op zijn gemak wijsgerige kwesties, fluit zijn honden, bestijgt thuis zijn aantrekkelijke vrouw; voorts heeft hij een briljante zoon en een beeldschone schoondochter… och, och, wat heeft die kerel het goed getroffen, om te beginnen met zichzelf! Die kent geen leed… Goed, zijn dochter is omgekomen in autowrak, maar is dat niet bijna een literair motief geworden, iets om op het gepaste moment… nu, niet mee uit te pakken, dat is al te gortig, maar toch aan beschaafd openbaar rouwbeklag te doen?
En u begint zich af te vragen of die Joy niet ook soms een kutwijf is of wat die Joy van haar man vindt, of ze die niet af en toe een grote klootzak vindt…
Laat ik mezelf tot de grootst mogelijke openhartigheid dwingen.
Uit een aangeboren onwil tot l’étalage du moi schrijf ik nauwelijks over mijn intieme gevoelens in dit dagboek. Het dient namelijk om niet over mezelf en mijn gemoedstoestand te schrijven. Het is mijn protest tegen de psychologisering, die van ons eist dat wij ons eigen zelf als hoogste instantie beschouwen, een god om aan anderen te openbaren. Weg met de courante dwingelandij! Overigens is mijn hoofdpijn niet interessant, net zomin als mijn figuurlijke kopzorgen.

Ik houd een literair dagboek bij – andere literaire dagboekschrijvers zijn mijn zielsverwanten. Het schept zijn eigen lezers, die intelligent genoeg zijn om te beseffen dat het woord ik in een literaire tekst altijd een personage is. De held van dit werk heet ik.
Dat wil niet zeggen dat de ik die zich achter mijn held verschuilt niet soms gekweld wordt door angsten, dat niet soms een zwijgende duisternis hem omringt, dat de bodem onder zijn voeten niet soms als drab aanvoelt… Ik verveel u alleen liever niet met datgene waarmee ik u zojuist verveeld heb, want wat schiet u ermee op dat te weten?
Ik twijfel. Misschien moet ik met het oog op het clair-obscur u toch vertellen dat ik mijn held, mijn gelukkige landjonker, mijn door mijzelf ontworpen ik-vorm nu eens ergerlijk, dan weer potsierlijk vind, maar tegelijk ook scherpzinnig en geestig; kortom, een waardig personage, dat best in een roman zou kunnen optreden. En nu ik toch bezig ben: laat me ook maar wat kijvende Joy opvoeren, de vrouw van de held, die een kenau kan zijn, een harpij, dragonder, haaibaai, virago, viswijf… (vooral de woorden om haar te beschrijven wanneer ze zich zo gedraagt interesseren me).
En Christopher, de door mij grootgezongen zoon, kan onuitstaanbaar pedant zijn; en de schattige Hayley is ook wel eens een onontwikkelde provinciale trut.
Ziehier de keerzijde, wanneer mijn groene valleien zwart worden, de honden zich verbergen onder het bed, de merel op het dak verstomt.

‘s Nachts (dat etaleren van mijn privéleven houdt me uit de slaap)

Experiment: bevriend raken met iemand die je werk niks vindt (keus te over).

Vrijdag

‘Via het skeuomorfiseren van het machtsdiscours, dus het versplinteren van de dominerende functie, trekt Van der Graaff de agency, de affordance, de handelingsmogelijkheid van het vervreemde subject weer terug naar zichzelf. De machteloosheid en onthechting van het subject in het neoliberale Nederland wordt zo, tenminste in de taal, weer naar het individu getrokken.’
Ik ben vergeten te noteren wie de schrijver van het bovenstaande is – als ik me niet vergis, stuurde Huub Beurskens me dit citaat (het is afkomstig uit een recensie) als een voorbeeld van de stompzinnigheid van bepaalde literatuurwetenschappers. Het komt uit de wereld van de academische karikatuur, het continent van de oncreatieve intelligentie, het land van de zogenaamde diepzinnigheid, de provincie van de talentloosheid, het dorp geouwehoer, het huisje ontevree van wie niet kan aanvaarden dat hijzelf niet begaafd is. Hij (het was een man) verzint een dystopisch Nederland, waar een teergevoelige dichter ruwhartig van zichzelf vervreemd wordt door een monster dat geen gelukkige onderdanen duldt.
Haha… Mama, waar ben je? Heb je geen beter sprookje voor me?

Uit een mail van Daniel Hugo

‘Fok die literatuurteorie – al wat nodig is, is gesonde verstand, fyn aanvoeling en belesenheid…’

Zondag

De energiemaatschappij stuurde me een bezorgde mail: of ik wel wist dat ik in deze moeilijke tijden meer energie verbruikte – en als ik bepaalde gevoelens had… als ik een haardroger in mijn bad wilde laten vallen of mijn kop in de oven steken, kon ik nummer zus en zo bellen.
Ik las de mail nogmaals. Onder de naam van de afzender, een John Starkie, stond zijn taakomschrijving: Vulnerable People Officer.
Ik knipperde met mijn ogen en belde de energiemaatschappij.
‘John speaking.’
‘Bent u de heer Starkie?’
Hij was de heer Starkie. Wat formele beschietingen gingen aan ons gesprek vooraf – ik moest eerst met behulp van persoonlijke informatie bewijzen dat ik de kwetsbare persoon was die ik beweerde te zijn.
‘How can I help?’ glimlachte de telefoon.
De sukkel! Hij wist niet wat hem te wachten stond.
‘Ik verkeerde in de veronderstelling, meneer Starkie, dat u en ik een contract hadden. U levert mij gas en licht en ik betaal de rekening. Nu blijkt dat u ook dominee of, vele malen erger, therapeut bent, en dat u zich over kwetsbare mensen buigt. Waarom beschouwt u mij als kwetsbaar als ik vragen mag?’
‘Iedereen boven de zestig valt bij ons in die categorie. Het spijt me, meneer Barnard.’
‘Denkt u nu echt dat ik op mijn zestigste verjaardag het vermogen verloor zelf mijn energieverbruik te beoordelen? Iedereen is kwetsbaar! Iedereen, idioot die je bent! Straks rijd jij naar huis en drie weken later word je wakker in het ziekenhuis stomkop godverdomme de meest elementaire waarheid omtrent de mens is je onbekend jij dwaas hebjesomsliteratuurgestudeerd…’

Zondagavond (maar vierendertig coronadoden vandaag)

Ik had een droom. Mijn vader ontmoette Martin Luther King en ging voor hem op één knie, zoals Christopher voor Hayley, zwarte atleten voor hun geschiedenis, de schildknaap voor de koning die hem tot ridder zal slaan.
‘How can I help, Father King?’ zei mijn vader.
‘Preach the gospel of the multicoloured Christ,’ antwoordde King.

Dinsdag

Wij denken fundamenteel magisch. Vandaar dat bepaalde woorden niet uitgesproken mogen worden – zij zouden een ongewenste werkelijkheid creëren, ook als ze enkel uitgesproken worden om duidelijk te maken dat het ongewenste woorden zijn. Vandaar de creatie van het ongelukkige verlichte woord n-woord, vergezeld door zijn onafscheidelijke het als Don Quichot door Sancho Panza.

Woensdag

Jef Geeraerts: duister van onze geschiedenis, vuur van onze onenigheid. Onze zonde, onze ziel.
Zjef-gee-raarts: de zachte druk van de tong tegen het verhemelte en dan het mysterie van de klank die langs de huig schuurt en culmineert in een bevredigend vibreren van de hele mondholte… Zjef. Gee, raarts.
Jef.
Schrik van de Congostroom. Minnaar van de zweep. Neuker der negerinnen.
Kende ik Jef? We maakten elkaar een paar keer tijdens een literaire festiviteit mee. We voerden ooit een kort gesprek over onze gedeelde liefde voor klassieke muziek. Hij viel op zwarte vrouwen, ik op blonde, maar dat kwam niet ter sprake. Kuis zwegen wij. Zacht knetterde de microfoon. Beschaafd bracht het publiek de handen op elkaar.
Ik ken iemand die hem goed kende, Julien Weverbergh. Volgens Julien placht Jef tomeloos te overdrijven. Als je Jef moest geloven, had hij met zijn blote handen een beer op de grond geworsteld. Als je Jef moest geloven, was Jef een perverse, racistische, seksueel onverzadigbare Jerom.
Jef.
Zijn roman Black Venus (het eerste deel van de Gangreen-reeks) is verwijderd uit de Vlaamse canon. In de commissie die daartoe besloot zetelden Leen Huet en Luc Devoldere. Huet is een schromelijk ondergewaardeerde schrijfster, literair in ieder opzicht superieur aan Geeraerts; Devoldere is een verfijnde Europese intellectueel, een begaafde essayist ook.
Leen, Luc! Vrienden toch! Zelfs als dat van racisme druipende Black Venus een betrouwbaar verslag van het leven van de auteur in Congo was, zelfs al behoorde het neuken van zoveel mogelijk geminachte n-woorden tot de taakomschrijving van de assistent-gewestbeheerder Jef Geeraerts, dan nog is moraliteit een onbruikbaar literair criterium, tenzij je natuurlijk de literatuur wil ontmannen en van alle kwaad verlossen, tot je niets dan zondagsschoolbrochures overhoudt.
Ik zal een voorbeeld noemen, één maar.
Wat dacht u van dat hoogst onzedelijke Lolita, die biecht van een witte patriarchale pedofiele moordenaar, wiens bedenker nimmer zijn handelingen veroordeelt? En ook al is Humbert Humbert dan geen zelfportret van Vladimir Nabokov, de auteur is toch verantwoordelijk voor de gedragingen van zijn hoofdpersoon? Weg met hem! WHITE SILENCE IS WHITE CONSENT! WIT SCHRIJVEN IS WITTE INSTEMMING!
Mag ik even?
Er is maar ÉÉN ENKEL LITERAIR CRITERIUM dat geldigheid bezit, o mijn vrienden, en dat is literaire kwaliteit. NOGAL WIEDES.
Schreeuw ik?
Dat is dan de schuld van de Gentse academicus die indertijd over mijn Dagboek van een landjonker in De Standaard schreef dat het tot die uitzonderlijke boeken behoorde die geen enkele mislukte zin bevatten, maar dat hij het toch maar twee sterren gaf (in plaats van vijf) vanwege mijn zogenaamde ‘conservatieve ideeën’.

Donderdag

Ik vind Black Venus een provinciale poging tot modernisme.

‘s Avonds (boven een leeg glas)

Dode zielen mocht van de tsaristische censuur niet onder die titel verschijnen. Gogol onthulde zelf de reden: ‘dode zielen’ bestonden niet volgens de orthodoxe kerk. Maar uit het boek wordt onmiddellijk duidelijk dat met ‘zielen’ personen zijn bedoeld… hoort u Gogol daarginds in het onmetelijke Rusland smakelijk lachen?
Censuurcommissies worden bevolkt door domoren: ze geloven om te beginnen in censuur.

Boven een tweede leeg glas

Wie niet een paar conservatieve ideeën heeft leest te weinig.

Boven nog een bodempje

Hé, moet er geen komma in die zin?

Vrijdag 26 juni

Een klein papierkleurig motje landt op pagina 217 van Everything Is Illuminated; de rand van zijn vleugeltjes is versierd met donkere streepjes, die op Hebreeuwse kwadraatletters lijken, alsof een miniem stukje talmoed vleugels heeft gekregen en verzelfstandigd naar deze Joodse roman is overgevlogen. Ik pak een vergrootglas. Ik tuur. Er staat: alles moet blijven zoals het nooit geweest is.

Voetnoot bij de derde notitie van gisteren

Een conservatief is iemand die in de morsige, verre van volmaakte Donaumonarchie het absolute tegendeel van het Derde Rijk herkent; iemand die begrijpt dat het Derde Rijk een staat geworden utopie was.

Tweede voetnoot bij de derde notitie van gisteren

Zalig de conservatief die de spot drijft met zijn eigen conservatisme (Joseph Roth). Wee de conservatief die net zolang doet of hij zichzelf serieus neemt tot hij zich niet meer kan herinneren dat hij dat ooit is gaan doen (Gerard Reve).

Zondag (volgende zondag is er eindelijk weer een kerkdienst)

De literatuurwetenschapper Ulla Musarra definieerde het autobiografische schrijven als ‘de strategieën die het subject gebruikt om door zelfbespiegeling zich een idee van de eigen persoonlijkheid te vormen’ (ik citeer dit uit een opstel van Paul Demets).
Wat een gezwets! Deze volksverlakkerij wekt de indruk dat inzicht in ‘de eigen persoonlijkheid’ ooit een literair thema zou kunnen zijn. Zelfs Augustinus schreef uiteindelijk over God. De vrolijke lijdensweg van de schrijver hoort in de spreekkamer van de psychiater thuis, niet tussen de kaften van een boek.

Maandag 29 juni

Als God mij met een bezoek vereerde, zoals Freud in Le Visiteur, zou hij zeggen: ‘Hoe vindt u me? Vermakelijk, deze vleeswording, nietwaar? Ik heb mezelf het hoofd gegeven van uw toekomstige nutteloze biograaf.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Benno Barnard

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.