fbpx


Politiek
politieke families

Zijn de politieke families werkelijk één en ondeelbaar?




De beproefde formule van de politieke families maakt een heuse comeback. Nadat Vlaamse en Waalse zusterpartijen de voorbije jaren verder uit elkaar groeiden, is er nu weer sprake van onderlinge toenadering. Over de taalgrens heen profileren verscheidene politieke partijen zich opnieuw als werkbare ideologisch gehelen. Maar is zo’n verbond wel duurzaam? En waarom vielen deze familierelaties in het verleden überhaupt uit elkaar?

Unitaire partijen?

Momenteel is de PTB/PVDA eigenlijk de enige échte unitaire partij in België met één structuur en één partijprogramma. Maar daarnaast stellen ook liberalen, socialisten en groenen zich de laatste twee jaar terug voor als eensgezinde politieke formaties. Ecolo en Groen zetten die intentie kracht bij door zich te organiseren als één parlementaire fractie met één fractievoorzitter. De socialisten gaan nog een stapje verder: sp.a gaat letterlijk terug onder hetzelfde dak huizen met PS. Open Vld en MR plannen samen een ideologisch congres en willen hun studiediensten ‘poolen’. De liberale partijen hanteren al langer de praktijk om onderling woordvoerders uit te wisselen. MR-ministers werven dan als hun Nederlandstalige woordvoerder iemand aan met achtergrond bij Open Vld en omgekeerd.

Zo’n krachtenbundeling levert reële voordelen op. Allianties zijn vooral interessant ten tijde van kiescampagnes en regeringsonderhandelingen: dan de gelijkstemde koppen bij elkaar optellen creëert een tijdelijk hefboomeffect. Wie geen equivalent heeft aan de overkant kampt met een handicap die laat zich voelen in het politieke machtsspel. In die laatste situatie verkeren de twee Vlaams-nationalistische partijen. Je kunt geen meerderheid of compromis vormen met jezelf. Investeren in objectieve bondgenootschappen is dan de boodschap. N-VA vindt die bijvoorbeeld tijdens het Overlegcomité in de figuur van Oliver Paasch. Als kopman van de regionalistische partij ProDG is Paasch sinds 2014 minister-president van de Duitstalige Gemeenschap én een trouwe medestander in het verdedigen van de regionale belangen.

Spreidstand

Om de familiale banden terug aan te halen helpt het als de Vlaamse en Waalse zusterpartij zich aan dezelfde kant bevinden in het politieke landschap. Zo is het mooi meegenomen dat de liberalen, socialisten en groenen allen deel uitmaken van de federale Vivaldicoalitie. Binnen de meerderheid is men er namelijk toe gebonden om aan hetzelfde zeel trekken en gezamenlijk het regeringsstandpunt te verdedigen. Voor een partijfamilie met één been in de oppositie en één been in de meerderheid is het daarentegen ondoenbaar om een gemeenschappelijke inhoudelijke lijn aan te houden.

Nochtans kwam zo’n spreidstand het voorbije decennium herhaaldelijk voor. Partijen stemden hun plannen en ideeën van langsom minder af met hun zielsverwant aan de overkant van de taalgrens. Het leidde tot de vorming van asymmetrische federale coalities. De Vlaamse sp.a nam in tegenstelling tot haar Waalse zusterpartij PS niet deel aan de regeringen Leterme (2008-2011) en Di Rupo (2011-2014). Het Waalse cdH zat anders dan haar Vlaamse evenknie CD&V niet in het kabinet Michel (2014-2018).

Een gebroken stamboom

De twee christendemocratische partijen gaan vandaag niet mee in de trend van familiale eenmaking. Beiden passen al langer niet meer in dezelfde ruimte. De christendemocratie toont ons hoe, eens een stamboom uit elkaar is gegroeid, moeilijk het is om die banden terug te helen.

Er brak daar iets definitiefs bij de goedkeuring van vijfde Staatshervorming (2001). De toenmalige Waalse PSC (nu: cdH) steunde vanuit de oppositie het Lambermontakkoord van de regering Verhofstadt I, terwijl haar Vlaamse evenknie CD&V net het verzet daartegen aanvoerde. Die tegengestelde positionering deed de communicatielijnen tussen beide zusterpartijen uitdoven. Als gevolg van deze radiostilte liep het in 2014 opnieuw fout. Toen verkoos cdH om regionaal met de PS te besturen in plaats van met de MR. Die plotselinge démarche leidde tot onbegrip bij CD&V, dat federaal net de omgekeerde keuze maakte. De onderlinge onmin laat tot op vandaag haar sporen na: het bereidwillige cdH werd uit de Vivaldicoalitie gehouden terwijl regeringspartij CD&V daar geen halszaak van maakte.

Ontstaansgeschiedenis

Historisch gezien was de christendemocratische CVP de eerste van de traditionele unitaire partijen die doormidden scheurde. Dit wegens het brandende dossier ‘Leuven-Vlaams’ (1968). Kort daarna volgde de opdeling van de liberale PVV (1971) nadat het imago ervan in het noordelijke landsgedeelte ernstig bevuild was geraakt (‘Pest Voor Vlaanderen’). Tot slot ging de Belgische Socialistische Partij (BSP) in 1978 ten onder aan interne meningsverschillen over het Egmontpact.

De groene partijen kennen in België zelfs geen gemeenschappelijke ontstaansgeschiedenis. De twee zusterpartijen werden onmiddellijk afzonderlijk langs hun kant van de taalgrens opgericht. Ecolo heeft belangrijke wortels in thema’s als federalisme en politieke vernieuwing, en kwam al eind jaren 70 op als zelfstandige politieke partij. Agalev daarentegen ontstond uit progressieve katholieke middens, en bleef aanvankelijk als maatschappelijke beweging haar steun uitspreken voor individuele kandidaten op traditionele partijlijsten. Pas in de loop van de jaren 80 nam ook Agalev als zelfstandige partij deel aan verkiezingen.

Mini-BHV

Er zijn met andere woorden wel degelijk dieperliggende verschilpunten die partijfamilies blijvend kunnen verdelen, en waarvoor we niet blind mogen blijven. In het bijzonder is er de communautaire breuklijn die steeds weer relevant blijkt doorheen de geschiedenis van de Belgische politiek. Ze loopt dwars door familietafels heen. De tegenstelling tussen Nederlandstaligen en Franstaligen zit ingebakken in uiteenlopende beleidsdossiers. Zelfs onverdachte zaken zoals bijvoorbeeld de ethische kwesties geraakten het afgelopen jaar verwikkeld in een communautaire discussie tijdens de parlementaire behandeling ervan. Plots blijkt vooral een grote meerderheid van de Vlaamse partijen op de wetgevende rem te staan, terwijl aan Waalse kant net een grote meerderheid voor een verdere versoepeling pleit.

Meer recent kwam de Brusselse tolheffing als probleemdossier bovendrijven. Indien deze deelstatelijke discussie niet tijdig ontmijnd geraakt heeft ze het potentieel om tot een ‘mini-BHV’ uit te groeien. Premier Alexander De Croo beseft dit en probeert het dossier daarom van zijn federale bord weg te houden. Maar toch werd ook hij er vorige week tijdens het Overlegcomité al een eerste keer mee geconfronteerd.

Het voorbeeld van de tolheffing illustreert hoe, naarmate de deelstatelijke autonomie in het land toeneemt, de regionale afdelingen binnen politieke partijen meer actief de eigen belangen gaan verdedigen. Terwijl socialistische en liberale partijhoofdkwartieren het idee van een Brusselse verkeerstaks willen afblokken, werken hun Brusselse filialen mee aan de realisatie ervan. Die Brusselse reflex is geen nieuw of alleenstaand fenomeen: al in de jaren 60-70 scheurden de ‘Rode Leeuwen’ en ‘Blauwe leeuwen’ zich af van hun moederpartij om in de hoofdstad de belangen van het Vlaamse electoraat beter te kunnen behartigen. De vraagt rijst of we in de toekomst hechtere Belgische partijfamilies of eerder meer zelfbewuste (Brusselse) vertakkingen zullen zien verschijnen?

Deze bijdrage verscheen ook op VRT.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel, cartoon of podcast wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels, podcasts, cartoons of video-uitzendingen op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Lorenzo Terrière

Lorenzo Terrière is doctoraatsonderzoeker en geeft les aan de Faculteit Politieke en Sociale Wetenschappen van de Universiteit Gent. Voorheen werkte hij o.m. op het kabinet van Defensie (N-VA).