Geschiedenis

Links verzet gebroken in Köpenick

85 jaar geleden richtten de nationaalsocialisten in Berlijn-Köpenick een bloedbad aan onder communisten en sociaaldemocraten.

Verkleed als kapitein had de werkloze schoenmaker Wilhelm Voigt enkele gardesoldaten de opdracht gegeven hem te volgen naar het stadhuis van Köpenick (ten zuidoosten van Berlijn), waar hij zich door de burgemeester de stadskas liet overhandigen ‘op bevel van Zijne Majesteit’. De schelmenstreek van ‘Der Hauptmann von Köpenick’ zorgde in het Duitse keizerrijk van 1906 voor heel wat hilariteit.

Klopjacht

27 jaar later, in de zomer van 1933, zou Köpenick, intussen een stadsdeel van Berlijn, het schouwtoneel van minder vermakelijke gebeurtenissen zijn. Adolf Hitler, de ‘Führer’ van de nationaalsocialistische partij NSDAP, was op 30 januari 1933 tot rijkskanselier benoemd. Bij de nieuw uitgeschreven verkiezingen van 5 maart had zijn partij samen met het Duits-nationalistische Kampffront Schwarz-Weiß-Rot 51,9 procent van de stemmen behaald, genoeg dus om verder te kunnen regeren. Verzekerd van de macht dreven de nationaalsocialisten hun klopjachten tegen hun politieke tegenstanders nog verder op. Ze hadden het daarbij vooral gemunt op de sociaaldemocraten (SPD) en de communisten (KPD). Het geweld van de ‘Sturmabteilung’ (SA), de stoottroepen van de NSDAP, verspreidde zich over heel Duitsland, maar het was vooral de ‘Köpenicker Blutwoche’ (van 21 tot 26 juni 1933) die tot symbool van de bloedige afrekening van het nationaalsocialistische regime (NS-regime) met zijn linkse tegenstanders werd.

Gedumpt

Köpenick gold met zijn na de Eerste Wereldoorlog nieuw aangelegde, frisse boomrijke wijken (‘Gartenstadt’) als bolwerk van het arbeidersverzet tegen het NS-regime. Hier woonden veel mandatarissen en aanhangers van de SPD en KPD en functionarissen van de ‘Allgemeiner Deutscher Gewerkschaftsbund (ADGB)’, de overkoepelende vakbond. Een na een vielen al deze partijen en organisaties in de eerste helft van 1933 ten prooi aan verbod en vervolging door de nieuwe machthebbers. Op 22 juni 1933 doekte minister van Binnenlandse Zaken Wilhelm Frick de SPD als ‘volks- und staatsfeindliche Organisation’ op. Een dag eerder was de SA in Köpenick begonnen met de arrestatie van KPD- en SPD-sympathisanten. Haar terreur zou een week lang aanhouden en de geschiedenis ingaan als de ‘Köpenicker Blutwoche’ (de bloedweek van Köpenick). Honderden mensen werden opgepakt, mishandeld en gefolterd. Naar schatting 24 onder hen zouden een gewelddadige dood sterven. De lijken van sommigen werden in met stenen verzwaarde zakken gestoken en in de rivier de Dahme gedumpt. Een van de meest prominente slachtoffers was Johannes Stelling (SPD), gewezen minister-president van de Freistaat Mecklenburg-Schwerin.

Wraakzucht

Theodor Wolff, een van de grote journalisten van het Keizerrijk en later de Republiek van Weimar, had al een jaar daarvoor een ‘Legalisierung der Rache’ (legalisering van de wraak) voorspeld voor het geval dat Hitler aan de macht zou komen. De haat van Hitlers ‘Alte Kämpfer’ (de strijders van het eerste uur) tegen het als decadent verworpen ‘systeem’ van Weimar zat diep. Ze hadden zoveel tegenkanting vanwege de gevestigde orde moeten verduren dat ze met ongeduld het ogenblik van de machtsovername afwachtten waarop de NSDAP haar duivels zou kunnen loslaten tegen al haar vijanden. In combinatie met de ‘dadendrang’ van jonge mannen die massaal tot de SA toetraden zou die wraakzucht zich ontladen in een brutale vervolging van andersdenkenden. Naast communisten en joden zouden zeker de mandatarissen en leden van de SPD, die als regerende partij steeds de democratische orde van de Republiek van Weimar had verdedigd, kop van jut zijn.

Machtsdemonstratie

De Köpenicker Blutwoche kenmerkte zich niet alleen door de schaal van geweld, maar ook en vooral daardoor dat de terreur van lokale SA-leden tegen buren en kennissen heel zichtbaar plaatsgreep onder het oog van het grote publiek. Het gebrek aan protest vanwege de gewone burgers versterkte het karakter ervan als machtsdemonstratie. De strategie was duidelijk. Hitler had op 21 maart 1933, de ‘Dag van Potsdam‘, – een feestelijke bijeenkomst naar aanleiding van de verkiezing van het nieuwe parlement -, het burgerlijke, nationaal-voelende establishment gepaaid met de belofte van samenwerking tussen de ‘alte Größe’ (oude grootsheid) van Duitsland en de ‘junge Kraft’ (jonge kracht) van het nationaalsocialisme. Tegelijkertijd liet hij de politieke vertegenwoordigers van de arbeidersbeweging genadeloos aanpakken. De linkerzijde in Duitsland werd murw geslagen. In de komende jaren zou ze zich ofwel door sabotagedaden van binnenin ofwel door oproepen tot verzet van buitenaf manifesteren. In burgerlijke liberale en christelijke kringen zou nog ontnuchtering volgen. Ingesnoerd in het nationaalsocialistische Duitsland zouden sommige van hun vertegenwoordigers plannen voor een (mislukte) machtsomwenteling smeden.

Guillotine

Na de oorlog vonden er tussen 1947 en 1950 op het grondgebied van wat eerst nog de Sovjetzone en daarna de DDR heette, drie strafprocessen plaats tegen voormalige leden van de NSDAP en de SA die betrokken waren geweest bij de Köpenicker Blutwoche. Van de 15 terdoodveroordeelden stierven er zes op 20 februari 1951 onder de guillotine in Frankfurt an der Oder (in de toenmalige DDR). Op de twintigste verjaardag van de DDR, op 7 oktober 1969, werd in Köpenick het ‘Denkmal der Köpenicker Blutwoche’ van de beeldhouwer Walter Sutkowski ingewijd. De zes meter hoge stèle toont twee neervallende figuren en wordt bekroond met een vuist als symbool van het verzet tegen het NS-regime.

© By Auto1234 [CC BY-SA 3.0 (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0)], from Wikimedia Commons

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans