fbpx


Actualiteit

Kunnen we nog een weg uit? (V)



In de vorige bijdrage schreef ik over de noodzaak democratie te organiseren op een niveau waar de besluitvorming en het dragen van de gevolgen daarvan zo veel mogelijk samenvallen. De filosofe Tinneke Beeckman schreef daarover op 5 december lezenswaardige dingen op haar blog (tinnekebeeckman.deredactie.be/2011/12/05/geen-toekomst-links-geen-toekomst-rechts/). ‘Mijn stelling hier is dat een defecte democratische federale structuur een nefast fenomeen als “moral hazard” bevordert. (…) “Moral hazard” is een term uit de verzekeringssector. Het betekent dat je de mogelijkheid hebt om de kosten van aangegane risico’s naar iemand anders door te schuiven, terwijl je zelf de voordelen van een bescherming geniet. (…)’


Beeckman gaat verder: ‘Dit principe heeft ook een politiek belang. “Moral hazard” valt dan vaker voor naarmate een gemeenschap een democratisch deficit heeft. Want indien alle burgers effectief zeggingsschap hebben over beleidsvoorstellen, waarvan ze allemaal tezamen de negatieve gevolgen dragen als het verkeerd loopt, dan straffen ze ondoelmatig beleid strenger af. Maar wanneer de politieke verantwoordelijkheid wordt versnipperd, en politici (en hun bevolking) denken aan de kostprijs te kunnen ontsnappen, steunen ze vooral maatregelen die henzelf ten goede komen – ook al schaden die maatregelen de gemeenschap als geheel. (…) Juist zoals voor Europa, geldt voor België dat het dichten van het democratisch tekort eigenlijk de eerste bekommernis van politici zou moeten zijn.’


Europese oplossing voor de ‘moral hazard’


Ik kan dit moeilijke anders dan een juiste analyse noemen, aangezien ze nauw aansluit bij degene die ik eerder in deze reeks ontwikkelde. Het probleem van de ‘moral hazard’ zou, op het eerste gezicht, kunnen worden opgelost door van de Europese Unie een volwaardige federale staat te maken, voorzien van het hele arsenaal aan democratische vormen en technieken. Beeckman neemt daarover in genoemd blogstuk geen stelling in. Voor deze tekst vormt die kwestie de kern van de probleemstelling.


Guy Verhofstadt staat bekend als een warme, soms wat oververhitte pleitbezorger voor de Europees-federale oplossing. In De Morgen van 3 december 2011 krijgt hij twee pagina’s om zijn geloof nog eens breed uit te bazuinen. Verhofstadt is zo overtuigd van zijn onweerlegbaar gelijk, dat andersdenkenden getekend worden met weinig flaterende koosnaampjes als ‘speculanten, nationalisten, populisten, geen visie, geen perspectief’ en het verwijt krijgen zich te bezondigen aan ‘verkrampt electoralisme, onnozelheid, …’.


Het is altijd verstandig op te letten met té bevlogen politici die niet alleen menen dé enige en alles zaligmakende waarheid in pacht te hebben, maar daarenboven overtuigd zijn dat elke andere visie regelrecht naar de afgrond leidt. Demonisering van de andersdenkende wordt dan snel een morele plicht. 


Voor Verhofstadt is Europa meer dan een politiek project. Met zijn formulering ‘Democratie veronderstelt politici die voor de publieke opinie uit lopen in plaats van achterna te pikkelen. Dan pas krijgen we wat Europa bedoelt te zijn: a way of life.’ verlaat hij de vrije markt van de politieke vragers en aanbieders om op te stijgen naar de Tempel van het Alleszaligmakende Europese Licht.


Voor zijn eerste zin, over de voorop lopende politici, bestaan nog verdedigbare interpretaties. Politici horen inderdaad inspirerende projecten aan te bieden aan de kiezer en mogen niet wachten om standpunten in te nemen tot een nieuw blik enquête-resultaten wordt opengetrokken. Essentieel is wel dat de voorop lopende politicus door de kiezer wordt gevolgd en zo door die kiezer gelegitimeerd. Dat laatste lijkt niet altijd Verhofstadts grootste bekommernis en zijn gekozen formulering kan ook gebruikt worden om te verantwoorden waarom géén rekening moet worden gehouden met de opvattingen van de burgers, zoals in de Europese Unie eerder regel is dan uitzondering.  


Europa: a way of life?


De tweede zin uit zijn geloofsbelijdenis laat hoe-dan-ook maar één lezing toe. Europa is voor Verhofstadt een soort godsdienst-zonder-god geworden, die het hele leven van de mens moet omvatten. Hier ontpopt hij zich tot een nationalist, in de slechtste betekenis van het woord. Europa is dan niet langer een naar nut en doeltreffendheid te beoordelen beleidsniveau, maar een allesomvattende manier van leven. Uiteraard is elke vorm van kritiek dan uit den boze. Een mens moet toch even slikken als hij anno 2011 een staat beschreven ziet als a way of life. Wie zou het in z’n hoofd halen om Vlaanderen bijvoorbeeld te typeren als a way of life? Hoon zou, terecht, zijn/haar deel zijn. Verhofstadt komt er probleemloos mee weg. Het zet diens ideeën wel mooi in een uitgesproken Europees-staatsnationalistisch perspectief.


Verhofstadts zwart/wit-denken biedt natuurlijk het voordeel dat hij de zaken op scherp stelt. Zijn bewering ‘ofwel komt er snel een politieke federale unie, ofwel verdwijnt de euro’ klinkt overdreven rechtlijnig, maar is op termijn wellicht gewoon correct. Voor Verhofstadt, voorstander van de euro én van de politieke federale unie Europa, stelt zich hier geen probleem van botsende belangen.


De meeste politieke leiders en kiezers denken daar een stuk genuanceerder over. Volgens Verhofstadt ontbreekt het hen aan een ‘bevlogen, toekomstgericht project’ (lees: staan ze niet helemaal op zijn lijn), terwijl zij misschien gewoon enigszins rekening proberen te houden met de standpunten van de publieke opinie.


Vandaar dat hun oplossingen halfbakken lijken en dat in zekere zin ook zijn. Zij opereren niet in de kiem-(lees kiezers-)vrije zuiverheid van Verhofstadts laboratorium-denken, waarbij alle heil te vinden is in méér Europa en de feitelijke afschaffing van de autonomie van de lidstaten. In hun zoektocht naar een vergelijk tussen Europese samenwerking en respect voor de bestaande veelvormigheid van Europa – het meest wezenlijke kenmerk van Europa trouwens, die wederzijds bevruchtende culturele verscheidenheid – zijn gemakkelijke oplossingen geen optie. Misschien, zo zou een cynicus kunnen opmerken, zijn oplossingen dan tout court geen optie.


Politieke unie dankzij de crisis


De Europese leiders zetten op de top van 9 december 2011, waar de euro voor de zoveelste keer werd ‘gered’, weer enkele belangrijke stappen naar meer Europese eenheid. De Standaard schrijft op 10 december: ‘De lidstaten staan flink wat soevereiniteit over hun begroting af. Ze stemden er mee in hun ontwerp eerst aan de Commissie en dan pas aan hun eigen parlementen voor te leggen.’ Timothy Garton Ash, professor economische studies aan de Universiteit van Oxford, schrijft op 12 december in die krant: ‘Om de euro te redden, zullen zesentwintig leden van de EU een fiscaal pact sluiten en de controle over hun belastingen en uitgaven – twee kernbevoegdheden van een staat – aan gemeenschappelijk toezicht onderwerpen.’ Geen kleine stapjes, want hij gaat verder: ‘Als dat echt gebeurt, zal de crisis van de monetaire unie tot een politieke unie hebben geleid die er anders niet was gekomen.’


De Britse premier David Cameron bedankte feestelijk voor die erg onbritse cup of tea. Aan de andere zijde van het spectrum reageerden Euro-federalisten evenwel ook teleurgesteld. ‘Nog niet wat we nodig hebben’, vond Verhofstadt, zoals kon worden voorspeld. Voor hem is het akkoord enkel aanvaardbaar ‘indien de communautaire methode en het democratische controlerecht gerespecteerd worden.’ Bart Staes van Groen!: ‘Bovendien dreigt de democratische legitimiteit verder uitgehold te worden, omdat het EP helemaal buitenspel dreigt te worden gezet.’ Ze gebruiken het begrip ‘democratisch’ nog erg graag, weliswaar in een zeer specifieke betekenis die de minder aandachtige lezer wellicht ontgaat. Voor hen kan het begrip democratie alleen Europees worden ingevuld, terwijl Mia Doornaert (De Standaard, 12 december 2011) juist vaststelt dat het bij de invoering van de euro ontbrak aan een democratisch ‘draagvlak voor verregaande opgave van nationale soevereiniteit’.


Alleen ruimte voor mainstream


De Standaard vroeg ook nog naar de mening van een derde Europees Parlementslid, Katleen Van Brempt van SP.a. Het is typerend dat de krant het gedachteveld daarmee afgedekt acht. Volgens de jongste peilingen vertegenwoordigen de partijen van Verhofstadt, Van Brempt en Staes samen zo ongeveer een derde van de Vlaamse kiezers. Hoe democratisch zijn zij gelegitimeerd? Uiteraard verdienen zij ten volle hun parlementaire mandaat, verworven volgens alle regels van de kunst. Maar hun invloed in dat Europees Parlement danken ze minder aan hun behaalde stemmen in Vlaanderen dan wel aan de aanhang die hun fracties elders hebben vergaard. Logisch dat Vlaanderen het Europees Parlement niet domineert; dat is nu eenmaal een gevolg van de wet van de getalssterkte. Maar in welke mate kan Vlaanderen zich vereenzelvigen met een parlement waar de verhoudingen verregaand afwijken van de eigen politieke voorkeuren? Hetzelfde geldt ook voor andere landen, waarvan Nederland of Groot-Brittannië voor ons de meest bekende voorbeelden zijn. Een Vlaamse kiezer kan zich de voor een democratie fatale vraag stellen of zijn/haar stem voor het Europees Parlement wel enig gewicht en dus zin heeft.


De drie genoemde EU-parlementsleden maken deel uit van politieke strekkingen binnen de Europese main stream. Politieke opvattingen die buiten de Europese politieke consensus vallen, verworden op dat niveau tot machteloze folklore. Het Europese niveau vermaalt de politieke rijkdom tot een handvol eenheidsworsten. Enkel de hoofdsmaken blijven over, waarbij het de fijnproever vooral opvalt hoe weinig eigen smaak die hebben. Wat is het verschil tussen de grote fracties in het Europees Parlement, waar de N-VA zowaar in één groep zetelt met Groen!?


Ook Verhofstadt is het er over eens dat het Europees Parlement vandaag niet het mekka kan genoemd worden van de parlementaire democratie. En wat ontbreekt volgens hem? ‘Er is inderdaad nog geen grensoverschrijdende kiesomschrijving – een manco.’ Het was voorspelbaar dat hij de remedie ziet in nog meer Europese stroomlijning. Het lijkt dat het probleem van de democratisch deficit van Europa toch iets verder gaat dan het gebrek aan een Europees-unitaire kieskring.


De vorige bijdrage eindigde als volgt: ‘Met dat alles blijft het grootste bezwaar tegen een ééngemaakt politiek Europa, noodzakelijk om een eenheidsmunt in stand te houden, echter nog onaangeroerd. Daarover de volgende bijdrage.’ Het is niet gelukt om dat grootste bezwaar nu wel aan te snijden, hetgeen me verplicht hier met dezelfde zin te eindigen als vorige keer.


Dus, met dat alles blijft het grootste bezwaar tegen een ééngemaakt politiek Europa, noodzakelijk om een eenheidsmunt in stand te houden, echter nog onaangeroerd. Daarover de volgende bijdrage. 


 19 december 2011


Wordt vervolgd


Eerdere bijdragen:


http://www.doorbraak.be/nl/nieuws/kunnen-we-nog-een-weg-uit-i


http://www.doorbraak.be/nl/nieuws/kunnen-we-nog-een-weg-uit-ii


http://www.doorbraak.be/nl/nieuws/content/kunnen-we-nog-een-weg-uit-iii


http://www.doorbraak.be/nl/nieuws/kunnen-we-nog-een-weg-uit-iv


 


 


 

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.