Geschiedenis
Sprekershoek
Sprekershoek

Woorden en daden

De Britse verovering van Palestina in november 1917
Palestina

Op 2 november 1917 stuurde Arthur James Balfour, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, een brief aan baron Rothschildt, de vertegenwoordiger van de Britse Joden en hun Zionistische Federatie. De inhoud beslaat drie regels, waarin (a) de regering verklaart welwillend te staan ten opzichte van de vestiging van Joodse kolonisten in Palestina, en (b) benadrukt dat de burgerlijke en religieuze rechten van de niet-Joodse bevolking niet mogen benadeeld worden. Intussen heeft deze ‘Balfour Declaration’ in zionistische kringen en in Israël in feite het statuut van een officieel mandaat voor de oprichting van een Joodse staat gekregen. Behalve het feit dat de Britten het recht op een ‘homeland’ (Heimat, culturele ruimte, soevereine staat?) toekenden op een grondgebied dat op dat moment nog steeds Osmaans was, valt het ook op dat de politieke en nationale rechten van de autochtone bevolking, de Arabieren dus, niet vermeld worden én dat ze in feite onder de brede noemer van de ‘niet-Joden’ vallen. Het is niet verwonderlijk dat de controversiële exegese van de diplomatiek meerduidige term ‘homeland’ in beide kampen nog steeds doorgaat.

Capitulatie

In de nacht van 8 op 9 november trekt het Royal Sussex Regiment Betlehem binnen. Diezelfde dag capituleert de burgemeester van het door de Britten belegerde Jeruzalem en op 11 december wandelt generaal Allenby als overwinnaar de stad door de Jaffapoort binnen. Wanneer we deze militaire verovering van Palestina op de Osmanen koppelen aan de Balfour-Verklaring zien we dat het lot van Palestina in beginsel al honderd jaar geleden vastgelegd werd. Groot-Brittannië zal eerste in 1922 het officiële mandaat over de helft van de regio verkrijgen (de andere helft, het huidige Syrië en Libanon, wordt als gevolg van de Sykes-Picot overeenkomst Frans mandaatgebied).  Anders gezegd: de inkt van de brief aan baron Rothschildt was nog niet droog toen de feiten aan de grond reeds vastlagen. Het zionistische project, dat in theorie officieel tijdens het eerste congres in Basel in 1897 gestart was, kon nu in alle ernst worden uitgevoerd door de duizenden zionistische pioniers van de tweede immigratiegolf of Aliya (‘opgang naar het Beloofde Land’, gesymboliseerd door de berg Zion bij de oude stad). Dat het nog dertig jaar geduurd heeft voor de staat Israël gesticht werd heeft zowel te maken met de complexe onderlinge relaties tussen de geallieerde overwinnaars, waaronder nu ook de Verenigde Staten, als met het groeiende Palestijnse verzet.

Zoveel mogelijk land, zo weinig mogelijk Arabieren

Het uiteindelijke streefdoel van de zionistische beweging werd niet met zoveel woorden uitgesproken, behalve dan door de zogenaamd ‘revisionistische’ vleugel van Zeev Jabotinsky die het over een onvermijdelijke militare confrontatie met de inheemse bevolking had, maar kon wel uit de verschillende strategische stappen worden afgeleid: zoveel mogelijk land veroveren met daarop zo weinig mogelijk Arabieren. Men kan zonder meer vaststellen dat Jabotinsky, de verre stichter van de huidige Likoedpartij van Benjamin Natanjahoe, op dit cruciale punt gelijk gehaald heeft.

De vraag wat de Britten bezielde om in 1917 dit proces een flinke duw in de rug te geven valt moeilijker eenduidig te beantwoorden. Het is een feit dat de sympathie voor de Joodse cultuur en de rol van de Bijbel in een protestants land in ieder geval een rol gespeeld had: de zogenaamde ‘Tora-joden’ (Bijbelse Joden) uit het Oude Testament waren zowel voor de Britten als voor de calvinistische Nederlanders vereerde religieuze voorouders, wat niet altijd wil zeggen dat de ‘Talmoed-joden’, hun Joodse tijdgenten die volgens de Bijbelse voorschriften leefden, altijd even welkom waren. Misschien verklaart dit waarom uitgerekend een in zionistische middens omstreden antisemiet als Arthur James Balfour als het ware beseft had dat hij met zijn steun aan de zionisten mede kon bijdragen tot de uittocht van zijn niet zo populaire Joodse tijdgenoten, zoals onder meer de Britse godsdiensthistorica Karen Armstrong in haar boek Jerusalem (1997) suggereert? Er moet echter meer aan de hand geweest zijn dan een vage religieuze verwantschap en de macchiavellistische manoeuvres van een het imperium toegewijd Brits diplomaat. De opmerkelijke triomfantelijke verwijzing van een islamistische terreurgroep als IS naar dat ‘Sykes-Picot akkoord’, telkens wanneer haar vrijheidsstrijders weer één van de door ‘westerse imperialisten getrokken grenzen’ in de regio overschreden en uitgewist hadden, spreekt hier boekdelen: voor de Britse buitenlandse politiek was de vestiging van een Europese, in elk geval westerse ‘settler kolonie’ zoals Rhodesië en (gedeeltelijk) Zuid-Afrika, een vertrouwde strategie. De nieuwe, nog op te richten zionistische ‘entiteit’, waarvan het definitieve statuut nog altijd vaag bleef, zou als westers bruggenhoofd een gewaardeerde bondgenoot van het Britse imperium kunnen worden. Zionistische leiders spraken in die periode trouwens over hun toekomstige staat als over ‘een villa in de jungle’, wat tegelijkertijd verwees naar het voor hen vanzelfsprekende verschil in beschavingsniveau en een toen algemeen verspreide uiting was van wat de Palestijns-Amerikaanse cultuurfilosoof Edwar Saïd later het ‘oriëntalisme’ zou noemen.

Een zaak van beschaving

Indien de meerderheid van de eerste zionistische leiders over het algemeen deze Britse visie deelde – culturele zionisten als Martin Buber en Ahad Ha’am vormden een verwaarloosbare minderheid in de beweging – is het ook niet verwonderlijk dat de stichter van het zionisme, Theodor Herzl, tijdens de eerste fase van het project de actieve steun zocht van de leiders en gekroonde hoofden van de westerse wereld, waaronder zelfs de rooms-katholieke paus, want het ging tenslotte over een beschavingszaak die de meesten van ons gemeen hadden en die de niet-Joodse westerse staten na de Tweede Wereldoorlog bovendien de kans bood het de Joodse medeburgers aangedane onuitspreekbare lijden enigszins te compenseren (Wiedergutmachung blijft in deze context een bijzonder ongelukkig gekozen uitdrukking).

Het is even begrijpelijk dat de niet-Joodse inwoners van Jeruzalem, Betlehem en de andere op de Osmanen veroverde steden en dorpen dat helemaal anders inschatten, omdat ze gehoopt hadden dat de geallieerde overwinning op de Turkse overheersers hen eindelijk de kans bood om hun eigen onafhankelijke samenleving op te bouwen. In tegenstelling tot de zionisten beschikten de Palestijnen op dat moment echter niet over een goed georganiseerde en gemotiveerde organisatie en werden zij in hun streven naar onafhankelijkheid ook niet gesteund door machtge buitenlandse bondgenoten. Het geheime akkoord tussen Frankrijk en Groot-Brittannië (Sykes-Picot) in 1916 toonde aan dat ze niet echt op steun van deze Europese staten konden rekenen.

In die zin kunnen we zeggen dat zowel de diplomatieke steun van Groot-Brittannië aan de zionisten als de militaire overwinning van de Britse troepen de kaarten van het beginnende confict als het ware onherroepelijk in het voordeel van de zionisten verdeeld hadden, nog vóór de eerste schoten afgevuurd werden.

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans