Analyse

Franciscus I pakt de verkeerde ‘kaka’ aan

De ergste misdaad van de kerk is het verplichte celibaat

Mannen worden niet pedoseksueel omwille van het celibaat, maar de verplichting daartoe heeft pedoseksuele mannen aangetrokken, misschien zelfs te goeder trouw.

René Stockman gebruikt in Misbruik in de kerk (02/09) veel woorden om niets te zeggen. Zijn positie is natuurlijk niet benijdenswaardig: als loyaal generaal-overste van de congregatie der Broeders van Liefde is hij met handen en voeten gebonden aan de kerkelijke hiërarchie; en als diepgelovige katholiek kan het niet anders of de huidige crisis in de kerk moet hem ontzettend veel pijn doen. Hij bevindt zich in de klassieke situatie van cognitieve dissonantie: hij kan niet geloven wat hij om zich heen waarneemt, en zoekt een uitleg die volkomen naast de kwestie is.

Gewoonterechtelijke doofpot

De schuld van de kerkelijke overheid wordt door hem op een drafje herleid tot machtsmisbruik door individuen die verblind waren door hun positie; terwijl hij het misdadige gewoonterecht minimaliseert dat tot voor kort in de kerkelijke organisatie heerste tegenover degenen die ontmaskerd werden als bedrijvers van seksuele misdrijven: ze werden vermaand en bij herhaling verplaatst, waarna ze konden herbeginnen. Er is voor ongeveer 1990 geen enkel geval bekend van een duidelijke schorsing of ontzetting uit het ambt en dit in strijd met de vrome uitleg die Stockman nu geeft:

‘Naar de plegers toe dienen restrictieve maatregelen te worden genomen, om te voorkomen dat ze nog ooit tot grensoverschrijdend gedrag zouden overgaan. Daders moeten gestraft worden en boeten voor hun vergrijp, net zoals anderen die een misdrijf hebben gepleegd. Maar dat sluit niet uit dat we naar de persoon nadat hij zijn straf heeft uitgezeten een helpende hand zouden uitsteken. We moeten met de dader op zoek  gaan naar therapeutische ondersteuning en eveneens een nieuw levenskader, maar steeds erover wakend dat hij niet meer in de gelegenheid komt om misbruik te plegen’.

Dit is duidelijk wat de kerkelijke hiërarchie (die niet synoniem is met ‘de kerk’) eeuwenlang niet gedaan heeft. Dat is de zware schuld die de huidige paus van zich probeert af te schuiven door de daders als ‘kaka’ weg te zetten, maar niet in te gaan op de ingebakken gewoonte om de doofpot te hanteren. De schuld van de kerkelijke hiërarchie is bovendien dubbel en daar gaat Stockman helemaal aan voorbij: zij blijft, tegen de eigen geloofsbronnen in, vast houden aan het verplichte celibaat.

Criminogene uitwassen

Nu is er niets tegen vrijwillig celibaat. En men wordt natuurlijk geen pedoseksueel omdat men geen seksuele betrekkingen kan of mag hebben, er zijn vele bewonderenswaardige priesters die deze levenswijze gecombineerd hebben met warme dienstbaarheid aan de gemeenschap. Maar door dit als een verplichting te poneren heeft de machtige kerk in het verleden de illusie verwekt bij jonge mannen die zich niet aangetrokken voelden door meisjes, of die als adolescenten in de knoei lagen met hun seksualiteit (wat ook al in de hand werd gewerkt door de kerkelijke taboes), dat zij een ‘roeping’ hadden. Velen hebben dat waarschijnlijk te goeder trouw zelfs oprecht gemeend.

Eenmaal gewijd ontdekten velen bij zichzelf andere gevoelens die zij geleidelijk aan weg redeneerden op basis van Jezus met de kinderen (Marcus 10:13-16; Mattheus 19:13-15: Lucas 18:15-17). Met volkomen vergetelheid van de strenge veroordeling van knapenschenders door de apostel Paulus (I Korinthen 6:10, I Timotheus 1:10), die volgens hem geen plaats hadden in het koninkrijk van God. Ook de hiërarchie vergat die regel: ze sloot ontmaskerde pedoseksuelen niet uit, maar verplaatste ze. Zodat ze in recidivisme konden vervallen en het misbruik niet slechts een multiplicatoreffect kreeg, maar intern ook als ‘normaal’ werd gezien. En dat was geen toevallige fout, maar een algemeen verbreide praktijk, een ongeschreven wet. In elk Vlaams college kenden vele leerlingen de priester-leraars die hun handen niet konden thuis houden. Alléén de directie wist dat niet.

Een stoïcijnse traditie

Niet alleen werkte dat als een magneet voor jonge mannen met een seksueel deviante aanleg, het werkte afwijkend gedrag ook nog eens in de hand. Want we mogen aannemen dat mannen met een ‘normale’ seksuele aanleg zich lieten inspireren door het gedrag van hun overheid die seksuele misdrijven blijkbaar goedkeurde of op zijn minst toestond, wanneer ze toch ‘maar’ begaan werden met minderjarigen met wie zij een ‘spelletje’ speelden. We mogen daarom aannemen dat het celibaat niet slechts pedoseksuelen aantrok, maar er ook bij kweekte. Dat is de echte ‘kaka’ van de katholieke kerk die ze maar niet opgeruimd krijgt.

In feite werd de kerk een criminogene organisatie of, zo men dit te hard vindt, een organisatie met criminogene uitwassen. Dat was niet logisch. De apostel Paulus had nadrukkelijk gezegd dat het verkieslijk was voor christenen om geen vrouw aan te raken, maar dat mannen die vrees hadden voor ontucht het recht hadden om te huwen; en dat zij hun vrouw geen gemeenschap mochten weigeren tenzij in onderlinge toestemming (I Korinthen 7:1-9). Wat volgens hem aan te raden was (7:27, 29b). Tegelijkertijd verdedigde hij het recht van de apostelen om zich te laten vergezellen door een christelijke vrouw (I Korinthen 9:5). Hij prees dus de seksuele onthouding, maar veroordeelde het verplicht celibaat, een organisatorische regel die geen enkele basis heeft in de Bijbel, niet in het Nieuwe en zeker niet in het Oude Testament.

Een managementregel

Paulus bevond zich daarbij eerder in een stoïcijnse traditie, die het duidelijkst verwoord werd door zijn tijdgenoot Musonius Rufus (ca 20-100). Die keurde alle seks af behalve in het huwelijk en dan nog slechts om kinderen te verwekken, zonder lustbeleving. Hij maakte zich vooral zorgen over het wijdverbreid gebruik van meesters om betrekkingen te hebben met slavinnetjes, waaruit kinderen konden voortkomen waar de meester gehecht aan raakte, ten koste van de wettige erfgenamen. En waardoor slavinnen ook psychologische macht kregen over hun meester, aldus Lucius Aenea Seneca (4 vCT-65 CT)  in Epistola ad Licinium (47). De stoïcijnen waren dus niet bezorgd voor de slaven, maar voor de slaveneigenaars.

De kerk nam die stoïcijnse houding over, en breidde haar uit tot het celibaat. Dat werd ingesteld om het ontstaan van priesterlijke dynastieën te beletten om het kerkelijk bezit, dat diende voor de armenzorg, van vader op zoon over te dragen. De regel gold aanvankelijk alleen voor de bisschoppen (en hun mogelijke opvolgers) die oorspronkelijk geen geestelijke leiders waren, maar financiële beheerders, managers zeg maar (wat de betekenis ook is van de Griekse term episkopos). Verder waren er de monniken die uit persoonlijke ascese maagdelijk bleven, wat heel wantrouwig bekeken werd tot zij gereglementeerd werden door de regel van Benedictus van Nursia (480-547). En de kanunniken die in gemeenschap rond de bisschoppen leefden. Een leefwijze die ook al ontleend was aan Griekse sekten (als de pythagoreeërs).

De seksuele obsessie

Het celibaat werd in de katholieke kerk (maar niet in de oosters-orthodoxe) pas echt verplicht opgelegd in de derde canon van het Eerste Concilie van Lateranen (1123), als uitloper van de Gregoriaanse Hervorming. Opvallend is dat de eerste Canon van dit concilie sloeg op het verbod tot het verlenen van kerkelijke ambten op basis van financieel gewin, de zogeheten simonie. Wat aantoont dat het opnieuw veeleer een pecuniaire dan een spirituele kwestie was, al speelde ook de seksuele obsessie een rol, die de kerk bijna van in het begin getekend heeft.

Men vergeet vaak de diepere oorzaak van die obsessie: in de Romeinse tijd was de kerk een toevluchtsoord voor slaven. Velen daarvan, meisjes zowel als jongens, werden dus seksueel misbruikt door hun meester en moesten zich dat wettelijk laten welgevallen (juridisch waren zij sprekend vee). Dat tastte niet slechts hun fysieke maar ook hun psychische integriteit aan, hun menselijke waardigheid.

De kerk nu riep niet op tot verzet tegen de slavernij, zij was niet uit op maatschappelijke destabilisering en hield de trouw aan het gezag hoog in het vaandel (I Petrus 2:13-20). Meer nog: Paulus had zich openlijk tegen anti-slavernij-agitatie gekeerd: in de Brief aan Philemon stuurt hij de gevluchte slaaf Onesimus terug naar zijn meester, die hij evenwel aanspoort om hem voortaan als een broeder te behandelen (12-16). En in I Korinthen (7:20-21) roept hij (net als Petrus) de slaven op om slaaf te blijven en daar niet verdrietig om te zijn. Door vrijwillig in de staat te blijven waarin God hen geplaatst had, hielden zij op slaven te zijn van mensen en werden zij slaven van Christus.

Niet toegeven aan impulsen

Dat ging terug op de doctrine van de Joodse stoïcijn Philo van Alexandrië (ca 20 vct-45 CT) die gesteld had dat de ware vrijheid erin bestond zijn plicht te doen. Echt slaaf werd je maar door toe te geven aan je impulsen, zoals de impuls om je meester niet te gehoorzamen. De joodse sekte der Essenen weigerde ondertussen om slaven te bezitten, maar deed niets om de instelling als dusdanig aan te vallen. Ook de kerk wilde niet de slavernij afschaffen (wat toen economisch ook niet mogelijk was, en slechts tot suïcidale acties leiden kon), maar de slaven een gevoel van menselijke waardigheid geven. Wat op zich revolutionair was. In de hemel zouden zij de gelijken zijn van hun meesters op voorwaarde dat zij op aarde aan hen gehoorzaamden.

Maar zij zat natuurlijk in haar maag met dat seksueel misbruik. Omdat zij zich daar niet tegen kon keren zonder de verdenking op zich te laden maatschappelijk subversief te zijn, predikte zij de kuisheid. Dat werd een obsessie, die al snel tot misbruiken leidde, zeker in de kloosters. Het protest werd in de Middeleeuwen verwoord door Petrus Damiani (1007-1072). Hij ging in Liber Gomorrhianus zo fel te keer tegen masturbatie, homoseksualiteit, sodomie en misbruik van jonge novicen dat de toenmalige paus Leo IX hem tot kalmte maande.

De wereld werd te oud

Zijn remedie was merkwaardig: ook de parochiepriesters op het platteland, die bijna allemaal een vrouw hadden en kinderen, wat kerkrechtelijk volkomen in orde was, dienden voortaan te leven als monniken. De redenering was bizar: door de zondeval van Lucifer had God in zijn hemel niet voldoende engelen meer om zijn zangkoren te bemannen. Die moesten opgevuld worden door overleden monniken, maar die moesten maagdelijk zijn gebleven. De wereld was oud geworden en het Einde der Tijden was nabij, dus diende er een eindspurt ingezet te worden. En moesten ook de parochiepriesters aan die wedstrijd in maagdelijkheid deelnemen.

Dat kwam zijn ‘partijgenoot’ Gregorius VII (1015/1073-1085) goed uit. Die wilde tijdens de investituurstrijd de greep van de paus op de clerus versterken en kondigde in 1074 een soort burgerlijke ongehoorzaamheid af tegen bisschoppen die gehuwde priesters toestonden in hun diocees. Waardoor hij, ironisch genoeg, feitelijk in de ketterij van het donatisme verviel, die zegt dat sacramenten niet geldig zijn als de bedienaar onwaardig is. Men noemde dit de leer van de ‘contemptus mundi’ of wereldverachting. Tegen het einde van de twaalfde eeuw werd dit nog aangedikt door het geschrift van paus Innocentius III (1161/1198-1216) over de ellende van het menselijk bestaan, De miseria humanae conditionis.

Van hedonisme tot pessimisme

De celibaatsverplichting baadde dus in een diep pessimistische visie die de kerk vervolgens eeuwen lang verziekt heeft. De leer van de hedonistische Jezus, die in zijn tijd verweten werd een veelvraat en een slemper te zijn (Mattheus 11:19), werd een leer van verzuurde oude mannen die met hun lichamelijke noden geen blijf wisten. Men hoeft dus niet verwonderd te zijn dat de remedie van de Gregoriaanse Hervorming precies die kwalen aanmoedigde waar Petrus Damiani (en Paulus) zich zo heftig tegen gekant hadden. Heel de middeleeuwen door was er een satirisch genre dat de wellustigheid beschreef van priesters en monniken, met als hoogtepunt de Canterbuy Tales.

Hoe dan ook: tegen het vrijwillige celibaat is geen enkel bezwaar, dat is een keuze die respectabel maar persoonlijk is, het gaat om de verplichting. Die heeft geen poot om op te staan en de goegemeente verwachtte dan ook de afschaffing ervan tijdens het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965). Paus Paulus VI (1963-1978) bevestigde evenwel in een encycliek uit 1967, Sacerdotalis Coelibatus, de verplichting nog eens, terwijl hij van bij de aanhef toegaf dat hij zich hiervoor op geen enkele geschreven tekst kon beroepen. Hij riep het voorbeeld in van Jezus zelf, die volgens hem maagdelijk geleefd had. Wat nergens duidelijk geschreven staat, maar niet onmogelijk hoeft te zijn. Al liet hij zich graag door vrouwen vergezellen, die hem dan ook nog eens onderhielden (Lucas 8:3).

De beweringen van verschillende apocriefe Evangeliën die een intieme band met Maria Magdalena suggereren (maar niet expliciet maken) mogen we weliswaar met een dikke korrel zout nemen, maar hoeven niet per definitie onmogelijk te zijn. Binnen het klassieke judaïsme werd celibatair leven voor een rabbi als hoogst onfatsoenlijk gezien (al kwam het wel voor bij de dissidente groep der Essenen). Het was bijna een ongeschreven regel dat men zijn vrouw diende te beslapen de avond voor de sabbat (tenzij zij menstrueerde). Vandaar waarschijnlijk dat Paulus zich op dit vlak diende te verdedigen. Maar zelfs als het zo zou zijn dat Jezus maagdelijk bleef: hij liet zich ook op een kruis hangen. Moet een priester dat dan ook doen?

Het etaleren van het lijden

Volgens Johannes-Paulus II waarschijnlijk wel, die etaleerde zijn pijnlijke ziekte trots aan de wereld, terwijl hij alle touwtjes in handen wilde houden. In Mattheus (19:12) sprak Jezus over mannen die zichzelf gecastreerd hadden omwille van het koninkrijk der hemelen (wat nog wat drastischer is dan maagd blijven), maar hij prees dat niet aan. De enigen die op dat moment dit in de praktijk brachten waren de ‘galli’, de priesters van de Phrygische Magna Mater. Ze deden dit in navolging van haar zoon Attis die rouwde om de door haar onbeantwoorde liefde. Later schijnt het ook nog geïmiteerd te zijn door de kerkvader Origenes (ca. 185-255) maar dat werd hem in de kerk erg kwalijk genomen. Zijn confraters vonden dat hij overdreef.

Maar terug naar het celibaat: de kerk hangt vast aan een verplichting die door geen enkele geloofsbron geëist wordt, om opportunistische redenen ingevoerd werd, en die waarschijnlijk nooit functioneel is geweest. Het gevolg van die hypocrisie is dat zij een zwijgcultuur heeft geïnstalleerd, een omerta. Eeuwenlang ging dat goed omdat de schroom voor de instelling overwegend was. Ik herinner me nog de spontane reactie van mijn moeder toen ik haar vertelde van een priester-leraar van wie iedereen wist dat hij zijn handen niet van mooie jongens afhouden kon: ‘Zwijg daarover!’

Dat respect is ondertussen sterk afgenomen. Dat geldt overigens niet alléén voor de katholieke kerk. Begin jaren negentig van de vorige eeuw bracht Daniel Buyle op VTM al een dossier aan het licht van kindermisbruik in Unicef dat in de doofpot werd gestoken (hij werd er voor ontslagen, omdat hij de kinderen onvoldoende onherkenbaar had gemaakt in zijn reportage). Wat een einde maakte aan zijn journalistieke loopbaan (eerder was hij al ontslagen voor een heel andere kwestie bij de VRT). In Amerika is er een schandaal in de turnvereniging met een dokter die honderden kinderen heeft misbruikt. Er hebben zich misbruiken voorgedaan in de internationale scoutsvereniging en in het Britse jeugdvoetbal, en bij Artsen Zonder Grenzen. De belangrijkste presentator van BBC-kinderprogramma’s, Jimmy Saville, is postuum bekend geraakt als een seksueel roofdier. Enzovoort.

De kerk is meer dan hiërarchie

Het is daarom al even hypocriet om alléén de katholieke kerk met de vinger te wijzen, de gevoeligheid voor kindermisbruik is eeuwenlang overal onder de mat geveegd. Maar de kerk staat natuurlijk letterlijk met haar broek op de hielen omdat uitgerekend zij zich steeds gepositioneerd heeft op een strenge seksuele moraal. Zij krijgt dus haar eigen boemerang in het gezicht geslingerd. Dat moet, ik herhaal het, voor oprechte gelovigen verschrikkelijk zijn. Ze zal het overigens overleven. Geen enkele organisatie (de ulama uitgezonderd) heeft zich in het verleden zo hard opgesteld tegen homoseksualiteit als zij, maar in de uitzending op Canvas ‘Voor de mannen’ van Xavier Taveirne zag je dat uitgerekend bij bejaarde strijdbare homo’s een kruisbeeld prominent de leefkamer domineert. Ook in mijn subjectieve ervaring meen ik vast te stellen dat uitgerekend deze ‘uitgestoten’ homo’s erg gelovig blijven.

Het bewijst slechts dat de hiërarchie de kerk niet is, hoe hard zij ook altijd haar best heeft gedaan om dat in de geesten te verankeren. Zelf ben ik geen gelovige, ik heb er dus weinig mee te maken (sociologisch ben ik natuurlijk een katholiek gedoopte), maar ik denk dat de trouwe gelovigen zich daaraan moeten optrekken: de kerk is meer dan haar officiële woordvoerders.

Ook iemand als René Stockman zou zich dat moeten realiseren: het is zijn taak niet om in andermans hersenen te koteren, maar om de liefde uit te dragen die in de Evangeliën terug te vinden is. Als hij dat doet, dan zal hij misschien ook begrijpen dat het zijn taak niet is zich te bemoeien met mensen die hun leven als voltooid beschouwen, maar hulp te bieden aan mensen die wanhopig in dit leven willen blijven. Soms tegen de kerk in.

Eddy Daniels

steun doorbraak

Wil u graag meer lezen van Eddy Daniels?

Doorbraak is een onafhankelijk medium zonder subsidies. We kunnen dit enkel doen dankzij uw financiële steun. Uw steun geeft onze auteurs de motivatie om meer en regelmatiger te schrijven. Steun ons met een kleine bijdrage of word vandaag nog Vriend van Doorbaak.

Ik help Doorbraak groeien.

Dit artikel delen of afdrukken




Commentaren en reacties


Kijk vooraf even op onze Spelregels en technische problemen
Reacties - klik hier

Voeg een reactie toe

https-doorbraak-be

Lees ook

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans