Cultuur, Multicultuur & samenleven
Essay
Essay

Waarom ik mijn kinderen toch laat dopen

Confessie van een hedendaagse agnost
Christendom

Vier en zes jaren terug werd ik de trotse vader van twee charmante belhamels. Telkens ging dit gepaard met de nodige bubbels en een obligate daddy drink. Een doopsel kwam er niet bij aan te pas. Niet uit militant atheïstische overtuiging, zoals bij sommige van mijn vrienden wel het geval is, maar simpelweg omdat het niet ter sprake kwam en er niemand ooit naar informeerde. Zelfs mijn gelovige grootouders vroegen mij nooit wanneer we ons grut eindelijk boven de vont zouden houden. De desinteresse voor dit eeuwenoude rite de passage, nota bene het belangrijkste van alle christelijke sacramenten, was in mijn sociale kring schijnbaar totaal, wat aantoont hoe vér de secularisering al is doorgedrongen binnen de Vlaamse maatschappij.

Christus

Ironisch genoeg is het datzelfde kleine grut dat mij vandaag opnieuw met de figuur van Christus doet kennismaken. De kleuterjuffrouwen van hun school slagen er immers wonderwel in waar pastoors en pausen collectief in falen: bij mij een hervonden interesse opwekken voor de christelijke moraalfilosofie. Belhamels van vier en zes jaar hebben de kwalijke neiging om in het weekend véél te vroeg op te staan en hun ouders daarna ongevraagd te overvallen met eveneens ongevraagde informatie. Zo ook bij het krieken van afgelopen zondag. ‘Jezus is onze vriend he, papa? En ik ben ook de vriend van Jezus.’ ‘Ja, jongen’, bromde ik terug. ‘En Jezus zegt ook dat je nooit iets mag doen aan een ander kindje, of aan je broer, wat je zelf ook niet graag hebt.’ ‘Inderdaad, jongen!’, repliceerde ik al wat enthousiaster. Die kleine had hier zo maar eventjes uit de losse pols Lucas 6:31[1] geciteerd. Verrekt handig, zo dacht ik bij mezelf, zo’n ideëel personage dat mijn zonen de basisregels van beschaafd gedrag weet bij te brengen. ‘Si Dieu n’existait pas, il faudrait l’inventer’, wist Voltaire al. Ik nam de gelegenheid dan ook onmiddellijk te baat om hem nog meer nuttige vroomheid in te prenten. ‘Weet je wat Jezus nog meer zegt, jongen? Dat je niet meer kwaad mag zijn nadat broer sorry zegt[2], dat je altijd moet delen met hem[3] en dat je moet luisteren naar je papa en mama[4]. Bijvoorbeeld door nu eerst nog een beetje te gaan spelen.’

Het nut van religie

Zonder het te beseffen had het mannetje mij een aha-erlebnis van formaat gegeven. Op een zeer concrete manier confronteerde hij zijn nog soezende vader met het nut van religie voor een samenleving. Via religie worden maatschappelijke basisnormen gesacraliseerd, waardoor ze een externe en quasi onaantastbare legitimiteit verwerven. Die metafysische legitimiteit zorgt er op zijn beurt voor dat het individu die normen gaat internaliseren. Als het ware uit zichzelf, zal hij zijn gedrag aan die normen aanpassen, zonder dat hij daarvoor een extern controlemechanisme behoeft, zoals politie en gerecht, dan wel een kijvende juf op de speelplaats. Indien hij die morele stelregel toch overtreedt, speelt een schuldgevoel op en gaat het geweten knagen. Bijzonder effectief om te komen tot een vrije samenleving. De Franse socioloog Emile Durkheim ging in zijn Les formes élémentaires de la vie religieuse (1912) daarom zover om te stellen dat de gelovige eigenlijk een anonieme, onpersoonlijke kracht aanbidt, die niets anders is dan de samenleving zelf.

Salon-agnosten

Mijn eigen godsbesef heb ik ongeveer gelijktijdig met mijn geloof in Sinterklaas verloren. Tijdens de lagere school bezocht ik de Iguanodons van Bernissart en de gorilla-achtige schedel van de prehistorische ‘Mens van Spy’ in het Natuurhistorisch Museum in Brussel. Grove vergissing van mijn toenmalige katholieke school, want dat maakte voldoende indruk op mij om elk geloof in een scheppende, en daardoor meteen ook in een almachtige en alziende, god te ontnemen. Een kleine tien jaar later werd mijn neef plots en ruw weggerukt uit zijn opbloeiende puberleven. Een ultieme onrechtvaardigheid was dat, die de onmacht van de christelijke god voor mij pijnlijk illustreerde. Wat nog restte aan klassiek godsbesef, is daar in die kerk achtergebleven. En een terugkeer zit er niet meteen aan te komen, tenzij mijn eigen doodsangst of het verlies van een kind mij opnieuw in de armen van de Vader zou drijven, zoals zovelen voor mij al is overkomen. Uiteindelijk zijn we immers allemaal maar salon-agnosten. Een god hoeft tenslotte niet almachtig te zijn om te kunnen troosten. Maar zover zijn we nog niet.

Hoewel ongelovig, ben ik ondertussen wel niet te beroerd om te erkennen dat onze westerse moraliteit enorm schatplichtig is aan het christendom. Sterker, onze moraal is er gewoon het historische product van. Weinig discours kunnen mij meer storen dan de morele pretentie van militante vrijzinnigen. U weet wel, van die lui die menen dat het besef van goed en kwaad van nature in de mens zit ingebakken en spontaan komt bovendrijven eens hij bevrijd wordt van religieuze dwang. Zowel socialisten als liberalen dwepen traditioneel met die gedachte, die zij ‘humanisme’ noemen, en waarrond ze een eigen kerk uitbouwden, het Humanistisch Vrijzinnig Verbond. Een aanmatigende gedachte is dat uiteraard, maar dat hoeft bij het erudiete lezerspubliek van Doorbraak eigenlijk geen betoog. De idee van een aan de mens inherente lekenmoraal, van een ‘universeel moreel DNA’ zo u wil, is niet meer dan modernistische pretentie, voortspruitend uit een zeer fragmentaire lezing van de menselijke geschiedenis. ‘It’s the culture, stupid’, om Bill Clinton te parafraseren. En wie cultuur zegt, die zegt religie, zeker wat moraliteit betreft.

Wat militante vrijzinnigen immers niet beseffen, is dat de kern van de humanistische moraalfilosofie, namelijk de stelling dat elke mens op deze aardkloot gelijk is én waardevol, in feite een uniek christelijke opvatting is. De prechristelijke antieke samenlevingen waren stuk voor stuk gestoeld op een hiërarchisch normbesef, waarbij vrije mannen rechten hadden. Slaven en vrouwen hadden louter plichten. Een slaaf was in het Romeinse Recht geen individu (persona) maar een ding (res). Eigendomsrechten van de ene persoon over een andere waren de normaalste zaak ter wereld. En dat ging gepaard met alles wat daarbij komt kijken. Voor een slaaf in de Oudheid was seksueel zelfbeschikkingsrecht bijvoorbeeld een totale fictie, net zoals het dat vandaag de dag nog is voor vrouwen in grote delen van de islamitische en hindoeïstische werelden. Het waren uiteindelijk de joden die de gelijkwaardigheid van elk individu in de ogen van god hebben uitgevonden, zij het slechts binnen die van hun eigen, uitverkoren gemeenschap. Pas met de leer van Jezus Christus, jawel, is de idee van de gelijkwaardigheid van elke mens op aarde ontstaan. Een gelijkheid die volgens Christus zowel gold voor joden, slaven, hoeren als zelfs de vermaledijde Romeinen. En als god iedereen als zijn kinderen beschouwt, wie is de mens dan om daar anders over te oordelen? De apostel Paulus, die de leer van Christus zou uitbouwen tot een wereldgodsdienst, propageerde die gedachte als cement voor de nieuwe wereldreligie. In zijn Brief aan de Galaten’ schreef Paulus: ‘Er zijn geen joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen – u bent allen één in Christus.’[5] Een ronduit revolutionair idee was dat, uniek zowel in zijn plaats als in zijn tijd. Sterker, het was een idee dat lijnrecht inbeukte tegen de fundamenten van de antieke beschaving. Een idee dat precies daarom door de toenmalige elites actief werd bestreden. Maar het idee ging groeien en bloeien en werd uiteindelijk cultuurbepalend voor het ganse Romeinse Rijk, en daarmee ook voor de voltallige westerse beschaving. Zonder de revolutionaire ‘Bergrede’ die Jezus Christus gaf, ergens op een heuvel in Judea rond het jaar 33, en de verspreiding van zijn leer over het Romeinse Rijk door Paulus, zou er een kleine achttien eeuwen later simpelweg geen Déclaration des droits de l’homme et du citoyen zijn opgesteld. Het is daar, toen en met hem, dat het idee van gelijkheid en menselijke waardigheid, en dus de individuele mensenrechten, het leven zag, niet in de Salle du Jeu de Paume (de Kaatsbaan – red.) in Versailles in 1789, laat staan op de stoep van de Sorbonne in mei 1968.

Hoho, hoor ik nu veel lezers denken, Hold your horses. En de Franse Revolutie dan? Stond daar niet de kribbe van liberté en fraternité, en daardoor van ons humanistische waardenpatroon? Voorheen leefde het volk toch onder de knoet van adel en kerk, onderdrukt, bespuwd en onderworpen? Inderdaad is ons onderwijs er als de kippen bij om te verkondigen dat alles begonnen is met de Franse Revolutie. Dat wordt er ingedramd. Systematisch. Van op de ruwe banken van de middelbare school tot op de volgekraste zitjes van de universitaire auditoria. Deze massamoord – want daar kwam de Franse Revolutie op neer – wordt voorgesteld als dé grote culturele catharsis in de menselijke geschiedenis, als een epische strijd die een einde maakte aan de slavernij van de mens aan God. De waarheid is, zoals steeds, ettelijke malen genuanceerder. Vooreerst kan de feodale standenmaatschappij aan geen kanten teruggebracht worden tot de moraalfilosofie van Christus. De theologische onderbouw daarvoor werd immers pas in de tiende eeuw aangereikt, toen bisschop Adalbert van Laon kwam aandraven met de goddelijke ordening van de maatschappij in oratores (de clerus), bellatores (de adel) en laboratores (het vulgus, het plebs, het hoi poloienfin: u en ik). Moet ik verder gaan? Was de opstand van de Nederlanden tegen Habsburgs Spanje minder bevrijdend dan de Franse Revolutie? Ook in de Republiek van de Verenigde Provinciën heerste gelijkheid voor de wet en streefde men de idee van menselijke waardigheid na, en daarvoor hadden de Kezen geen guillotines of bijbelverbrandingen nodig gehad. Het verhaal van de Franse Revolutie zelf is dan weer helemaal niet zo zwart-wit als voorgesteld in onze collectieve verbeelding. Hervormingsgezinde elementen binnen de clerus vormden zélf een drijvende kracht achter de totstandkoming van de Déclaration des Droits de l’Homme et du Citoyen. De vele revolutionaire priesters[6] die toen aan de kar van de mensenrechten trokken zagen liberté, égalité en fraternité als een logische implementatie van de moraalfilosofie van, jawel, Jezus Christus, net zoals het diezelfde filosofie was die zeventig jaar later Abraham Lincoln zou dwingen tot een hartverscheurende beslissing: zijn eigen land in een bloedige burgeroorlog storten om zo de slavernij af te schaffen. Wie de westerse geschiedenis vol, taboe- en complexloos in het aanzicht durft te kijken, kan niet anders dan besluiten dat de moraalfilosofie van Christus al sinds de eerste eeuw een drijvende emancipatorische kracht vormt, een onstuitbare inspiratiebron, die het Westen in zijn wortels getransformeerd heeft en er ultiem voor gezorgd heeft dat onze maatschappijen staan waar ze vandaag staan: liberale democratieën met gelijkheid voor de wet en waar gezorgd wordt voor wie niet meekan.

Islam

En toch… Ondanks de overduidelijke christelijke wortels ervan, blijven veel westerlingen verstokt pretenderen dat onze fundamentele waarden en normen niet christelijk zijn, maar daarentegen a-culturele morele principes betreffen die ‘onontvreemdbaar eigen zijn aan de mens’. De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, door westerlingen opgesteld en afgekondigd in 1948, past in die gedachte. Opnieuw larie uiteraard, deze keer vermengd met een stevige scheut wensdenken. De culturele en historische uniciteit van ons waardenpatroon is immers al vele eeuwen pijnlijk duidelijk. Amper een half millennium na Jezus Christus was er alweer een nieuwe profeet op het wereldtoneel verschenen. Deze keer ging het om een kamelenhandelaar van de Arabische Qurais-stam, met thuisbasis in Mekka. De nieuwe profeet verwierp het revolutionaire idee van gelijkheid van alle mensen op aarde, gepropageerd door Christus, en keerde terug naar de klassieke, hiërarchische opdeling van de mensheid in geprivilegieerde en onderworpen groepen, die tot dan toe eigenlijk altijd en overal de norm was geweest. Eén geprivilegieerde categorie mensen, namelijk de moslimmannen of ‘broeders’, kregen alle rechten, terwijl de rest slechts een leven vol plichten en onderwerping te wachten stond. Mohammed her-legitimeerde het instituut van de slavernij[7], dat onder invloed van de christelijke theologie in het laat-Romeinse Rijk afgeschaft was[8], en splitste de resterende vrije mensheid op in ‘gelovigen’ en ‘ongelovigen’.[9] De vrouw werd, net zoals de slaaf, elk zelfbeschikkingsrecht ontnomen. Zij werden met lichaam en geest het bezit van de moslimman.[10] Het samenleven tussen al die onderscheiden groepen, en dan vooral de eigendomsrechten van de ene groep over alle andere, werd uitgewerkt in een enorm gedetailleerd wettelijk kader: de sharia. ‘Vroom zijn’ bestond niet langer uit het internaliseren van abstracte morele principes, zoals in het christendom of ook nog in het boeddhisme het geval was, maar daarentegen in het nauwgezet naleven van al die praktische voorschriften in het publieke leven. Orthodoxie werd vervangen door orthopraxis. De plicht tot universeel mededogen, door de plicht tot onderwerping aan de perfecte goddelijke wet.

Het is precies dit anders zijn van het islamitische waardenpatroon, dat het levende bewijs vormt van de culturele en historische uniciteit van het onze. Het moet een filosofische nachtmerrie zijn voor de talloze vrijzinnigen die dit lapje klei rijk is, maar ons waardenpatroon is niet meer dan een product van een andere cultuur/religie, met name van het christendom. Polemische stelling, ik weet het. Sommige attente lezers zullen nu allicht opmerken dat ik hier te kort door de bocht ga. Zij zullen erop wijzen dat er binnen de Romeinse culturele elite al veel eerder analoge denkbeelden circuleerden, ingegeven door de neoplatonische en vooral de stoïcijnse filosofie, die in het christendom geslopen zijn via de werken van Paulus. Drie eeuwen voor Christus, in de tijd van Alexander de Grote, verkondigde de Cypriotische filosoof Zenon immers al een ‘kosmopolitisch’ gedachtegoed. In de lommerrijke Atheense Stoa orakelde hij dat alle mensen manifestaties zijn van één en dezelfde universele geest en daardoor verplicht zijn tot broederlijke liefde jegens elkaar. Verdacht christelijk avant la lettre, inderdaad. Als gehelleniseerde jood met Romeins burgerschap had Paulus evident een grondige kennis van al die filosofische denkbeelden. Sterker, gedurende zijn bezoek aan Athene ging hij zelfs op de filosofische koffie[11] bij de stoïcijnen. Klopt allemaal. Idem voor de latere Romeinse kerkvaders als Augustinus overigens. Maar dan nog blijft de vaststelling overeind, dat de idee van universele gelijkheid en gelijkwaardigheid pas met en vooral via het christendom cultuurbepalend is geworden voor het ganse Romeinse Rijk, terwijl de stoïcijnse denkbeelden beperkt bleven tot elitaire filosofische symposia.[12]

Universeel

Nog anderen zullen erop wijzen dat de regel van naastenliefde, waarmee mijn zoon mij uit de zoete armen van Morpheus rukte, in feite neerkomt op een algemeen moreel basisprincipe dat in alle grote wereldgodsdiensten voorkomt, ook in de Islam, waardoor het wel degelijk een ‘universele menselijke waarde’ kan worden genoemd. Fout. De regel komt weliswaar ook voor in het denken van de Indiase asceet Siddharta Gautama (Boeddha)[13], maar anderzijds hadden de mensen-offer-lievende religies van pre-Colombiaans Amerika er dan weer nooit van gehoord. Nog belangrijker: de regel van universele naastenliefde komt evenmin duidelijk en ondubbelzinnig naar voor in de islam. De Koran barst van de praktische regels en voorschriften, maar die ene absolute morele basisregel staat er merkwaardig genoeg niet in.[14] Er bestaat weliswaar een islamitisch equivalent van Lucas 6:31, in de vorm van een overgeleverd citaat[15] (Hadith) van Mohammed, maar dat werd pas in de dertiende eeuw opgetekend en geldt daarenboven enkel onder de ‘broeders’. Lees: onder de moslimmannen.[16]

Logisch eigenlijk, als je er een beetje over nadenkt, want een algemene regel van universele naastenliefde zou immers het ganse complexe stelsel van islamitische wetgeving, met al zijn rechten, plichten en straffen, onmogelijk maken. Zo moet een ongelovige toch fysiek gedwongen kunnen worden tot het betalen van de christentaks (jizia).[17] Evengoed moet je een weerbarstige vrouw toch kunnen tuchtigen.[18] Daarenboven bevat de Koran zes verzen die vriendschapsbanden met ongelovigen expliciet afraden tot ronduit verbieden[19], om over de 164 Jihad-verzen in de Koran nog maar te zwijgen. Dat alles is onverenigbaar met Lucas 6:31 en met de idee van gelijkheid en waardigheid van elk individu op aarde, die daarentegen de kern vormt van de moraalfilosofie van Christus. Het is een uncomfortable truth voor elke christendemocraat die in dit land probeert een politiek wij-verhaal te schrijven met de islamreligie, inclusief het oprichten van katholieke ‘dialoogscholen’ en andere ‘cultuurmarxistische’ nouveautés, maar voor (streng-)gelovige moslims zelf is het zonneklaar: binnen de islam kan er onmogelijk sprake zijn van gelijke rechten voor iedereen, en daardoor evenmin van universele broederschap, want de islamitische goddelijke wet schrijft simpelweg anders voor. Dat is meteen ook de dwingende reden waarom Iran en de Arabische landen de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens niet kunnen ratificeren, en (streng-)gelovige moslims de waarden daarin vervat niet mogen internaliseren. In 1982 stelde de Iraanse afgevaardigde bij de VN, Said Rajaie-Khorassani, onomwonden dat die Verklaring niets meer was dan een ‘secular understanding of the Judeo-Christian tradition’.[20] Quod erat demonstrandum. Er bestaan simpelweg geen universele waarden of morele principes. Wensdenken is de vader van die gedachte. Nogmaals: It’s culture, stupid.

Ontwaken

De zegeningen van de multiculturele samenleving worden verondersteld talrijk te zijn, maar ikzelf kan er maar één positief aspect aan ontwaren. Gelukkig is dat er wel één die kan tellen. De massale komst van de islam naar onze contreien doet ons ontwaken uit het diffuse postmodernisme waarin we sinds mei 68 zijn beland en dwingt ons om na te denken over de essentie van onze eigen cultuur. In de aanblik van de ander leren we immers wie we zelf zijn. Welaan dan: het Westen is het christendom, zijn beschaving is de christelijke beschaving. Punt. Vrijzinnigen, atheïsten en agnosten zijn, zonder het te beseffen, niets meer dan postreligieuze christenen. Dat geldt ook voor ondergetekende. En ik kan u vertellen dat het bevrijdend werkt om dat in te zien.

Ken uzelf, leerde Socrates ons, want dat is het begin van alle wijsheid. Het besef om als agnost toch christelijk te zijn, weliswaar zonder godsbesef, maar wel in elke morele en culturele vezel, doet anders kijken naar onze tradities, maar ook naar de machtige architectuur en de rijke kunst die onze voorouders aan de verering van Christus hebben gewijd. Warmer en trotser. Die kathedralen zijn ook mijn kathedralen. Die rijke artistieke traditie is ook mijn traditie. Een mens stapt van een artificieel en acultureel modern nihilisme meteen een rijke oude cultuur binnen.

Vandaar deze confessie van een agnostische dertiger. Mijn schatten van belhamels zullen dan toch niet de eerste generatie in mijn familie vormen die, sinds de mistige nevelen rond de Frankische invallen, ongedoopt door het leven zullen gaan. In volkomen tegenspraak met wat vandaag trendy en fashionable is, zal ik de bengels binnenkort alsnog boven de doopvont houden. Niet uit godsbesef, maar uit identiteitsbesef. Ik zal hen inwijden in de christelijke intellectuele en artistieke traditie, niet opdat ze zich verheven zouden voelen boven anderen, maar wel om hen een dieper inzicht te gunnen in hun eigen identiteit en geschiedenis. Inzicht in wat het betekent om westerling en Europeaan te zijn en waar dat allemaal vandaan komt. Inzicht in wat onze cultuur anders, mooi en uniek maakt. Allemaal inzichten die hen zullen helpen om complexloos en trots met de eigen cultuur om te gaan en hun identiteit en tradities zelfbewust te verdedigen in de woelige eenentwintigste eeuw waarin zij terecht gekomen zijn. ‘Traditie in ere houden is niet het vereren van as, maar het doorgeven van vuur’, wist Gustav Mahler al. Een wijs man.

 

 

[1] ‘En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks.’ Lucas 6:31

[2] ‘Wie vriendschap zoekt, dekt fouten toe, wie ze telkens oprakelt, verliest zijn vrienden.’ Spreuken 17:9

[3] ‘Geef en u zal gegeven worden.’ Lucas 6:38

[4] ‘Mijn zoon, houd vast aan wat je vader je opdraagt, verwerp de lessen van je moeder niet.’ Spreuken 6:20

[5] Galaten 3:28

[6] Jean-Pierre Adré Danjou, Pierre Daunou, Thomas Lindet, Jean-Baptiste Massieu, François Chabot, Henri Jean-Baptiste Grégoire en Yves-Marie Audrein, om maar enkele van de revolutionaire priester-leden van de Convention Nationale bij naam te noemen. Over de voortrekkersrol van de (vooral lagere) clerus in de Nationale Conventie, zie Histoire de la Révolution française van Louis Blanc en 1793 van Victor Hugo.

[7] Zie Koran 16:71 ‘En Allah heeft sommigen van jullie boven anderen verheven in hun middelen van bestaan; en degenen die verheven zijn, geven hun onderhoud niet weg aan degenen in het bezit van hun rechterhanden, zodat zij daarin gelijk zouden kunnen zijn. Willen zij dan de gunsten van Allah ontkennen?’ De term ‘in het bezit van uw rechterhand’ refereert naar slavernij. In de Koran staan verder nog 28 verzen over slavernij en hoe daar mee om te gaan op een wijze die Allah behaagt. Daarbij dient opgemerkt dat Mohammed het vrijlaten van bekeerde slaven wel aanmoedigt als een daad van barmhartigheid (zie bijvoorbeeld Koran Soera 24-33).

[8] Slavernij verdween als juridisch instituut bij de afkondiging van de Codex Justinianus in 537 n. Chr.

[9] De Koran bevat een aparte set regels voor omgang onder moslimmannen, namelijk § 2 (Respect voor de moslimbroederschap) van het Hoofdstuk 49 (De vertrekken). Het woord ‘broeder’ verwijst daarin naar moslimman. Zie bijvoorbeeld vers 10 van hoofdstuk 49: ‘De gelovigen zijn broeders, dus sticht vrede tussen jullie broeders, en voldoe jullie plicht aan Allah opdat jullie genade zullen kennen.’ Hoe moslims zich moeten gedragen ten opzichte van de mensen ongelovigen, evenals hun rechten over de ongelovigen, wordt dan weer geregeld in tal van andere verzen verdeeld over de verschillende hoofdstukken.

[10] Wat betreft echtgenotes, zie onder meer Koran 2:223 (‘Jullie echtgenotes zijn jullie akker, dus ga jullie akker binnen wanneer jullie willen.’) en Koran 4:129 (‘En jullie kunnen echtgenotes niet gelijk behandelen, ook al zouden jullie dat willen’). Wat betreft slavinnen zie onder meer Koran 70-29 tot 30. In het hoofdstuk ‘Wegen van Opstijging’ staat te lezen dat de hemel toekomt aan ‘Diegenen die hun seksuele driften aan banden leggen, behalve in de aanwezigheid van hun partners of van diegenen in het bezit van hun rechterhanden, want zij treffen geen blaam.’ Daarentegen is het wel verboden om een slavin tot de prostitutie te dwingen (Koran 24:33).

[11] Handelingen 17:16-18

[12] Zie bijvoorbeeld de beroemde brief van de stoïcijnse filosoof Seneca aan zijn vriend Lucilius, waarin hij weliswaar oproept tot menselijkheid tegen slaven, maar het instituut zelf anderzijds niet ter discussie stelt: ‘Kindly remember that he whom you call your slave sprang from the same stock, is smiled upon by the same skies, and on equal terms with yourself breathes, lives, and dies.’ SenecaMoral letters to Lucilius, Letter 47: On master and slave, 10,

[13] Siddharta Gautama: Udanavarga 5:18 ‘Hurt not others in ways that you yourself would find hurtful.’

[14] Het dichtste dat de Koran bij Lucas 6:31 komt zijn vier abstracte vermeldingen waarin gezegd wordt dat ‘het kwade’ beantwoord moet worden door ‘het goede’ (Koran 13:22, 28:54 ), dan wel door ‘het beste’ (Koran 41:34 en 23:96). Daarenboven telt de Koran tal van verzen die in letterlijke contradictie staan met de regel van universele naastenliefde, zoals bijvoorbeeld Koran 9:123: ‘O jullie die geloven, bestrijd die ongelovigen die bij jullie in de buurt zijn en laat hen vastberadenheid in jullie vinden. En weet dat Allah met degenen is die aan hun plicht voldoen.’

[15] Nawawi, 40 Hadith 13: ‘Niemand van jullie is gelovig, zolang hij niet voor zijn broeder wenst, wat hij voor zichzelf wenst.’

[16] Zie voetnoot 7

[17] Koran 9:29: ‘Bestrijd, onder hen aan wie het Boek is gegeven (joden en christenen nvdr), degenen die niet geloven in Allah, noch in de Laatste Dag, die niet verbieden wat Allah en zijn Boodschapper hebben verboden en die de religie van de Waarheid niet volgen, totdat zij de belasting betalen uit erkenning van superioriteit en zij in een staat van onderwerping verkeren.’

[18] Koran 4:34: ‘Mannen zijn de onderhouders van vrouwen, met wat Allah sommigen van hen boven anderen deed verheffen en met wat zij van hun rijkdom uitgeven. Dus goede vrouwen zijn gehoorzaam en beschermen het ongeziene, zoals Allah heeft beschermd. En wat betreft degenen van wie jullie vrezen dat zij jullie verlaten, vermaan hen, en laat hen alleen in de bedden en wijs hen terecht. Maar als zij jullie gehoorzamen, probeer dan niets tegen hen. Waarlijk is Allah immer Verheven, Groot.’

[19] Zie bijvoorbeeld Koran Soera 3:118: ‘O jullie die geloven, neem geen andere dan jullie eigen mensen tot vertrouwelijke vriend. Zij (de ongelovigen) laten niets na om jullie verlies toe te dienen. Zij houden van hetgeen jullie verontrust. Vurige haat is al uit hun mond tevoorschijn gekomen, en wat hun harten verbergen is veel erger. Zeker hebben Wij de boodschap voor jullie duidelijk gemaakt, als jullie begrijpen.’ De andere verzen die vriendschap met christenen afraden en zelf-segregatie van de gelovigen aanmoedigen zijn Koran Soera 5:51; 5:80: 3:28; 9:23 en 53:29.

[20] Littman, David. ‘Universal Human Rights and ‘Human Rights in Islam’’. Midstream, 1999

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans