Commentaar, Politiek
We zullen maar een oogje toeknijpen zeker?

Monarchie en gelijke kansen

‘Alles wat u weten wil over wat er omgaat bij de gekroonde hoofden’, zo begint een welbekend tv-programma.
De presentatoren gaan dan in extase over het raffinement van een of ander toilet, over de ‘opmerkelijke vorderingen’ die dit of dat prinsje of prinsesje heeft gemaakt, over de betoverende kantjes van hun familievakanties in de meest luxueuze skistations, zonder natuurlijk de bekommernis uit het oog te verliezen die vorsten vertonen voor humanitaire kwesties, of hun empathie met de ‘minstbedeelden’.

Zit er niet iets storends in dit alles? Iets dat flagrant in tegenspraak is met het fameuze concept van de gelijke kansen, waar men ons onophoudelijk mee om de oren slaat?

De migranten, de daklozen, zij die hun baan verliezen, staan mijlenver af van een koningspaar dat er zijn plezier in vindt zich neer te zetten op de beroemde marmeren bank vóór de Taj Mahal. Hun dagelijkse werkelijkheid is niet die van Gstaad of Verbier! Wat moet er in hen omgaan als een lid van het protocol hen uitlegt dat ze iemand van de koninklijke familie zullen ontmoeten, en dat aanspreekvormen als ‘Sire’, ‘Majesteit’ of ‘Monseigneur’ aangewezen zijn? En dan die gesprekjes, altijd op hetzelfde artificiële toontje.

Het huwelijk van prins Harry en Meghan Markle, op 19 mei eerstkomend, wordt ons aangekondigd als ‘het evenement van het jaar’. De grote couturiers zullen bij die gelegenheid hun talent kunnen tonen. De Gotha* zal daar defileren, getooid in zijn mooiste gewaden, en de onderdanen worden geacht met opengesperde ogen voor hun televisietoestellen te zitten. Maar heeft die sprookjesvertelling nog zin in de XXIste eeuw?

Geschiedenis

We weten hoe die koninklijke families tot stand zijn gekomen. De geschiedenis staat bol van de bloedige histories waarbij de sterkste zich laat gelden, zijn macht vestigt en erop toeziet dat ze op zijn nageslacht overgaat. Landstreken zijn op die manier gevormd door opeenvolgende rooftochten, zonder dat de betrokken bevolkingen een stem in het kapittel hadden.

In L’Œuvre au noir** heeft Marguerite Yourcenar een magnifieke uitdrukking: De prinsen twisten om landen, zoals dronkaards op een terras elkaars schotels afpakken. En de prinselijke huwelijken doen de rest. In 1548 wordt een meisje van vijf, Mary Stuart, koningin van Schotland, als bruid beloofd aan de dauphin van Frankrijk die zelf al vier is. Er worden ook huwelijken gesloten onder leden van eenzelfde familie.

Adelbrieven en andere privileges zijn er om kruiperige hovelingen te belonen en hun kaste te verrijken. In de ‘Bruiloft van Figaro’ van 1778 – elf jaar voor de Franse Revolutie – neemt Beaumarchais die parasitaire en zelfvoldane noblesse scherp de korrel. In een briljante monoloog verklaart Figaro: ‘Omdat u een hoge heer bent, houdt u zichzelf voor een genie! Een adeltitel, rijkdom, een rang, postjes, wat kan dat alles toch voor trots zorgen! En wat hebt u gedaan voor al dat goeds? U hebt zich de moeite getroost geboren te worden en meer niet.’

Revolutie?

Tal van ‘gekroonde hoofden bij Gods genade’ hebben met het blok of de guillotine kennisgemaakt. En het vergoten bloed was niet blauw maar rood!

1789-1804: Er gingen maar vijftien jaar over de Franse Revolutie of Napoleon kroonde in het bijzijn van de paus zichzelf tot keizer. Het nepotisme vatte weer aan. Leden van zijn familie sprongen mee in de wals van titels en andere gunsten.

Na de nederlaag van Napoleon in Waterloo werd in Frankrijk de monarchie hersteld, maar het principe ervan bleef betwist. Het werd een constitutionele monarchie, niet langer naar goddelijk recht. De Juli-monarchie (1830-1848) moest haar plaats afstaan aan de Tweede Republiek, tot in 1852 het Tweede Keizerrijk er kwam. In 1870 kwam dan de definitieve oprichting van de Republiek.

Toen het Koninkrijk der Nederlanden in 1830 uiteenspatte, werd het lot van onze streken in handen gelegd van de Europese grootmachten, vergaderd in Wenen. Voor Engeland en zijn bondgenoten was het uitgesloten dat we bij Frankrijk zouden ingelijfd worden. Men koos dus voor een nieuwe monarchie van het constitutionele type, met aan het hoofd Leopold, een Saksen-Coburg en oom van koningin Victoria. Eens te meer werd het volk daarbij niet om zijn mening gevraagd. Zelfs de keuze van de soeverein werd ons opgelegd.

Geen geldkwestie

Vandaag gaan er stemmen op, met name aan Vlaamse kant, om de monarchie strikt protocollair te maken. Dat is duidelijk het geval bij N-VA en Vlaams Belang, beide in essentie republikeinsgezind.

Het dient gezegd dat het ‘rebelse’ gedrag van prins Laurent koren op hun molen is. Al meerdere keren is genoemde tot de orde geroepen omdat hij ergens publiek tussenkwam zonder voorafgaande goedkeuring van de regering. Zijn laatste zijsprong heeft hem overigens een deel van zijn dotatie gekost.

Maar niet de afweging of een monarchie duurder is of minder duur dan een republiek moet hier spelen. De kosten gepaard gaand met het vertoon in het Élysée zijn tenslotte ook niet min. Vraag is of een monarchie vandaag nog wel te verantwoorden is.

De wijsheid van d’Ormesson

Op die vraag heeft de begin december overleden Franse schrijver Jean d’Ormesson een goed antwoord gegeven. In «Garçon de quoi écrire» een vraaggesprek met de advocaat François Sureau, liet hij weten: Mijn vader was vurig republikeins. In het bijzonder het principe van een monarchie vond hij volslagen ridicuul. De idee dat een gemeenschap haar toekomst veilig zou kunnen stellen door de zorg ervoor in de handen van een bepaalde familie te leggen, leek hem waanzinnig. Mij lijkt dat ook zo. Het instituut van een monarchie, in de zin welteverstaan die de theoretici van de monarchie voorstaan, is naar mijn mening eerder geschikt voor het dierenrijk dan voor dat van de mens.
Hugo Claus van zijn kant bekende dat hij niet verstond ‘hoe één menselijk wezen superieur kon zijn aan een ander, door niets anders dan het simpele criterium zijn geboorte.’

Brengen we even de constitutionele crisis in herinnering als gevolg van de weigering van koning Boudewijn om de wet te ondertekenen die abortus depenaliseerde. Om die wet dan toch te kunnen uitvaardigen moest de soeverein zich achtenveertig uur regeringsonbekwaam verklaren. Dit groteske geintje laat duidelijk zien dat de wetgevende macht uitsluitend bij het parlement ligt. Het komt de koning niet toe daarin tussen te komen met een beroep op een of ander persoonlijk gewetensbezwaar.

De koning de rol van stempelkussen toebedelen is absurd, en de Grondwet zou daar best een eind aan stellen. Zodra een wet door het Parlement is goedgekeurd moet haar afkondiging een automatisme zijn.

_________

* Justus Perthes gaf in 1763 de Almanach de Gotha (Gothaischer Hofkalender) uit, waarin al de nobiljons opgelijst stonden. (nvdv)
** Vertaald als: Het Hermetisch Zwart, Athenaeum­Polak & Van Gennep, 1972. (nvdv)

vertaling Marc Vanfraechem

Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel
Hoofdredacteur: Pieter Bauwens
Webbeheer: Dirk Laeremans