JavaScript is required for this website to work.

Erwin Mortier: heimatschrijver tegen wil en dank

Frank Hellemans5/10/2025Leestijd 3 minuten
Ook in Vlaamse vergezichten schrijft Erwin Mortier soms met verve over de
Vlaamse klei waaruit hij is opgetrokken.

Ook in Vlaamse vergezichten schrijft Erwin Mortier soms met verve over de Vlaamse klei waaruit hij is opgetrokken.

foto © De Bezige Bij

In Vlaamse vergezichten gaat Erwin Mortier via zijn familiegeschiedenis op zoek naar de oorsprong van het eigen schrijverschap. Hij reconstrueert vooral de literatuur van zijn geboortestreek in het Land van Nevele in Oost-Vlaanderen en in Gent, waar Cyriel Buysse en de gezusters Loveling, diens tantes, de eerste moderne Vlaamse romans schreven. Maar lijden zijn ‘vergezichten’ niet ook aan antiklerikale bijziendheid en belgicistische nostalgie?

Op de drempel van zijn 60ste wou de Gentse auteur Erwin Mortier zich bezinnen over zijn literaire herkomst in Nevele en omstreken, al was het maar omdat hij ontdekte dat een van zijn voorvaderen langs moederskant met zijn ‘Moedertaal en Broedermin’, een literair genootschap, mee de humus legde voor het ontwaken van de Vlaamse letteren in de laatste helft van de 19de eeuw.

‘Ik voel sterker dan voorheen de hardnekkigheid van mijn oorsprong, in alle pracht en pijn. En hoe troebel haar water soms ook mag zijn, je spuwt niet in de bron.’ De manier waarop Mortier de Nevelse, Gentse en bij uitbreiding Vlaamse letteren van meer dan een eeuw geleden in Vlaamse vergezichten reconstrueert, is inderdaad verhelderend. Het zwaartepunt ervan – met Guido Gezelle, de zussen Loveling en neef Cyriel Buysse – lag zonder meer in het Vlaanderen rond Brugge, Kortrijk en dus vooral het Gentse.

Vlaamse kramp

Met uitgebreide citaten uit het werk van die auteurs geeft hij smaak en kleur aan zijn private literatuurgeschiedenis. Op het moment dat het katholieke, ultramontaanse reveil met de schoolstrijd in het laatste kwart van de 19de eeuw de Vlaamse taalijver van onderuit sterk beknotte, liep het volgens Mortier voor een stuk mis. De extreme Vlaamsgezindheid tijdens de Eerste en vooral Tweede Wereldoorlog leidde vervolgens tot een identitaire Vlaamse kramp waar Mortier zich tegen afzet.

Hij blijft bladzijdenlang stilstaan bij de foute Cyriel Verschaeve die hij eindeloos citeert, maar serveert als antwoord daarop gelukkig het sympathieke literaire mentorschap van pastoor Basiel de Craene die met zijn Merendreese Poëziedagen en Poëzieprijs in 1948 zelfs Hugo Claus te gast had.

Leiestreek

Mortier schetst met veel warmte de biotoop van de schilders en schrijvers van ‘zijn’ Leiestreek, waarin onder anderen Karel van de Woestijne en Richard Minne prominent aanwezig zijn. En ook de Frans-Belgische literaire scene in het Gentse, met nu vergeten auteurs zoals Franz Hellens of Suzanne Lilar, krijgt uitgebreid aandacht.

Vlaamse schrijvende collega’s uit het Gentse van vandaag daarentegen, zoals Stefan Hertmans, Peter Verhelst, Herman Brusselmans, Christophe Vekeman of Peter Terrin, ontbreken simpelweg. Alleen Claus, Koenraad Goudeseune en liedjesschrijver Lieven Tavernier krijgen een regeltje aandacht. Daardoor krijgt zijn overzicht, dat nochtans boeiend begon in de 19de eeuw, uiteindelijk iets belegens.

Eigen credo

Mortier wil vooral het eigen literaire credo verspreiden en verslikt zich daarbij meer dan eens in zijn ideologische vooringenomenheid: ‘Ze (de Vlaamse literatuur, FH) is de vrucht van een Belgisch verleden dat bakken hoop en zuurstof inhoudt voor de lange toekomst die dit land wel degelijk nog voor zich heeft.’ Je zou warempel denken dat Mortier solliciteert naar de status van feestredenaar in 2030 wanneer 200 jaar België wordt gevierd.

En daar hoort natuurlijk wat Vlaanderen-bashing bij: ‘De uitgezuiverde, van alle complexen ontdane, inclusieve ‘Vlaamse identiteit’ die het huidige separatisme propageert, is weinig meer dan politieke homeopathie: een medicijn dat verdacht veel naar water smaakt, omdat het alleen maar uit water bestaat.’

Flinke jongen

Mortier bewees met zijn kleine romans Marcel (1999) en De onbevlekte (2020) dat hij het agrarische Vlaanderen van zijn directe voorouders én de collaboratie genuanceerd en sensueel weet te evoceren. Ook in Vlaamse vergezichten schrijft hij soms met verve over de Vlaamse klei waaruit hij is opgetrokken. Want ja, de katholieke suprematie van destijds heeft onze zwijgende volksaard tot vandaag mee bepaald.

Maar echt overtuigen doet hij dus niet. Daarvoor wil hij te veel de vrijzinnige, belgicistische paus uithangen waardoor hij finaal toch in de bron spuwt om zijn medestanders te tonen dat hij een flinke jongen is.

Frank Hellemans doceerde journalistiek aan de Thomas More hogeschool in Mechelen. Hij is literatuurcriticus en auteur van onder andere ‘Mediatisering en literatuur’ en ‘Echte mediaprimeurs. Een communicatiegeschiedenis’. Levenslang supporter van Malinwa én Paul van Ostaijen.

Commentaren en reacties