Filip De Pillecyn: eeuwige oud-strijder tegen wil en dank

Chris Ceustermans schetst in zijn biografie van Filip De Pillecyn een pakkend totaalportret van de bevlogen activist-journalist-leraar-schrijver die door het Belgische gerecht tot aan zijn dood werd achtervolgd.
Je kan er moeilijk naast kijken. Er is een heuse revival van Filip De Pillecyn (1891-1962). Zijn novelle Monsieur Hawardenwerd onlangs heruitgebracht nadat Mensen achter de dijk, zijn knapste roman, al een tijdje daarvoor door uitgeverij Doorbraak een nieuwe ongecensureerde versie meekreeg.
Onlangs nog vroeg Rik Van Cauwelaert in De dwarsliggeraandacht voor de journalistieke De Pillecyn die na WO I als stichtend journalist – redactiesecretaris heette dat toen – bij De Standaard aan de slag ging, vervolgens in de jaren 1920 De Tijd mee hielp oprichten om zo bij Pallieter te belanden.
Une Belgique féderée
Goed dus dat Ceustermans, mee op vraag van het bijzonder actieve Filip De Pillecyn Genootschap, nu eindelijk met de eerste volwaardige biografie over het fenomeen ‘De Pillecyn’ uitpakt, want een fenomeen was hij.
In 1891, uit een werkmansbroek geschud in het Oost-Vlaamse Hamme waar kinderarbeid in de touwslagerij schering en inslag was, werd hij dankzij heeroom pastoor naar het Klein-Seminarie in Sint-Niklaas gestuurd. Samen met de later zalig verklaarde priester Edward Poppe reeg hij er de eerste prijzen aan elkaar.
Goed dat Ceustermans met de eerste volwaardige biografie over het fenomeen ‘De Pillecyn’ uitpakt, want een fenomeen was hij
Hij ging in 1910 philologie germanique aan de KU Leuven studeren waar hij opgemerkt wordt door literatuurprof Lodewijk Scharpé, maar de Eerste Wereldoorlog breekt zijn literaire elan. Aan het front komt hij terecht in de zogenaamde Frontbeweging, die hem volop de kaart doet trekken van Vlaamse autonomie. Al in 1917 stuurt hij samen met Cyriel Verschaeve een brief, in het Frans, naar de paus waarin hij met zijn collega’s van de Frontbeweging pleit voor ‘une Belgique féderée’.
Baas in eigen huis
Achteraf beschouwd, tekende de jonge De Pillecyn in zekere zin toen al zijn doodsvonnis. Zijn leven lang zou hij in verschillende hoedanigheden – als activist, journalist en schrijver – immers blijven ijveren voor Vlaamse onafhankelijkheid in een Belgische staat. De manier waarop verschilde al naargelang het tijdsgewricht en die aanpassingen reconstrueert Ceustermans nauwgezet.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog hoopt De Pillecyn via zijn culturele collaboratie met de Duitse bezetter een eigen plaats voor de Vlaamse cultuur te kunnen creëren en zo eindelijk ook politiek baas in eigen huis te kunnen worden. Maar hij voelde toen al nattigheid en geraakte meer en meer overtuigd dat zijn Vlaamse cultuurpolitiek werd gerecupereerd door de nazi’s om van Vlaanderen een Duitse gouw te maken.
Pacifisme
Al in 1931 had De Pillecyn zich gedistantieerd van Verschaeve die volop de Duitse kaart trok en applaudisseerde voor de Dietse militie van Joris van Severen. De Pillecyn: ‘Ik verklaar hier dat ik liever in Malmedy blijf, dan te moeten leven in een Vlaanderen dat zelfstandig, maar gemilitariseerd is.’ Verschaeve veegt hem vervolgens de mantel uit voor zijn naïeve, ‘ziekelijke’ pacifisme en verwijt de gewezen oud-strijder veel te oud en veel te weinig strijder te zijn.
Ik verklaar hier dat ik liever in Malmedy blijf, dan te moeten leven in een Vlaanderen dat zelfstandig, maar gemilitariseerd is
In 1926 had de toen 35-jarige De Pillecyn de bui zien hangen. Er moest brood op de plank voor zijn gezinnetje en met het karige loon van zijn nochtans bijzonder bedrijvige journalistenbestaan zou dat niet lukken. Hij opteerde voor een zeker leraarsbestaan, maar werd toen al door de Belgische staat danig tegengewerkt. Socialistisch onderwijsminister Camille Huysmans verbande hem naar een buitenbaantje in Malmedy, waar hij tot 1933 Engels en Duits onderwees aan Duitstalige scholieren.
Financieel uitgekleed
Het is daar dat hij de stof vond voor Monsieur Hawarden, maar zijn isolement werd hem te veel. Hij kon een betrekking krijgen in het Mechelse Pitzemburgatheneum en dompelde zich opnieuw onder in de woelige politiek van die jaren die hem fataal zou worden.
Dat hij als hoge cultuur- en onderwijsfunctionaris onder het nazibewind in Vlaanderen tussen 1940 en 1944 de lakens uitdeelde, kwam hem zuur te staan. Ook al mocht hij in 1949 de gevangenis verlaten, hij werd daarna door de Belgische staatsveiligheid achtervolgd en voortdurend op de vingers getikt. Financieel werd hij uitgekleed en zelfs voor een uitstap naar het Garmisch-Partenkirchen moest hij 20.000 frank betalen voor een reispas. Het was zijn tweede echtgenote Suzanne die hem toen financieel overeind hield.
Gevoel van treurigheid
Ondertussen schreef hij mondjesmaat verder en werd hij geapprecieerd door vriend en vijand. Ex-verzetsman Johan Daisne sprong voor hem herhaaldelijk in de bres en De Pillecyn zelf lanceerde Maurice Gilliams in wiens fijnmazige, impressionistische proza hij allicht zichzelf herkende.
In een nawoord verzucht biograaf Ceusterman dat hem na het schrijven van zijn boek vooral ‘een gevoel van treurigheid’ bijblijft. Als lezer kan je hem alleen maar gelijk geven. De Pillecyn mag dan ondanks alles en iedereen literaire parels hebben voortgebracht, het Belgische establishment heeft hem uiteindelijk wegens zijn flamingantisme meedogenloos fijngemalen.
Frank Hellemans doceerde journalistiek aan de Thomas More hogeschool in Mechelen. Hij is literatuurcriticus en auteur van onder andere ‘Mediatisering en literatuur’ en ‘Echte mediaprimeurs. Een communicatiegeschiedenis’. Levenslang supporter van Malinwa én Paul van Ostaijen.
‘Een verwittigd man is niets waard’ recycleert het succesverhaal van Verhulsts populaire ‘De helaasheid der dingen’ maar zonder plot of verhaal.






