Het geknakte riet: over de grenzen van de vrijheid in het jonge België

| Titel | Het geknakte riet |
|---|---|
| Subtitel | De grenzen van de vrijheid in het jonge België (1815-1850) |
| Auteur | Emiel Lamberts |
| Uitgever | Ertsberg |
| ISBN | 9789464984736 |
| Onze beoordeling | |
| Prijs | € 32,5 |
| Koop dit boek | |
Vijf jaar na het ontstaan van België, in een brief gericht aan de bekende Oostenrijkse staatsman Klemens von Metternich, beklaagde koning Leopold I zich over radicale en liberale priesters die ‘gevaarlijker zijn dan de meest furieuze en dolgedraaide republikeinen’.
Metternich, vertrouwd met de geschiedenis van het land vanwege het Oostenrijkse verleden, lichtte in zijn antwoord de koning voor over hoe ‘het katholieke volksdeel’ in België ‘steeds in verweer heeft gestaan tegen het centraal gezag en dit sinds Jozef II’.
Dit fascinerende stuk vaderlandse geschiedenis, van het politieke katholicisme in de periode van het ontstaan van België, vormt het onderwerp van het recente boek van emeritus hoogleraar Emiel Lamberts. Hij knoopt hiervoor aan bij onderzoek dat hijzelf verrichtte in het begin van zijn academische loopbaan in de jaren zeventig. Het werk vormt ook een aanvulling op het boek over de republikeinen in het jonge België van Lamberts’ generatiegenoot en ‘compagnon de route’ Els Witte (2020).
De revolutie van 1830
Als de katholieken in de tijd van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden (1815-1830) even strijdlustig oppositie voerden tegen het bewind van Willem I als de liberalen en de radicalen, dan had dat in de eerste plaats met kerkelijke belangen te maken.
Maar het was niettemin opmerkelijk dat ze zich ‘resoluut op het terrein van de grondwet’ plaatsten
Maar het was niettemin opmerkelijk dat ze zich ‘resoluut op het terrein van de grondwet’ plaatsten. Met de eis voor persvrijheid, naast onderwijs- en godsdienstvrijheid, begaven ze zich zelfs ‘goed op liberaal terrein’ — in Lamberts’ woorden.
Vaak wordt het ‘liberaalkatholicisme’ in België exclusief vereenzelvigd met het gedachtegoed van de Franse priester-filosoof Félicité de Lamennais (1782-1854). Maar Lamberts bevestigt wat ook Metternich had begrepen: dat die invloed in België nooit doorslaggevend was. Als het overgrote deel van katholiek België na de revolutie van 1830 geen enkele moeite had om de nieuwe, liberale grondwettelijke orde te verwelkomen, was dat omdat men die zag ‘in het licht van de nationale godsdienstige tradities’.
Democraten versus conservatieven
Na 1830 ontwikkelde zich niettemin een tweespalt. Onder de ‘Vlaamse’ parochiepriesters (‘Vlaams’ verwees toen nog in de eerste plaats naar de provincies Oost- en West-Vlaanderen) en verder ook in Doornik leefden onder invloed van het revolutionaire enthousiasme uitgesproken liberaal-democratische ideeën. Ze zetten zich in voor ‘volkse en lokale vrijheden’ (de gemeentewet van 1836 vormde hun belangrijkste overwinning), onderschikking van de regering aan het parlement en de uitbreiding van het kiesrecht.
Daartegenover stond nu een conservatieve, ‘ultramontaanse’ vleugel die weliswaar de grondwet aanvaardde, maar zich verzette tegen elke verdere democratisering. De ultramontanen streefden naar een zo groot mogelijke bescherming en bevoordeling van de Kerk, en dus een gedeeltelijke overbrugging van de scheiding tussen Kerk en staat.
De conservatieve reactie werd aangevuurd door de hoge clerus, de koning en de landadel, en kon steunen op de pauselijke veroordeling van het liberalisme en van Lamennais (die er toenemend sociaal-radicale ideeën op nahield). Na het revolutiejaar 1848 kon het katholieke conservatisme ook rekenen op steun van een deel van de burgerij.
Een minimale staat
Lamberts’ boek maakt duidelijk hoe een ‘volkse Kerk’, die in de Franse tijd en onder het Koninkrijk der Nederlanden was ontstaan, in de periode van 1830 tot 1850 ‘weer een machtsinstituut’ werd. Zij die aan de rand van het katholieke milieu een democratische oriëntatie trouw bleven gingen deel uitmaken van een bredere radicale groep. Deze bracht, zoals Els Witte heeft aangetoond, op originele wijze het ideeëngoed van Lamennais samen met het jakobijnse republicanisme en het vroeg-socialisme.
Bij Lamberts ligt het zwaartepunt bij het katholiek conservatisme, en in dat licht komen ook de levensbeschouwelijke strijd tussen liberalen en katholieken, het ontstaan van de Vlaamse Beweging, de heroprichting van een katholieke universiteit in Leuven en het armoedeprobleem uitgebreid aan bod.
Het liberaalkatholieke gedachtegoed verloor nadien haar democratisch potentieel en kreeg een pragmatischer profiel. In zekere zin werd het zelfs gerecupereerd voor een conservatief beleid, toen homogeen-katholieke regeringen vanaf 1884 ‘kozen voor een minimale staat, die zo veel mogelijk ruimte liet aan het vrije, katholieke initiatief’.
Nieuw systeem
Samen met het subsidiariteitsbeginsel gaf dit aanleiding tot een systeem van ‘gesubsidieerde vrijheid’ of het ‘verzuild pluralisme’, waarbij ‘een katholiek “getto” onder streng kerkelijk toezicht’ tot stand kwam. Die verzuiling paste volgens Lamberts eerder in een ultramontaans dan in een liberaalkatholiek denkpatroon.
Dat roept wel de vraag op hoe de opkomende christendemocratie vanaf het einde van de negentiende eeuw in dit verhaal past. Die was immers schatplichtig aan een nieuwe filosofische denkrichting binnen het katholicisme waarbij de staatsmacht, als motor voor sociaaleconomische hervormingen, een positieve rol werd toebedeeld.
Overhand
Pas na de Tweede Wereldoorlog, en vooral vanaf de jaren zestig, kregen liberaalkatholieke tendensen terug de overhand. Er ontstond in het katholieke milieu ‘een meer open en tolerant klimaat’, leidend tot onvoorwaardelijke aanvaarding van de individuele mensenrechten en de deconfessionalisering van de CVP.
Lamberts verwijst hiervoor naar het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) dat de kerk meer bij de tijd wilde brengen en waarop Leuvense theologen een belangrijke rol speelden. Bij de redactie van sommige teksten werd expliciet verwezen naar de Belgische liberaalkatholieke traditie, die terug onder de aandacht werd gebracht door katholieke historici als Roger Aubert en Henri Haag (zoals Lamberts in eerder werk heeft uiteengezet).
Lamberts’ bijzonder inzichtrijke boek laat, ondanks enkele losse eindjes, toe te besluiten dat het vrijheidselan van 1830 ‘geknakt, … maar niet gebroken’ werd.

Stefaan Marteel studeerde Geschiedenis aan de Universiteit Gent en doctoreerde aan het Europees Universitair Instituut te Firenze op een proefschrift over het politiek denken van de Belgische Revolutie (The Intellectual Origins of the Belgian Revolution: Political Thought and Disunity in the Kingdom of the Netherlands, 1815-1830, Palgrave, 2018). Hij doceerde aan de Radboud Universiteit Nijmegen en werkt sinds enkele jaren als zelfstandig historicus en recensent. Hij schreef het boek Natiestaat contra Republiek: de 'verloren schat' van het republikeinse universalisme (Garant 2021).
Poetin is sinds hij in 2000 aan de macht kwam ideologisch geradicaliseerd. Daarbij wordt vooral de Russische geschiedenis als wapen gebruikt.



