fbpx


Actualiteit, Commentaar

Bedenkingen over de Belgische corona-aanpak

Je hoeft daarom geen viroloog te zijn…


Het is onvoorstelbaar hoeveel  -logen, -iaters en -euten al hun zegje hebben mogen doen over onze aanpak van Covid-19. Misschien kan ook een simpele ingenieur, steunend op gezond boerenverstand, zijn steentje bijdragen aan de discussie.

Het verspreidingsmechanisme

De laatste dagen wordt er eindelijk gewag gemaakt van het bestaan van superverspreiders. Dat wordt gegarandeerd het Woord van het Jaar 2020. Ik ben geen epidemioloog, maar vermoedde al lang dat dit fenomeen bepalend was voor de massale doorbraak van het virus.

Daarvoor is de geografische concentratie van het aantal slachtoffers te opvallend: de omgeving van Modena in Italië, Noord-Brabant in Nederland en het Limburgse Alken bij ons, waar de prevalentie van corona ineens explodeerde.

Dat werd in den beginne vaak geweten aan een enkel massaal bijgewoond groepsgebeuren zoals een trouwfeest, carnavalstoet, voetbalmatch of skioord. Maar waarom heeft Aalst dan geen opstoot van besmettingen gekend? En er zijn toch ook andere regio’s geweest waar druk bijgewoonde feesten plaatsvonden in de periode februari-april?

Dergelijke pieken lijken alleen te ontstaan waar één of een handvol bijzonder besmettelijke individuen garant stonden voor een massale doorbraak van corona.

De schande van de mondmaskers

Het is intussen algemeen bekend: ons land beschikte over een uitgebreide noodvoorraad aan adembescherming gericht op de medische sector. Maar die werd vernietigd omdat de betrokken maskers ‘verlopen’ zouden geweest zijn. Die beslissing, wie ze ook moge genomen hebben, is een stommiteit van formaat. Ik leg kort uit waarom.

Wanneer we het hebben over lichte adembescherming, bestaan er twee soorten. Je hebt de absorberende types, waarbij een vulstof werd ingewerkt in het masker (doorgaans bestaande uit actieve kool) die eventuele ingeademde deeltjes chemisch capteert – de technische details hebben hier geen belang.

Dit soort beschermingsmiddelen heeft een maximale gebruiksduur, omdat zelfs in de beste opslagcondities de adsorberende laag verzadigd geraakt – en dan verdwijnt de beschermende functie.

Maar dat is niet het geval met de adembescherming die we inzetten in de strijd tegen het virus. Deze gebruiken filters die de druppeltjes/stofjes mechanisch tegenhouden. Ze vormen met andere woorden een fysieke barrière die de partikeltjes opvangen in een netwerk van dichtgeweven draden van minuscule dikte.

En hoewel ook op dergelijke maskers traditioneel een gebruikslimiet wordt gekleefd, blijven deze ook na de vervaldatum perfect bruikbaar, zeker als die goed gestockeerd worden.

Het vernietigen van deze voorraad is dan ook een misdaad van gemeen recht. De verantwoordelijken mogen hiervoor in mijn ogen gerust voor de rechter worden gedaagd op beschuldiging van onopzettelijke slagen en verwondingen met de dood tot gevolg.

Ware deze voorraad ingezet geweest in onze rust- en verzorgingstehuizen bij het begin van de epidemie, zou het dodental daar een stuk lager gebleven zijn.

Het verbluft me dat dit nooit als zodanig in onze pers werd gesteld – want zelfs een verlopen chirurgisch maskertje is beter dan helemaal niks.

De schande van de mondmaskers (2)

Ik vermoed dat de betrokken politieke verantwoordelijken hun levensgrote stommiteit hier al snel doorhadden. Natuurlijk geldt dit a fortiori voor alle deskundigen die zo ruim het woord kregen in onze media. Hoe valt het anders te verklaren dat zij allen, àllen, in die beginfase zedig zwegen over het nut van mondmaskers? Nu die er wel zijn, worden ze ineens unaniem naar voren geschoven als een belangrijk preventief instrument.

Het volstaat om naar Azië te kijken, waar de goegemeente al decennia ervaring heeft met de strijd tegen besmettelijke virussen. Het gebruik van maskers is daar wijdverspreid – ook al keken we in het verleden met een geringschattende blik naar al die Japanners die om de haverklap met een mondmaskertje rondliepen. Maar nu weten we wel beter.

De Van Ransten, Goossensen, Van Dammes, Van Guchten… lijken me hier tekortgeschoten op het vlak van wetenschappelijke deontologie. Je houdt inzake je inhoudelijke adviezen geen rekening met politieke (in)opportuniteiten, laat staan dat je gezagsdragers in bescherming neemt die tekort geschoten zijn. Het primaat van de politiek is een onbetwistbaar principe, maar ook de wetenschap heeft een primaat: zij moet zich houden aan de objectiviteit.

En ja: onze staatsordening

Er is al wat inkt gevloeid over de acht ministers bevoegd voor volksgezondheid. Klinkklare onzin, gewoon. Duitsland heeft er weliswaar ook een hele hoop, maar dat gaat over een veel groter geheel. Bovendien bestaat daar een hiërarchie tussen de verschillende niveaus. De federale entiteit heeft altijd het laatste woord. Hierover heeft de Belgische pers dan toch de nodige beschouwingen gemaakt.

Op beide vlakken moet men in België dringend ingrijpen. En dat kan op geen andere manier dan de ‘gedecentraliseerde entiteiten’ de volledige autonomie te gunnen over het hele welzijnsdomein en alle deelaspecten. Het is trouwens de enige manier om ons Vlaamse niveau van gezondheidszorg te behouden, want Brussel en Wallonië doen het op dit vlak een pak slechter.

Quid dat de centrale overheid in uitzonderingsomstandigheden (een pandemie, een kernongeval…) zich het recht voorbehoudt om autoritair het hele boeltje te coördineren? Dat kan dan via een ad hoc stuurcomité, zoals dat nu ook bestaat.

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Hartelijk dank voor uw steun als Vriend van Doorbraak.

Jan Van Peteghem

Jan Van Peteghem is emeritus-gasthoogleraar aan de Faculteit Ingenieurswetenschappen van de KU Leuven