fbpx


Cultuur

Willy Lambil: ‘Striptekenen is een tweede natuur.”

Kunstenaar laat zich niet uitrangeren



‘Ik zal sterven zonder erkenning gekend te hebben’ zo vat Willy Lambil in het exclusieve interview met Doorbraak zijn carrière samen. Opgelet, van de stripverhalen van tekenaar Lambil gingen ongeveer 25 miljoen albums over de toonbank en dat zijn enkel de Franse en Nederlandse versies. De Duitse, Engelse of Scandinavische versies bewijzen de internationale aantrekkingskracht van De Blauwbloezen. Vanaf hij de prille reeks De Blauwbloezen in 1972 overnam van zijn overleden vriend Louis Salvérius groeide het succes van zijn adoptiefkind. De…

Plus artikel - gratis maandabonnement

U heeft een plus artikel ontdekt. We houden plus-artikels exclusief voor onze abonnees. Maar uiteraard willen we ook graag dat u kennismaakt met Doorbraak. Daarom geven we onze nieuwe lezers met plezier een maandabonnement cadeau. Zonder enige verplichting. Per email adres kunnen we slechts één proefabonnement geven.

(Proef)abonnement reeds verlopen? Dan kan u hier abonneren.


U heeft reeds een geldig (proef)abonnement, maar toch krijgt u het artikel niet volledig te zien? Werk uw gegevens bij voor deze browser.

Start hieronder de procedure voor een gratis maandabonnement



Was u al geregistreerd bij Doorbraak? Log dan hieronder in bij Doorbraak.







Wachtwoord vergeten of nog geen account?

Geef hieronder je email adres en je naam en we maken een nieuw wachtwoord (als je een account hebt) of we maken automatisch een account aan.

Uw Abonnement is (bijna) verlopen (of uw browser moet bijgewerkt worden)

Uw abonnement is helaas verlopen. Maar u mag nog enkele dagen verder lezen. Brengt u wel snel uw abonnement in orde? Dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Heeft u een maandelijks abonnement of heeft u reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw abonnement bij voor deze browser en u leest zo weer verder.

Uw (proef)abonnement is verlopen (of uw browser weet nog niet van de vernieuwing)

Uw (proef)abonnement is helaas al meer dan 7 dagen verlopen . Als uw abonnementshernieuwing al (automatisch) gebeurd is, dan moet u allicht uw gegevens bijwerken voor deze browser. Zoniet, dan kan u snel een abonnement nemen, dan mist u geen enkel artikel. Voor 90€ per jaar of 9€ per maand bent u weer helemaal bij.

Als "Vriend van Doorbraak" geniet u bovendien van een korting van 50% op de normale abonnementsprijs.

Reeds hernieuwd, maar u ziet toch dit bericht? Werk uw gegevens bij voor deze browser of check uw profiel.


‘Ik zal sterven zonder erkenning gekend te hebben’ zo vat Willy Lambil in het exclusieve interview met Doorbraak zijn carrière samen. Opgelet, van de stripverhalen van tekenaar Lambil gingen ongeveer 25 miljoen albums over de toonbank en dat zijn enkel de Franse en Nederlandse versies. De Duitse, Engelse of Scandinavische versies bewijzen de internationale aantrekkingskracht van De Blauwbloezen.

Vanaf hij de prille reeks De Blauwbloezen in 1972 overnam van zijn overleden vriend Louis Salvérius groeide het succes van zijn adoptiefkind. De reeks bleef 48 jaar lang een vaste waarde en werd een klassieker. Lambil tekende en inkte elk album geheel alleen, zonder assistenten of studio. Elk album is dus niet zozeer een commercieel product, maar een kunstwerk van een auteur die door de jaren heen een zeer persoonlijke tekenstijl ontwikkelde die realisme en het cartooneske combineert. Niet één stripkenner zal durven beweren dat de schare overtuigde fans van De Blauwbloezen niet vooral de verdienste van Lambil is. ‘Cauvin is de scenarist en die stuurt één keer per jaar een scenario. Ik teken, ik bepaal het uiterlijk van de personages en eigenlijk het gehele eindresultaat’.

Zonder enig huldebetoon

Toch kan Lambil niet als een populaire striptekenaar gelden. Zijn stripwerk is populair. Elke krantenwinkel hangt de posters van de nieuwe albums trots op om volk binnen te lokken, maar de auteur zelf moest het al die jaren stellen zonder enig huldebetoon. Enkel bij het binnenrijden van Sambreville sieren zijn tekeningen van De Blauwbloezen het welkomstbord van de gemeente. Lambil werd geboren in deelgemeente Tamines en woont al sedert zijn huwelijk in een andere deelgemeente, Falisolle.

Het artistieke genie is miskend, tenminste dat is de beeldvorming sedert Vincent van Gogh uitgroeide tot een wereldster wiens schilderijen recordbedragen opleveren. Van Gogh verkocht amper één schilderij bij leven (aan de schilderes Anna Boch, notabene erfgename van het porseleinimperium Royal Boch uit La Louvière). Ook het omgekeerde bestaat. Jarenlang internationaal verkoopsucces boeken als kunstenaar en niettemin toch miskend zijn. Het is wat Willy Lambillotte (pseudoniem Lambil) overkwam. Zijn stripverhalen uit de reeks De Blauwbloezen verkopen jaarlijks 120.000 exemplaren van elk nieuw album (en dat is enkel de verkoop van de Franstalige en Nederlandstalige exemplaren).

Prachtige potloodtekeningen

‘Eén keer je meer dan 2000 exemplaren verkoopt, lijkt je werk oninteressant voor sommige personen in het wereldje’ vertelt Lambil. Het interview vindt plaats in zijn bureau bij hem thuis in Falissolle. Aan de muur hangen prachtige geïnkte platen van stripgrootheden zoals Jijé en Maurice Tillieux. Collega striptekenaars schatten Lambil wel hoog in. Op de tekentafel lagen de prachtige potloodtekeningen van de platen 36A en 36B van het album 64 dat voorlopig niet zal verschijnen omwille van commerciële redenen bij de uitgeverij. Het dreigt een triest afscheid in mineur te worden van een van de groten van de Franco-Belgische strip.

Lambil is nog steeds behoorlijk boos dat hij begin juli via-via moest vernemen dat zijn vaste scenarist Raoul Cauvin er mee ophield. Cauvin had dit meegedeeld op een blog. Nu boterde het al decennia niet al te best tussen de scenarist en de tekenaar van de klassieke succesreeks. In 2003 hadden ze het al een keer bijgelegd, maar nadien zaten er toch weer meerdere haren in de boter. Meermaals tijdens het interview zegt Lambil dat Cauvin geen aangename mens is. Toch ligt iets anders de striptekenaar allicht zwaar op de lever. Uitgeverij Dupuis beroofde hem van een jaarinkomen. Dit zit zo. Elk jaar verschijnt een album van De Blauwbloezen en daar leven de 84-jarige Lambil en zijn even kwieke echtgenote van. Lambil viel volkomen uit de lucht toen reeds ver in 2020 uitgeverij Dupuis meldde dat ze een opvolger zochten om de reeks voortaan te tekenen.

Energiek en lucide

Naar buiten toe beweerde de uitgeverij dat Lambil daar zijn fiat voor zou gaan geven. Merkwaardig genoeg was album 65 al gedrukt toen ze met de drukproeven van het album van de stripreeks bij Lambil langskwamen. Cauvin had bovendien online de indruk gewekt dat Lambil steeds meer moeite had om te volgen, maar daarover zegt Lambil het volgende: ‘Ik hoef niet meer zoals vroeger anderhalf album per jaar te tekenen en tot middernacht te zitten werken. Ik zit nu op plaat 36 en moet dus nog acht pagina’s tekenen, dus lig ik zeker niet achter op het normale schema.’ Voor de interviewer stond en zat een energieke en uiterst lucide ‘octogenaire’, dus zonder twijfel perfect in staat is om aan de lopende band verder te tekenen aan zijn œuvre.

Wat Lambil duidelijk ergerde, was dat nu album 65 zal verschijnen vóór album 64. Een bijna klaar album dat wordt uitgesteld terwijl hij net als alle voorgaande jaren klaar zal zijn met tekenen aan het einde van de zomer. Zelf noemt hij het een delicaat onderwerp en gaat hij er liever niet op in. ‘Tegen de uitgeverij kan je niet winnen, maar ik denk ernstig na om na dit album te stoppen.

Fransen met een rare smaak

Tijdens het twee uur durende gesprek blijkt duidelijk dat Lambil niet zal of kan stoppen. Hij leest momenteel zelfs al enkele scenario’s van andere schrijvers dan Cauvin of het Franse echtpaar BéKa (die het nieuwe album met tekenaar Muñuera schreven in opdracht van het Franse management van Dupuis). Over de Spaanse striptekenaar Muñuera zegt Lambil dat hij niets tegen deze kunstenaar heeft. Het bladeren door de proefdruk die Lambil ontving, leverde de interviewer toch een cultuurschok op. De stijl wijkt ten eerste enorm af. Het hoofd van sergeant Chesterfield werd vaak heel inconsistent getekend in het nieuwe album dat binnenkort verschijnt.

Toch valt geen onvertogen woord over zijn ‘opvolger’. Over de meeste strips in het weekblad Spirou waar les Tuniques Bleues in verschijnen is Lambil echter vernietigend. ‘Slordig getekend, met stiften of balpennen… Ik heb niks meer met dat soort stripverhalen. Ze zijn vreselijk. Spirou wordt tegenwoordig gemaakt door Fransen met een rare smaak.’

Lambil toont trots het kleine pennetje dat hij gebruikt om zijn strips te inkten. Het klassieke pennetje voor Chinese inkt dat elk kind vroeger op school moest leren gebruiken. Op de verwondering van de interviewer over zulk artisanaal gereedschap, volgde bijna een draai om diens oren. ‘Zo hoort het. Geen rotring-pen zoals bij Hergé voor mij, met een pen moet je de lijnen laten variëren. Geen rotring en al zeker geen viltstiften’ aldus Lambil. ‘Ik werk vooral met de pen, maar voor vlakken gebruik ik dan weer een penseel.’ Dat Lambil een virtuoos gebruiker is van het penseel bewijzen zijn lavis (gewassen tekeningen in inkt) en de aquarellen. ‘De aquarellen zijn mijn amusement tussen twee albums in.’

De grote liefde voor het stripverhaal

Willy Lambil was als kind een grote liefhebber van strips. Niet enkel Robbedoes en Kuifje, maar ook de Vlaamse strips in het weekblad Bravo. Zijn vader had een handel in auto-onderdelen en de Amerikaanse onderdelen waren vaak ingepakt in krantenpapier, waar de jonge stripliefhebber de comics uit knipte. Lambil ging een jaartje naar de kunstacademie in Brussel en schreef zich nadien in aan de tekenacademie van Charleroi voor avondcursussen. ‘Dat bleek echter elke keer het tekenen van danseressen in tutu. Dat ging me al snel vervelen en toen ben ik daar mee gestopt.’ Toch wou de zestienjarige graag stripverhalen tekenen. Hij kreeg links en rechts wat advies.

‘Ik nam een wereldkaart en zocht een onderwerp. Amerika was al lang en breed gedaan, van veel landen wist ik absoluut niks dus koos ik Australië als onderwerp. Puur toeval. Bij Dupuis ben ik vervolgens binnengeraakt door de broer van Joseph Gillain (de striptekenaar Jijé). Beide waren afkomstig uit de streek hier en hij heeft me toen bij Dupuis voorgesteld en mijn tekeningen getoond. De uitleg was daar dat ze voor het moment nog niemand zochten, maar dat ik als letteraar van de Nederlandse tekstballonnen kon beginnen als ik wou.’ Tot zijn legerdienst bij CIAC in Brasschaat werkte Lambil dus als letteraar. ‘Een bijzonder saai werk. Ik moest de Nederlandse teksten van een blad overschrijven in de tekstballonnen.’

Vijf jaar afwijzing na afwijzing

Vanaf zijn zestiende toonde de jonge tekenaar uitgever Charles Dupuis regelmatig zijn getekende platen van Sandy en Hoppy. Een reeks verhalen over een blond jongetje met een kangoeroe. Het idee was om zoals Kuifje een jongen met een huisdier te nemen. ‘Dit was lang voor de tv-serie Skippy, die ik trouwens nooit heb gezien, maar waarvan velen denken dat ik daar mijn inspiratie haalde.’ Logisch de reeks liep van 1966 tot 1968, terwijl de strips van Sandy en Hoppy dateren van 1956 tot 1972. Telkens weigerde Dupuis omdat het nog niet goed genoeg was.

‘In die jaren verhuurde Dupuis een kantoor aan het persagentschap World Press dat stripverhalen aanbood aan kranten en tijdschriften. Dupuis exporteerde en importeerde zo strips. Striptekenaar Eddy Paape deed dat werk en ik zat over hem als letteraar. Toen de grote baas van World Press een keer langs kwam en mijn platen zag en hoorde dat Dupuis ze niet nam, vertelt hij: “Dan neem ik ze wel”. Dit moet Dupuis ter ore gekomen zijn en zo mocht ik op mijn 21 eindelijk eens een verhaal leveren aan het weekblad Robbedoes.’

Noodlot

Bijna ging de carrière van Lambil in 1958 in rook op. Na jarenlang proberen zijn stripverhalen te slijten aan Charles Dupuis, kreeg hij eindelijk een kans om zijn verhaal van Sandy en Hoppy te publiceren in Robbedoes. Na zijn legerdienst had hij zich verloofd en toen sloeg het noodlot toe. Het ouderlijke huis brandde af. Zijn complete collectie stripverhalen met de complete reeks verzamelalbums van Spirou van voor, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog was hij kwijt, maar ook al zijn tekeningen eindigden als as. Hieronder 22 platen (pagina’s) die eindelijk zouden gaan verschijnen.

‘Ik moest naar Dupuis om te vertellen dat mijn eerste opdracht te laat zou zijn. Dupuis, van wie ik toen veel schrik had, nam het echter goed op. Hij bood aan de platen toch te betalen. Ik heb dat geweigerd omdat ik vreesde dat ik ze dan nooit meer opnieuw zou tekenen en ik ben meteen weer aan de slag gegaan.’

Enkel nog ecologie

‘Dankzij de verzamelabums die mijn toekomstige echtgenote als kind gekregen had voor Sinterklaas en Pasen wist ik mijn stripcollectie opnieuw te completeren, maar mijn eigen werk van voor 1958 was voorgoed verloren.’ De stripverhalen van Sandy en Hoppy zouden nooit in album verschijnen. In 1972, toen Lambil was gestopt met de reeks, verscheen een enkel verhaal in de goedkope reeks Okay-albums (een soort vakantiestrips van 32 pagina’s). Veel later in 1984 verscheen wel het verhaal Beton in de woestijn in de reeks Jeugdzonden van Dupuis (nr 18). Met enige trots toonde Lambil de heruitgave op basis van scans van de verhalen van Sandy en Hoppy door de Franse uitgever Editions du Topinambour die oude strips heruitgeeft.

‘Ik had me geabonneerd op een Australisch tijdschrift ‘Walk about’. Die titel verwees naar een gebruik van de Aboriginals. Daarnaast las ik National Geographic. Dat kwam dankzij een Vlaamse luitenant die mijn peter was tijdens mijn legerdienst in Brasschaat.’ Lambil trekt plots een kast open om een hele rij gele ruggen te tonen. ‘Dat is maar een deeltje van mijn verzameling, maar ik ben onlangs afgehaakt omdat het enkel nog maar over ecologie gaat. Geen etnologie, archeologie, astronomie enzovoort meer. Ze hebben ook een tv-zender en dat kan ik ook niet meer aanzien. De hele tijd over autoherstelling tegenwoordig en voordien uren over vliegtuigrampen of andere onzin.’

Plots keerpunt

Bij de plotse dood van zijn goede vriend Louis Salvérius in 1972, vroeg scenarist Cauvin of hij het album van de Blauwbloezen wou afwerken. ‘Ik stopte meteen met mijn verhaal van Sandy en Hoppy, om de weduwe te helpen. Ze hadden net een huis gekocht. Ik heb de auteursrechten op dat album ook afgestaan aan de weduwe en de dochters. Achteraf vroeg Dupuis of ik de reeks verder wou zetten.’ Hoe het nu zit met de auteursrechten is een gevoelig thema. Lambil wil er niettemin wel op antwoorden: ‘Cauvin heeft zijn helft aan Dupuis verkocht, maar ik bezit nog steeds mijn 50 procent.’ Waarom Dupuis dan zonder inspraak besliste om een ander team op de reeks te zetten, vindt Lambil te delicaat om op te antwoorden, maar zijn lichaamstaal spreekt boekdelen.

De Nederlandse vertaling van de albums is nog steeds van de hand van Erwin Cavens, een oudgediende bij Dupuis. ‘Ik heb nog samengewerkt met zijn vader die ook bij Dupuis werkte.’ Die band met Dupuis waar hij jaren werkte en die toch eigenlijk zijn enige uitgever was al die jaren, blijkt bijna compleet verwaterd. Destijds was dit anders. ‘Met Arthur die de reeks Sammy tekende waren mijn echtgenote en ik zeer goed bevriend. Berck is een Vlaming. Toen hij 65 werd, besloot hij plots met pensioen te gaan en de reeks over te geven aan de Vlaamse tekenaar Jean-Pol.’ Die stap van Arthur Berckmans (pseudoniem Berck) wekte in 1994 alom verbazing. De manier hoe Lambil dit zegt doet vermoeden dat de kans dat hij daadwerkelijk zal stoppen allicht klein is. ‘Striptekenen is een soort tweede natuur geworden’, besluit hij.

Lode Goukens

Lode Goukens is master in de journalistiek en docent 'Europese en wereldinstellingen' aan de Thomas More Hogeschool.