Communautair
Vlaanderen

En français svp

Wanneer hoffelijkheid onderdanigheid wordt

Alle kranten, ook de Vlaamse, hebben onder luid gejuich de eerste vrouwelijke premier van België begroet, weliswaar in lopende zaken, namelijk Sophie Wilmès (MR), die de naar Europa verkaste Charles Michel vervangt. Een overwinning voor de gendergelijkheid, zo wil het politiek-correcte cliché. We weten ondertussen welk vlees we in de kuip hebben: Wilmès woont in de faciliteitengemeente Sint-Genesius-Rode, waar ze met de Union des Francophones  opkomt ‘voor de belangen van de Franstaligen in de Vlaamse rand’. Lees: actief de verfransing van de rand promoot.

Dat zijn dus vooral mensen die niet kunnen leven met de realiteit dat ze in Vlaanderen wonen, en in het Frans willen bediend worden, niet alleen bij de bakker en de slager maar ook aan het overheidsloket, tot en met Franstalige kiesbrieven. Het zijn deze lieden die in een volgend rondje staatshervorming/communautaire gesprekken de door hen georganiseerde verfransing als een fait accompli voorstellen, om dan een overheveling naar Waals-Brabant te eisen. Bijvoorbeeld. Want Wilmès laat niet zomaar in haar kaarten kijken en presenteert zich als ‘de premier van alle Belgen’.

Europa en het Minderhedenverdrag

Reporters / QUINET

Sophie Wilmès

In deze logica om via persoonlijke rechten territoriale verschuivingen af te dwingen, is het ondertussen beruchte Europese Minderhedenverdrag een cruciaal breekijzer. Het zag het levenslicht in 1995 en was bedoeld als bescherming van culturele en etnische minderheden binnen een EU-lidstaat, een principe dat van meet af aan problematisch bleek, want wanneer bescherm je gewoon minderheden, en wanneer worden dat bruggenhoofden van culturele en taalkundige desintegratie?

België ondertekende het verdrag in 2001, in het kader van het Lambermontakkoord. Dat was voor de Franstaligen een belangrijke etappe in een soort reconquista: dankzij dit verdrag zou men in Vlaanderen, met Vlaamse subsidies, eigen scholen en culturele instellingen kunnen oprichten, regionale tv-zenders opstarten, tweetaligheid in de ondernemingen afdwingen, en vooral: eisen dat men door de administratie in het Frans bediend wordt. Omwille van dit paard van Troje ondertekende de Vlaamse regering het verdrag nooit — de Waalse en de Brusselse gewestregeringen uiteraard wel — en dat is een voorwaarde voor de ratificatie, de concrete juridische uitvoerbaarheid dus.

Om die laatste hindernis te nemen schakelde men al in 2002 de Raad van Europa in, die zowaar een rapporteur naar onze contreien stuurde, ene Lili Nabholz-Haidegger die er in haar conclusies geen doekjes om wond: ze eiste dat Vlaanderen het Minderhedenverdrag onverwijld goedkeurde en dat Franstaligen in heel Vlaanderen (!) faciliteiten moeten kunnen bekomen. Noteer dat volgens datzelfde verdrag ook Vlamingen in Wallonië taalrechten zouden kunnen aanvragen, wat die natuurlijk nooit doen: we zijn een braaf volk en passen ons aan.

Sindsdien komt dat rapport af en toe eens uit de schuif, en wordt er druk achter de schermen gewerkt om die ratificatie toch af te dwingen. Daartoe wordt er intens genetwerkt. Tot in de VN moeten ze weten wat voor een gore negorij Vlaanderen wel is, daarvoor heeft ook al Didier Reynders een duit in het zakje gedaan. De bedoeling van de francofone lobbymachine is dat Vlaanderen internationaal gepercipieerd wordt als een regio die het niet nauw neemt met democratie en mensenrechten. Zoals ook de Catalanen met medewerking van de EU steeds meer als een stelletje oproerkraaiers worden weggezet.

Olievlek

Als men ziet welke logica zich in de Vlaamse Rand voltrekt, beseft men hoe wereldvreemd dat rapport van de Raad van Europa wel is: de verfransingsmachine misbruikt het mensenrechtenverhaal en richt zich op een olievlekstrategie, in bepaalde milieus tamponisation genoemd, het creëren van tweetalige eilanden die naar elkaar toegroeien tot heel de regio is ingenomen. Dat gaat ook gepaard met sociale verdringing en pesterijen: uitgerekend in de gemeente van mevrouw Wilmès, Sint-Genesius-Rode, werd Geertrui Windels (echtgenote van Herman Van Rompuy) als Vlaamse schepen het leven zodanig onmogelijk gemaakt door het UdF-bestuur dat ze ontgoocheld ontslag nam.

Heel het faciliteitenverhaal, gestart in 1988, is dan ook een perverse constructie. Het werd door de Vlamingen gezien als een uitdovende overgangsmaatregel om de Franstaligen de kans te geven zich te integreren, terwijl het door de francofonen werd gezien als een blijvend recht, vatbaar voor uitbreiding. De analogie met de islamisering in Europa is tamelijk gelijklopend: natuurlijk staat de vrijheid van godsdienst in onze grondwet én is die ook Europees verankerd. Maar wat als dat principe misbruikt wordt voor een cultuurimperialistische agenda die ons uiteindelijk in de dhimmitude  drijft?

Het is deze verdringingslogica die door Europa totaal wordt miskend, en de francofone politici buiten dat genadeloos uit. Toen in 2008 de Vlaamse overheid weigerde drie burgemeesters in de Rand te benoemen die de taalwetten niet toepasten, werden we door de Raad van Europa officieel gekapitteld: Vlaanderen dreigt zich aan discriminatie en racisme te bezondigen. Een stigma dat, toppunt van al, door onze eigen Vlaamse media wordt versterkt, niet in het minst de publieke zender, met betrekking tot de allochtone bevolking.

Zo worden we in de verdediging gedrongen en moeten we ons langs alle kanten moreel verantwoorden, terwijl de sociologische realiteit zich ondertussen gewoon doorzet. We hebben zowaar een minister van de Vlaamse Rand, de heer Ben Weyts, waarvan ik begot niet zou weten wat zijn  strategie is tegen de tamponisation. Afgezien van het mooie magazine Randkrant  dat maandelijks in mijn bus valt en als één grote multiculturele goed-nieuws-show oogt.

Intercultureel bemiddelaar

Florence N. (*) is verpleegster in het Mechelse ziekenhuis Sint-Maarten, een fusie van voormalige regionale zorgcentra. Zoals bij de meeste ziekenhuizen huldigt men daar een diversiteitsbeleid, gecoördineerd door een intercultureel bemiddelaar. Patiënten van vreemde origine hebben het recht om door een tolk te worden bijgestaan tijdens hun verblijf/behandeling/ consultatie. Dat is medisch noodzakelijk als het een persoon betreft die echt het Nederlands, Frans of Engels niet machtig is. De ervaring wijst echter uit dat men daar misbruik van maakt en dat een taalprobleem wordt voorgewend om zich als een subcultuur te affirmeren. De tolken hebben dus hun handen vol.

Johan Sanctorum | Doorbraak.be

Florence: ‘Soms zien we dat bepaalde patiënten een tolk eisen omdat ze het Nederlands zogenaamd niet machtig zijn, maar dan later blijkt dat dezelfde patiënt het Nederlands beter beheerst dan men eerst vermoedde. Het gebruik maken van een tolk wordt soms gewoon geëist, alsof men deze service eerder ziet als iets waar men ‘recht op heeft ‘ dan een gunst. Het gaat dan steeds om niet-Europese migranten aka Arabisch/Berbers enz.’

Patiënten die onze taal niet spreken, moeten uiteraard bijgestaan worden, dat is een elementair zorgprincipe. Maar dat mag geen beleidsnorm worden voor mensen die hier wonen en geen zin hebben om Nederlands te spreken. De volgende stap is dat mannen van een bepaalde origine weigeren om door een verpleegster verzorgd te worden die geen hoofddoek draagt. Vanuit de al te genereus toegekende taalfaciliteiten is het inderdaad maar een kleine stap om allerlei andere, meer fundamentele toegevingen af te dwingen, zoals de weigering van vrouwelijke patiënten om door een mannelijke arts behandeld te worden, de eis tot een complete halal-keuken, enzovoort. Patiënten stappen dus, als ze hun zin niet direct krijgen, naar de intercultureel bemiddelaar, waarna de instelling in kwestie, uit schrik voor mediaheisa, snel bakzeil haalt.

Met lede ogen

Reporters

In sommige Vlaamse rusthuizen ben je als Vlaming een vreemde eend in de bijt

Florence ziet met lede ogen hoe haar collega’s wat graag hun beste Frans bovenhalen als er ook maar gefluisterd wordt: en français svp, terwijl het daar in Mechelen negen kansen op tien gaat om streekgenoten, francofonen die er al jaar en dag wonen en die gewoon de truc van Sophie Wilmès toepassen: als je maar lang genoeg volhoudt dijt de Brusselse Rand uit tot in de Rupelstreek.

‘Bij Franstalige patiënten wordt het meestal als vanzelfsprekend beschouwd dat ze gewoon in hun moedertaal worden te woord gestaan. Ik sta er steeds van versteld hoe administratieve medewerkers, verpleegkundigen en artsen zonder enige tegenzin Franstaligen op hun wenken bedienen door als vanzelfsprekend op Frans over te schakelen ook al zijn we hier in hartje Vlaanderen. Diegenen die daar niet zo enthousiast in meegaan worden dan vaak afkeurend bekeken door zowel medewerkers als — uiteraard — door de betrokken patiënten.’

Aldus onze verpleegkundige die om begrijpelijke redenen anoniem wenst te blijven.

Diversiteitsbeleid dekt vele ladingen en het wordt tijd dat er eens wat klokkenluiders uit de biecht spreken. De situatie in Sint-Maarten is geen uitzondering maar veeleer de regel in de meeste Vlaamse zorginstellingen, bijvoorbeeld ook in rusthuizen: soms wanen bejaarde Vlamingen zich daar in het buitenland.

Opvallend: terwijl in een Mechels ziekenhuis verpleegsters vrolijk Frans praten, is het in ‘tweetalige’ Brusselse ziekenhuizen quasi onmogelijk om in het Nederlands te woord gestaan te worden, niet door het onthaal, niet door het verplegend personeel, laat staan door een arts. In Brussel blijken rusthuizen, die door de Vlaamse gemeenschap als tweetalige instellingen gesubsidieerd worden, in de praktijk ééntalig Frans, een probleem dat vorig jaar nog door de N-VA werd aangekaart, zonder resultaat. Pour les Flamands la même chose.

Souplesse

Conclusie: Vlaanderen moet dringend de perverse effecten van de diversiteitslogica afbouwen en de EU-oekazen van de hand wijzen. Er is een verschil tussen hoffelijkheid en onderdanigheid, zoals er een verschil is tussen vrijheid van godsdienst en dhimmitude. Een consequente taalpolitiek is de hoeksteen van elk integratiebeleid, daar is geen weg naast. Wie in Denemarken gaat wonen en geen Deens wil spreken, reduceert zichzelf tot een paria.

De Vlamingen hebben het vooral aan zichzelf te danken, hun ingeprente souplesse, hun domheid ook om zich in onderhandelingen te laten naaien, hun laag cultureel zelfbeeld, hun enerzijds-anderzijds-discours, de koudwatervrees om echt knopen door te hakken en als eigen natie hun weg te zoeken doorheen de geschiedenis. Ondertussen discussieert half Vlaanderen over de vraag of ballekens in tomatensaus een plaatsje in de Vlaamse canon verdienen. Hoor ik daar gegrinnik in Rhode Saint-Genèse?

Effectief, terwijl we ons met dit soort beuzelarijen bezig houden en de politieke impasse compleet is -sommigen spreken alweer van een regimecrisis — is er één proces dat nooit stilvalt en nagenoeg compleet onder de waterlijn blijft. Men kan zich afvragen in wiens voordeel de tijd tikt.

(*) Florence N.: pseudoniem om de privacy en professionele situatie van de betrokkene niet te schaden. Naam bij de auteur bekend.

Johan Sanctorum

steun doorbraak

Wil u graag meer lezen van Johan Sanctorum?

Doorbraak is een onafhankelijk medium zonder subsidies. We kunnen dit enkel doen dankzij uw financiële steun. Uw steun geeft onze auteurs de motivatie om meer en regelmatiger te schrijven. Steun ons met een kleine bijdrage of word vandaag nog Vriend van Doorbraak.

Ik help Doorbraak groeien.
Doorbraak.be is een uitgave van vzw Stem in het Kapittel i.s.m. Perruptio cvba Hoofdredacteur: Pieter Bauwens Webbeheer: Dirk Laeremans