Analyse, Geschiedenis, Politiek
Essay
Essay

Cultuurmarxisme in Europa, ‘secularisme’ in India, deel 1

Hoe India bewijst dat het begrip 'cultuurmarxisme' niets met antisemitische samenzweringstheorieën te maken heeft
cultuurmarxisme

Er is een nieuw politiek begrip op de markt: ‘cultuurmarxisme’. Je kan alvast intuïtief op zijn betekenis vanuit zijn samenstellende delen afgaan, in afwachting van nadere uitleg hieronder. ‘Nieuw’ is wel erg betrekkelijk, want het begrip zoalniet de term dateert van weinige jaren na de Oktoberrevolutie van 1917.

In dit geval wordt het debat over de kritische lading van dat begrip voorafgegaan door een betwisting over de ernst van het begrip: is het niet louter een uitvindsel van twitterende trollen, met name uit oud-rechts antisemitische hoek? Voor cultuurmarxisten die zich door het zoeklicht van dat analytische begrip betrapt of ontmaskerd voelen, is deze Godwin-piste de gedroomde uitweg: ‘Alwie “cultuurmarxist” zegt, is een antisemiet. Een Hitler!’ Die beschuldiging is nu een sleutelelement in hun verduivelingsstrategie tegen dat begrip; de uitvinders of gebruikers van de term ‘cultuurmarxisme’ negeren haar slechts tot eigen schade.

En nu je het zegt: cultuurmarxisme, en met name de Frankfurter Schule, wordt wel eens in verband gebracht met het ‘Joodse wereldcomplot’. Tot vandaag hoort men, niet op ernstige fora maar wel op de sociale media, hoe ‘al dat gedoe over cultuurmarxisme een olifant in de kamer probeert te negeren: dat de Frankfurter Schule uit Joden bestond’. Dat verwijt komt dan van mensen die het begrip ‘cultuurmarxisme’ aanvaarden, namelijk om tegen die stroming gekant te zijn, maar die er alleen de Joodse factor willen aan toevoegen omdat ze het ook, en al van tevoren, tegen de Joden hebben. Vervolgens wordt dat vertoog echter gretig aangehaald door de zichzelf verdedigende cultuurmarxisten: verlegen om inhoudelijke argumenten, beweren zij dat kritiek op het cultuurmarxisme eigenlijk niets anders is dan antisemitisme dat zijn naam niet durft zeggen.

Zou het? Er bestaat namelijk een omvangrijke setting voor alle krachtlijnen van het cultuurmarxisme, al decennia lang, waar geen Joodse factor aan te wijzen valt. Het betreft een bij ons nagenoeg onbekend probleem, hoewel alle informatie erover openlijk te vinden is.

De Joodse factor

Zelf ga ik de opwerping niet uit de weg, want ik heb er geen slecht geweten over. Ja, de Frankfurter Schule droeg stellingnames uit die wij nu als cultuurmarxistisch bestempelen, en ja, zij bestond hoofdzakelijk uit Asjkenazische Joden.

Dat kwam enerzijds doordat Asjkenaziche Joden sowieso oververtegenwoordigd zijn in alle intellectuele pioniersgroepen, namelijk door hun hoge erfelijke intelligentie. Ook in het conservatisme vind je die oververtegenwoordiging: niet alleen in het bij uitstek Joodse neoconservatisme maar ook  in het paleoconservatisme, met ondermeer wijlen David Herrnstein van The Bell Curve, Jacob Neusner en Paul Gottfried, medewerkers van het paleoconservatieve tijdschrift Chronicles, Daniel Pipes van het Middle East Forum  of David Cole van Taki Magazine.

Daar poneer ik een (weinig originele) stelling die mij een banvloek van de huidige cultuurmarxisten zal opleveren, omdat zij een ongelijkheid tussen bevolkingsgroepen impliceert. Destijds was het Adolf Hitler die niet voor IQ-tests was omdat de Joden er te goed uitkwamen. Nu is het de brede linkerzijde, inbegrepen de cultuurmarxisten.

De gewraakte stelling luidt namelijk dat er aangeboren eigenschappen bestaan waarin groepen mensen significant verschillen. In dit geval kan men zich met mijn stelling veilig verschuilen achter de Joodse pleitbezorgers of zelfs uitvinders ervan, zoals Norbert Wiener (die als wiskundige ook bijdroeg tot de zege op de nazi’s, een onaanraakbaar goeie, dus), wiens verklaring luidde dat de maatschappelijke verhoudingen tussen de Midden-Europese Joden en hun omgeving positief op intelligentie selecteerden. Dat vertaalde zich dan na een duizend jaar van feitelijke eugenetica in een IQ van 15% boven het Europese gemiddelde, en dus een intellectuele leidersrol.

Anderzijds voelden nogal wat Joden zich wel specifiek aangetrokken tot socialistische en ondermijnende politiek omwille van hun toenmalige situatie, zeker in het Duitse interbellum. Daar waar in West-Europa de ‘Hofjoden’ met de aristocratische bovenklasse verweven waren, zoals de roemruchte bankiersfamilie Rothschild of de Britse premier Benjamin Disreali, hadden Joden die uit de Midden-Europese Stetl naar de ontkiemende industriesteden getrokken waren, veelal verenigd in de Bund Jüdischer Arbeiter, het socialisme omarmd. Joodse denkers gingen de traditie van Thora en Talmoed omdenken om er een proto-socialisme in te ontdekken, terwijl anderen de godsdienst helemaal lieten vallen maar zich wel nog tot de Joodse gemeenschap rekenden. De schepping van de Sovjet-Unie door de halve Jood Vladimir Lenin en de Jood Leon Trotski (Bronstein), ten nadele van de als antisemitisch gehate tsaar en orthodoxe Kerk, wekte veel geestdrift bij het wereldjodendom.

Het uitrangeren van Trotski en vervolgens de eliminatie van vele vooraanstaande Joodse bolsjevieken wekte echter ernstige twijfels. Die beweging was volgens eigen omschrijving alleen tegen ‘spionnen voor buitenlandse contrarevolutionairen’ of tegen ‘bourgeois-elementen’ gericht, maar was echt niet van antisemitische bijbedoelingen vrij. Daarna was er de staat Israël bijgekomen, die zich spoedig tot het westerse kamp bekende, terwijl de linkse sympathie gaandeweg de Palestijnse kant uitging. De geestdrift in Joodse kringen voor het bolsjevisme werd minder, ook om specifiek Joodse redenen.

Maar er was ook een principiëler grond voor kritiek, zelfs geldig voor wie het marxisme trouw bleef. Daar komen we dan tot een combinatie van beide factoren: overtuigd socialisme en uitzonderlijke intelligentie.

Nieuw Links

Binnen de socialistische beweging bleven de middelmatigen de ordewoorden van de Komintern achterna drammen, terwijl de intelligentievoorhoede inzag dat de werkelijkheid tot een omdenken van de strategie had moeten leiden. Na de Oktoberrevolutie waren de pogingen om de revolutie uit te voeren naar of na te bootsen in andere landen (Balticum, Polen, Duitsland, Hongarije, Italië) overal mislukt. Eerder al waren pogingen om de arbeiderspartijen uit klassesolidariteit de oorlogsverklaringen van 1914 te doen blokkeren (zoals door Jean Jaurès), eveneens mislukt. Ook economische voorspellingen van Karl Marx, zoals een voortschrijdende Verelendung van het proletariaat, kwamen niet uit. Men kon dus, met Stalin, bij de oude recepten blijven zweren; of men kon ze bekritiseren en een intelligenter alternatief bedenken.

En dat is wat de voorhoede deed. Cultuur, door het marxisme gekleineerd als gevolgloos onderdeel van de ‘bovenbouw’, neveneffect van de allesverklarende economische ‘onderbouw’, bleek de sleutel tot de nieuwe variant van het marxisme. De arbeiders volgden hun economische belangen niet (want dan hadden ze de revolutie gemaakt) omdat ze door de bourgeois-cultuur geconditioneerd waren. De Frankfurter Schule analyseerde dat met vele dure woorden, maar je hoefde geen voorhoede-intellectueel noch een Jood te zijn om tot dat inzicht te komen. Ver weg in een Italiaanse gevangenis kwam een communistische partijleider tot dezelfde ontleding: Antonio Gramsci. Hij besefte dat je het culturele terrein moest bezetten om de hinderpalen voor de politieke revolutie weg te nemen.

Orthodoxe marxisten moesten er niets van hebben. De toenmalige, inderdaad ook door de nazi’s gebruikte term Kulturbolschevismus moest verbergen dat deze cultuurmarxisten ver van het marxistische pad afgewaald waren en door ‘echte’ marxisten niet gesmaakt werden. Deze reactie ging door toen Nieuw Links, grotendeels het Frankfurter gedachtegoed met als boegbeeld Herbert Marcuse, tegen 1970 in sommige landen de toonaangevende school ter linkerzijde werd. Het is dan ook in orthodox-linkse kringen dat het woord ‘cultuurmarxisme’ ontstaat. Die term was als veroordelend bedoeld, een soort scheldwoord, en je vindt dan ook niemand die zichzelf zo noemt; maar dat sluit geenszins uit dat velen wel aan de definitie ervan beantwoorden.

Continuïteit met het orthodoxe marxisme

De kenmerkende houding van het cultuurmarxisme is de helderziende verdachtmaking: ‘Ik weet wat jij denkt en wat jouw échte beweegreden is’, gesterkt door eigengerechtigheid metterdaad. Dat betreft structuren, die steevast als onderdrukkend ‘ontmaskerd’ moeten worden, maar ook individuen, de marionetten van die structuren.  Vanuit de gepretendeerd ‘wetenschappelijke’ kijk op de geschiedenis praat men zichzelf aan dat men de ander doorheeft, dat diens standpunten het noodwendig gevolg zijn van diens kenbare klassepositie, dus schrijft men hem motieven toe ongeacht zijn eigen versie daarover. Geeft hij zelf een daarmee strijdige uitleg voor zijn eigen stellingname, dan schuift men die vol minachting terzijde: bourgeois-huichelarij, of in het minst slechte geval ‘vals bewustzijn’. Dat was in het orthodoxe marxisme al zo, in het cultuurmarxisme is die neiging alleen maar erger geworden.

De psychologische kern van de cultuurmarxistische houding is de ontevredenheid.De bestaande zeden en structuren zijn onderdrukkend, dus moet men ze deconstrueren. Dat is niet helemaal hetzelfde als afbreken, al draait het bij welslagen wel daarop uit. Het wezen van deconstructie is, de onderliggende machtsverhoudingen blootleggen; de betrokken structuur of het betreffende gebruik als een uiting van een inegalitaire machtsverhouding ontmaskeren.

Er is een heel duidelijke continuïteit met het orthodoxe marxisme. Vooreerst is er de duidelijke focus op machtsverhoudingen: met kan wel beweren dat alle maatschappelijke klassen hun eigen belang voor het geheel hebben, net zoals alle organen voor het functioneren van het lichaam onontbeerlijk zijn (corporatisme), maar dat neemt niet weg dat de ene klasse macht heeft over de andere.  Men moet daar niet flauw over doen: het hoofd staat hoger dan de voeten, de ledematen liggen stroomafwaarts van het hart, sommige organen zijn superieur aan andere ook al zijn ze alle noodzakelijk. Er is echter een verschillende waardering voor de verscheidene klassen in de maatschappij, en wie daar niet achter staat is maar consequent wanneer hij daartegen revolteert.

Het begrip klassenstrijd wordt hier veralgemeend: ‘klassen’ zijn niet langer alleen de maatschappelijke klassen die hun identiteit krijgen door de productieverhoudingen, in de industriële maatschappij hoofdzakelijk de arbeidende klasse versus de kapitaalbezittende klasse. Elke verdelende categorie is nu welkom: vrouwen, seksuele en religieuze minderheden, immigranten.

Er is ook dezelfde dubbelzinnigheid tegenover het historisch determinisme: enerzijds geldt in de geschiedenis een duidelijke richting, zodat de overwinning van de progressieve krachten uiteindelijk onafwendbaar is; maar anderzijds wordt toch veel feller voor die overwinning en tegen de ‘reactionaire krachten’ gevochten dan volgens die theorie nodig zou moeten zijn. Zoals het orthodoxe marxisme weet het cultuurmarxisme een onvoorstelbare haat tegen andersdenkenden en ‘klassevijanden’ te mobiliseren. Dat wordt mede verklaard door de enorme eigengerechtigheid, de zekerheid van aan de goede kant te staan, zodat de tegenstander wel intrinsiek slecht moet zijn.

Tegenstelling met het orthodoxe marxisme

Een groot verschil met het eigenlijke marxisme, dat wetenschappelijk beweert te zijn, is wel dat het cultuurmarxisme in de praktijk zeer moralistisch is. Dat het socialisme tijdens de middeleeuwen nog niet bestond, is in het marxisme geen grond voor verontwaardiging jegens de stoute feodale heersers van toen; nee, de feodaliteit wordt erkend als een logisch gevolg van de toenmalige productieverhoudingen. Pas met de industriële revolutie kon het moderne kapitalisme ontstaan, dat de verdienste heeft om de mens uit de feodale verhoudingen en hun religieuze legitimatie te emanciperen, weg uit dat bijgelovige hiërarchische wereldbeeld. Als antithese onstond daaruit dan weer het socialisme, dat aan de door de kapitalistische industrialisering verwezenlijkte moderniteit met de klassenloze maatschappij voltooit. Alles op zijn tijd.

Daarentegen is het cultuurmarxisme vol van heilige verontwaardiging. Zo is de felle haat jegens fout bevonden figuren typisch voor het cultuurmarxisme, ook tegenover het verleden. Voorbeelden zijn het beschadigen of weghalen van de standbeelden van koloniale leiders als Léopold II en Cecil Rhodes of van confederale generaals als Robert E. Lee, en de naamwijziging van straten of instellingen genoemd naar in ongenade gevallen figuren als Alexis Carrell of Cyriel Verschaeve.

Die houding is in feite voorbereid door het romantische protosocialisme (waartegen het marxisme zich als ‘wetenschappelijk’ zou afbakenen), zoals de Franse Revolutie die wél emotioneel vijandig stond tegenover de feodaliteit en elke herinnering aan haar wou uitwissen. Dat deed ze bijvoorbeeld door de beelden van koningen in de Notre Dame te onthoofden (die eigenlijk de Bijbelse dynastie uitbeeldden, maar voor Franse koningen gehouden werden), of door Grenoble om te dopen in Grelibre. Die houding leefde verder in bepaalde uitbarstingen zoals de maoistische Grote Proletarische Culturele Revolutie, momenten van geëxalteerde geloofsijver die als zodanig niet uit het rationalistische schrijftafelmarxisme voortkwamen. In het cultuurmarxisme staat dit soort schuimbekkende beeldenstorm echter centraal.

Minderheden

Een heel typisch aandachtspunt van de cultuurmarxisten is de zorg om de minderheden. Zij zijn bij uitstek het nieuwe proletariaat: een klasse die van nature revolutionair is, vijandig tegen het status-quo, namelijk tegenover de toonaangevende meerderheid. (Dat ‘vijandig’ is eigenlijk geen logische gevolgtrekking, maar het gaat om mensen die in het marxistisch denkkader van ‘klassenstrijd’ gevormd waren.) Dat, inderdaad, draagt het stempel van een Joodse oorsprong. Er waren nog geen holebi’s als drukkingsgroep in het interbellum, er was nog geen migrantengemeenschap, dus de Joden waren zowat de enige zelfbewuste minderheid in Duitsland.

Een minderheid die veel aandacht naar zich toetrekt, en in het interbellum vooral vijandige aandacht, heeft er belang bij om het minderheid-zijn minder opvallend te maken en te normaliseren. In de VS zijn er bijvoorbeeld vele minderheden, en daar voelt de Joodse gemeenschap zich veilig. Ze heeft er de hele 20ste eeuw de belangen van minderheden als zodanig en van de zwarte gemeenschap in het bijzonder helpen behartigen, bijvoorbeeld via de oprichting van de National Association for the Advancement of Colored People of via haar voorttrekkersrol in de Burgerrechtenbeweging.

De intensiteit van het activisme is wellicht typisch Joods, evenals de ambitie om de samenleving als geheel te herorganiseren: die is kenmerkend is voor een leidersgroep, eerder dan alleen stuksgewijze de belangen van de eigen groep te behartigen. Maar het tot politiek ideaal verheffen van het minderheid-zijn, dat komt voort uit het minderheid-zijn, en dat is niet exclusief Joods. Vandaag zien we hoe allerlei andere, authentieke of uitgevonden, minderheden met evenveel geestdrift het ‘minderheden’-vertoog zijn gaan hanteren, of nog meer. Inderdaad, vandaag eisen zij vooral voorrechten op, affirmative action, waar noch Gramsci noch de Frankfurter Schule in 1930 al durfde aan denken.

Een goed voorbeeld van het uitdijen van het minderhedenbegrip tot ver buiten de Joodse gemeenschap is de bekende Vlaming Wouter Van Bellingen. Hij werd als peuter uit Rwanda geadopteerd in een Vlaamsgezind gezin (Volksunie), groeide op met Nederlands als moedertaal, en werd voor alle praktische doeleinden een Vlaming. Of in cultuurmarxistisch jargon: een lid van de Vlaamse meerderheid. Hij kreeg kansen waar hij in Rwanda niet eens van had durven dromen, en bracht het tot schepen (wethouder) van de middelgrote stad Sint-Niklaas. In die hoedanigheid werd hij in 2007 wereldberoemd in Vlaanderen toen enkele koppels hun huwelijksinzegening weigerden te laten voltrekken door een ‘zwarte’. Het stadsbestuur is tot op heden geheimzinig blijven doen over hun identiteit, en waarschijnlijk gaat het om Arabieren die, in tegenstelling met Vlamingen, nog openlijk racistisch durven zijn. Als hem de loopbaankansen van het kleurling-zijn nog niet duidelijk waren, werden ze dat toen. Hij werd voorzitter van het nieuwe Minderhedenforum en begon, ondankbaar jegens de samenleving die hem als één van de haren had opgenomen, gesubsidieerd te kankeren tegen het ‘racisme’ van de ‘witten’.

In de VS is het minderhedenvertoog sinds de jaren 1960 stapsgewijze opgekomen, in Europa is het nog nieuw. Nochtans stonden die voorrechten voor minderheden elders al in de steigers.

Morgen in deel 2 in deze analyse over cultuurmarxisme kijken we naar hoe dezelfde motieven zich uiten in India.

Koenraad Elst

steun doorbraak

Wil u graag meer lezen van Koenraad Elst?

Doorbraak is een onafhankelijk medium zonder subsidies. We kunnen dit enkel doen dankzij uw financiële steun. Uw steun geeft onze auteurs de motivatie om meer en regelmatiger te schrijven. Steun ons met een kleine bijdrage of word vandaag nog Vriend van Doorbraak.

Ik help Doorbraak groeien.
Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel i.s.m. Perruptio cvba Hoofdredacteur: Pieter Bauwens Webbeheer: Dirk Laeremans