Advertentie
Cultuur, Geschiedenis
Essay
Essay

Mijn zomer met Ernest Claes

Het nut van oude boeken lezen
Ernest Claes

Het begon allemaal op een gewoon feestje. Een 11 juliviering met een flinke portie cultuurflamingantisme. Er werden teksten gebracht van Felix Timmermans, Ernest Claes en Stijn Streuvels. En ik bedacht dat ik die niet allemaal kende. Eens thuis herontdekte ik een boek in mijn boekenkast Ernest Claes omnibus met daarin De Witte, Floere het fluwijn, Jeugd, De Heiligen van Zichem, Clementine en De Oude klok. Een halve Zomer leesplezier.

Ernest Claes als heimatschrijver

Met een boek van Ernest Claes rondlopen, het zorgt voor reacties. De Witte schijnt iedereen boven de vijftig jaar gelezen te hebben. We zijn al zo weinig zorgzaam met onze eigen culturele erfenis. Misschien heeft dat er ook mee te maken dat Ernest Claes in het collectief geheugen opgeslagen is als ‘heimatschrijver’. Toen de Rode Kruisdokter bij het bloedgeven die term in mijn gezicht wreef was ik verontwaardigd. Het klonk denigrerend in mijn oren dat ‘heimatschrijver’.

Tik ‘heimatschrijver wikipedia’ in op google en het eerste resultaat dat je krijgt is ‘Ernest Claes-Wikipedia’. Tja. Maar wat is dat dan een heimatschrijver? Een schrijver die de inspiratie voor werk vooral haalt uit zijn geboortestreek. Daar kan ik mee leven. Want Claes haalde er inderdaad zijn inspiratie. De hele omnibus die ik las brengt me naar de streek van Zichem. Al heeft Claes ook nog andere boeken geschreven, zijn heimatboeken worden tot zijn beste gerekend. Daar is mijns inziens ook niets mis mee. Waarom zou literatuur ons moeten meenemen naar onbekende einders?

Teletijdmachine

Oude boeken lezen brengt je terug in de tijd. Ik vroeg me vaak af wat mijn grootvader moet gedacht hebben bij het lezen van het heimatoeuvre van Ernest Claes. Mijn grootvader Frans, geboren in 1909 in net zo’n boerengezin als de witte. Met al grote verschil dat ze bij mijn grootvader echt arm waren. Bij Claes hield moeder vol dat ze arm waren.

Jeugd en De Oude klok zijn memoires van Claes die een licht werpen op het vrolijke boekje waar De Witte vaak voor wordt versleten. Die memoires deden me grijpen naar Ernest Claes; biografie van een heer uit Zichem. Wat klopt er van de verhalen die Claes vertelt? Dat wou ik al snel weten. Wat klopt er van het beeld van zijn werk?

Dat beeld is vertekend door Wij Heren van Zichem, toch een van de eerste grote Vlaamse fictiereeksen op de Vlaamse televisie. Zoals ik het me herinner was dat luimig- ik moet toch enkele heruitzendingen gezien hebben, het was de FC De Kampioenen van zijn tijd.

De Witte

Ik moet het toegeven, ik heb echt goed gelachen. Claes is een schitterend verteller. Zijn timing is perfect, je stapt bij het lezen zo de scènes binnen. Zijn waarnemingen zijn scherp, hij ziet dat de schoolvliegen op de vensterbank sterven van verveling.

Tot de beste scènes behoren de taferelen met meester Bakelandts en de inconsequente straffen. Dat straffen gebeurde trouwen met ‘de lat’. Maar ‘De meester is de meester, hij heeft altijd gelijk.’ Dat wordt kracht bijgezet door het verhaal van de kleine die wraak neemt op zijn makkers door langs hun huis te gaan met de mededeling dat ze morgen bij de meester moeten komen. Dat is in al die huizen al goed voor een rammeling van vader ‘in verhouding tot het inbeeldingsvermogen van de vader’, zonder enige vraag tot uitleg. Of de scène van de bedevaart met zijn oudere broer naar Sint Cornelius op de Blauwberg omdat de kleine Ernest ’s nachts schreeuwt door allerlei dromen. Tot de kleine doorheeft dat de pastoor denkt dat hij komt beewegen tegen bedplassen, verontwaardigd verlaat Ernest de kerk loopt naar huis en weigert nog naar Blauwberg te gaan … Heerlijk.

Romantiek

Maar al die vrolijkheid kan de hardheid van die tijd niet verbergen. Claes maakt het niet mooier dan het was, hij was geen romanitcus. Hij opent er Jeugd mee. In het eerste hoofdstuk beschrijft hij de ‘hamburgerjobs’ van die tijd: de dagloners, die in de winter denappels verzamelen, zand wassen, klompen maken, bezemsbinden, lattenklieven en vissers. Stropen was geen hobby, maar een noodzakelijke bijverdienste. Het gestroopte werd verkocht, aan dezelfde rechters die de stropers veroordeelden wegens stroperij, zo vertelt Claes. Claes vertelt het misschien grappig, maar wrang is het ook. Je ziet een klassenmaatschappij waaruit het moeilijk ontsnappen is.

Geworpen

De Witte en die andere boeken lezen als de worsteling van Claes met die ‘geworpenheid’. Wie in zijn tijd werd geboren in een boerengezin was boer en zou boer blijven. ‘Wees boer die God boer schiep’. De Witte is Claes en niet gemaakt voor het harde boerenleven, al zeker fysiek niet. En erger, hij was verstandig genoeg om dat te beseffen, net zoals zijn vader waarschijnlijk. Maar de uitweg uit die ‘geworpenheid’ was zoals het oog van de naald, moeilijk door te komen.

Claes beschijft de lotgenoten die proberen hun lot te ontlopen. Er waren de eerste fabrieken steenbakkerijen waar ze konden werken, maar ‘dikke daguren’ werden verdiend door ‘walenmannen’ die de oogst gingen afdoen op grote boerderijen in namen of in Zuid -Brabant, ‘Drie vier weken aan een stuk slaafden ze daar ginder als beesten, dertien, veertien uur per dag, eigenlijk zo lang als er licht in de lucht was. Een paar keren heb ik later zo een groepje van die arbeiders bezocht. Het vee was er beter gehuisvest op die Waalse hoeven. Van de boer kregen ze elke dag een portie aardappelen, verder niets. Hun spek moesten ze zelf meebrengen of kopen van de boer. Alleen de laatste dag trakteerde de boer, met jenever, en als ze dan half dronken waren betaalde hij de lonen, legde voor ieder een stapeltje vijffrankstukken neer, en was weg. Ze wisten dat ze bestolen waren, dat er altijd een paar dagen te weinig werden gerekend, maar ongeletterd als ze waren, durfden ze niet te reclameren. Ze kenden bovendien geen woord Waals en waren blij met het hoopje zilvergeld. Als ze weer thuis kwamen zagen ze er zo afgetobt en gebroken uit dat men ze haast niet meer herkende.’ (uit Jeugd p183 in mijn Omnibus). Een verheerlijking van de heimat durf ik dat niet te noemen.

Het Vlaanderen uit die boeken is ondertussen een ver en onbekend land geworden. Een land waar heiligen genezen en duivels, spoken en geesten nog door de bossen dwaalden. Waar straffe verhalen voor echt verteld werden bij het vuur. Waar verteld werd hoe Wannes ’s nachts ternauwernood ontsnapt was aan Het Ergste.

Ontsnapt

Louis Verheyden of de Witte ontsnapt op het einde van het boek langs de enige route die haalbaar was: de drukkerij van de abdij van Averbode, het oog van de naald. De abdij nam wel meer volk aan. Ze beseften maar al te goed dat ze een alternatief waren voor het harde boerenleven in de streek. De weg van De Witte is exact de weg die Ernest Claes genomen heeft. Hij is er begonnen als een soort klerk in de religieuze broederschap die de paters er hadden en groeide verder tot drukkersknecht. Claes is erin geslaagd de paters zo ver te krijgen dat ze zijn middelbare studies in Herentals betaald hebben. Ofwel omdat de paters zagen dat de jongen te verstandig was om daar drukkersknecht te zijn ofwel omdat ze geloofden dat hij pater zou worden.

Na die enige uitweg leek de weg van Claes te stoppen. Universitaire studies waren onhaalbaar, zeker toen duidelijk werd dat hij geen Norbertijn zou worden. Maar ook daar heeft hij een smal pad gevonden: universitaire studies tijdens zijn legerdienst. Dit deel van het levensverhaal van Ernest Claes leest als een onmogelijk geacht succesverhaal, ‘a Flemish dream’. Van de uitzichtloze situatie: zoveelste zoon en fysiek zwak op een Vlaamse boerderij naar de Universiteit. We moeten goed beseffen dat er toen geen drieduizend studenten waren aan de Universiteit van Leuven. Je behoorde echt tot de intellectuele elite als je daar terecht kwam.

Via zijn contacten in de Vlaamse beweging en zijn eerste literaire successen is Claes uiteindelijk terecht gekomen als vertaler en later directeur Beknopt Verslag aan De Kamer van Volksvertegenwoordigers. Tot 1944 heeft hij als ambtenaar nooit meer financiële zorgen gehad. Hij zat op de eerste rij en had blijkbaar tijd genoeg om te blijven schrijven en voordrachten geven.

Liefde

Claes schrijft met liefde over de mensen rond hem. Geen compassie, maar liefde. En toch was Claes ook een scherp observator. Een van de eerste boeken van Claes die ik ooit las was De vulgaire geschiedenis van Charelke Dop. Een heruitgaven van het Davidsfonds en het Ernest Claesgenootschap. Mooie uitgaven, grote boeken, iets moeilijker om in de zetel te lezen, dat wel. Charel Dop is een oorlogswoekeraar een profiteur een gladjanus die overal mee weg komt. Het is een boek geschreven door iemand die de zaken helder ziet.

Hetzelfde kan je zeggen van Celestine, de meid die droomt zelf ooit bazin te zijn. Die droomt het fortuin van haar bazin en later haar baas te erven en eraan ten ondergaat als dat niet zo is. Het is een harde karakterschets, een scherpe menselijke observatie, zowel van de bazen als van de meid. Het heeft iets Elschotachtig al was die veel medogenlozer dan Claes in het portretteren van de klein kanten van de mens.

Ernest Claes kampt zelf ook met zijn reputatie als heimatschrijver. Hij heeft een tijd geprobeerd om die grote roman te schrijven. Maar dat bleek niet echt zijn uitdrukkingsmiddel. Hij was beter in het vertellen van ‘eenvoudige verhalen’, maar dat wil dan alweer niet zeggen dat daar geen extra lagen in te vinden zijn. Maar zijn hele leven zou Claes de schrijver van De Witte blijven. Dat heeft hem ook geen windeieren gelegd. Claes heeft goed verdiend aan zijn boeken en aan zichzelf. Die beroemdheid nam nog toe toen ‘de eerste Vlaamse film’ net de verfilming van De Witte was.

Ernest Claes de flamingant

De taferelen uit zijn jeugd in de verschillende boeken spelen zich af voor de Eerste Wereldoorlog. Claes behoorde tot een generatie die twee wereldoorlogen moest meemaken. Dat heeft gevolgen gehad voor zijn werk en leven. Claes heeft de WOI eerst in krijgsgevangenschap en daarna in Le Havre, het aan het Front gehate Le Havre, doorgebracht. Tijdens de WOII bleef hij in Brussel. Zijn levensloop geeft inzicht in twee cruciale periodes voor de Vlaamse beweging. Die komen ook uitgebreid aan bod in zijn biografie.

Die biografie van Ernest Claes is een aanrader. Een lijvig werk dat, zoals het een goede biografie betaamt een tijdsdocument is. Claes is zijn hele leven goed bevriend geweest met Gust en Frans van Cauwelaert, met Stijn Streuvels, met Walschap en is altijd Vlaamsgezind geweest. Je ziet de politieke veranderingen in Vlaanderen en de weerslag die dat heeft op het politieke denken van Claes. Hoe hij ondanks de vriendschap ook kritiek heeft op zijn vriend Frans van Cauwelaert. Hoe hij worstelt met zijn houding naar het activisme en naar de Frontbeweging. Hoe hij langs de andere kant probeert zo gewoon mogelijk te leven tijdens de WOII en soms wel heel dicht bij de bezetter aanleunt, wat ook voortvloeit uit zijn vooroorlogs succes als auteur in Duitsland. Hij waagt zich zonder nadenken op glad ijs, meeglijdend met de tijd.

En ja, ook de repressie is langs de deur van Ernest Claes gepasseerd. In het boek zie je ook hoe het land worstelt met die repressie, hoe Claes een tijd in de cel zit zonder beschuldiging. En zich nadien moet verantwoorden waarom hij in de cel zat. Maar ook hoe hij een betere behandeling kreeg in de cel. Toch heeft die repressieperiode hem diep geraakt. De biografie toont ook hoe hij in zijn verdediging eerdere overtuigingen vergeet of verdraait. Maar ook hoe moeilijk het is te leven tijdens een bezetting. Het is een opvallend verwijt dat hij maakt aan Frans van Cauwelaert, die heeft volgens Claes makkelijk spreken omdat hij nooit onder een bezetting heeft geleefd. Maar zoals het een goed auteur betaamt, heeft hij van die repressie literatuur gemaakt.

Die repressie zette Claes wel op droog zaad. Hij was geschorst als directeur in De Kamer (en veel steun van zijn goede vrienden/politici kreeg hij niet), nieuwe boeken mochten nog niet verschijnen en oude boeken ook niet. Uiteindelijk begon hij als rondreizende zichzelfheid, want beroemd was hij zeker. Eerst in de Vlaamse circuits en later verder over heel het land.

Beulemans

Een ander pijnlijk onderdeel van de biografie is de evolutie van de familie Claes in Brussel. De Vlaamsgezinde Claes die moet vaststellen dat zijn eigen kleindochter onder zijn ogen verfranst in Brussel. De grootvader stelt zich de vraag of zijn kleindochter nog genoeg Nederlands zal kennen om het werk van haar grootvader te kunnen lezen. De man was natuurlijk, zoals elke gestudeerde van zijn tijd perfect bilingue. Hij had zijn middelbare en hogere studies in het Frans gedaan. Na lectuur vroeg ik me af hoe het met die verfransing van de kleindochter zou afgelopen zijn. Als erfgename zal ze het werk van opa Ernest wel kennen.

Opvallend is ook het rijke Vlaamse leven in Brussel ook het culturele leven. En ook toen al blijken Vlaanderen en Franstalig België twee verschillende werelden. De Franstalige buren van de oude Ernest Claes schrikken zich een hoedje als de BRT alles uitrolt om een ‘ten huize van’ te maken. Blijkt hun buurman een beroemd man te zijn, waar zij nog nooit van gehoord hadden.

Oude boeken

‘Waarom lees jij zulke oude boeken?’ Het was een vraag die me deze zomer vaker is gesteld. En ze deed me nadenken. Is het nuttig boeken te lezen die zelfs nog in een oude spelling zijn geschreven. Maar wat blijft er over van onze culturele geschiedenis als we ook literair leven alsof er enkel een heden en morgen is en geen gisteren of eergisteren? Waarom kennen wij zo weinig fierheid over ons literair erfgoed? Waarom putten Vlaamse cultuurbonzen zich uit om de literaire erfenis van Vlaanderen zo klein en onbeduidend mogelijk te maken? Waarom zou een heimatschrijver waardeloos zijn? Alsof het verhaal van De Witte niet universeel is. Alsof die worsteling met de geworpenheid vandaag niets meer zegt. Voorbije zomers waren er nog heruitgaven van ‘oude’ Vlaamse boeken. Pallieter van Felix Timmermans blijkt helemaal niet anti-modern te zijn en nog minder kneuterig. Een mens van Goeden Wil en Hautekiet van Gerard Walschap staat er als literatuur nog. Waarom toch zijn er niet meer dergelijke heruitgaven. Met een nawoord zoals dat van Kevin Absillis bij Pallieter.

Oude boeken brengen ons bij de geschiedenis van onze taal en onze manier van uitdrukken en dus van leven. Oude boeken zetten aan het denken. Ernest Claes brengt ons terug naar een onbekend Vlaanderen. Dat is een nuttige uitstap. Kunnen we Vlaanderen vandaag niet beter verstaan als we ook het Vlaanderen van gisteren en eergisteren kennen?

Grijpen naar de wind

Ik vroeg even rond, voor de neus weg, in een klas 6de jaars, van de 14 leerlingen was er geen enkel die ooit van Ernest Claes had gehoord. Roem is vergankelijk. Ook dat kan je leren van het lezen van biografieën én oude boeken.

Reacties

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans