JavaScript is required for this website to work.
post

Het oprukken der wantsen

Marc Vanfraechem14/10/2018Leestijd 2 minuten
Heinrich Heine (1797-1856) over de plaag der wantsen

Heinrich Heine (1797-1856) over de plaag der wantsen

Niet een bijzonder verontrustend radiobericht als wij een bioloog mogen geloven, maar de waarschuwing van een dichter mogen we evenmin in de wind slaan

Aangeboden door de abonnees van Doorbraak

Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Als abonnee kan u ook alle plus-artikelen lezen. Doorbreek de bubbel vanaf €4.99/maand.

Ik neem ook een abonnement

In het Radionieuws van 5 uur eergisteren, hoorde ik dat de wants oprukt naar onze streken, terwijl zij volgens de journaliste van dienst traditioneel in zuidelijker contreien verblijft.
Nu wist ik niet dat insecten ook tradities onderhielden, maar de precieze betekenis van woorden is voor het jonge volkje onbelangrijk.
En we hoorden in dat nieuws ook een bioloog die ons voorhield dat we geen schrik moeten hebben, want wantsen zijn ‘eigenlijk onschuldige beestjes’, ze steken niet en bijten niet.

Nu geloof ik biologen vaak, meestal zelfs, maar dat ‘eigenlijk’ wekte mijn achterdocht en dus ben ik in dit geval geneigd – wat dat steken en bijten betreft – eerder Heinrich Heine te volgen die in zijn gedicht Atta Troll, Caput XI, een heel andere boodschap gaf. Het zijn de ergste vijanden van de mens, gevaarlijker dan de toorn van duizend olifanten! Heine sprak over een Gasthaus waar niet enkel het eten slecht was, maar waar ook wantsen huisden:

Und ein Seitenstück der Küche
War das Bett. Ganz mit Insekten
Wie gepfeffert – Ach! die Wanzen
Sind des Menschen schlimmste Feinde.

Schlimmer als der Zorn von tausend
Elefanten ist die Feindschaft
Einer einz’gen kleinen Wanze,
Die auf deinem Lager kriecht.

Mußt dich ruhig beißen lassen –
Das ist schlimm – Noch schlimmer ist es,
Wenn du sie zerdrückst: der Mißduft
Quält dich dann die ganze Nacht.

Ja, das Schrecklichste auf Erden
Ist der Kampf mit Ungeziefer,
Dem Gestank als Waffe dient –
Das Duell mit einer Wanze!

En eerder al, in een brief aan een vriend had de jonge Heine blijk gegeven van zijn afkeer voor deze indringers. Hij vergelijkt ze met een even grote, en misschien nog grotere vijand die zich ook in muurspleten en oude bedsteden ophoudt:

Dieser endliche Sturz des Chr[istentums] wird mir täglich einleuchtender. Lange genug hat sich diese faule Idee gehalten. Ich nenne das Chr[istentum] eine Idee, aber welche! Es giebt schmutzige Ideenfamilien, die in den Ritzen dieser alten Welt, der verlassen Bettstelle des göttlichen Geistes, sich eingenistet, wie sich Wanzenfamilien einnisten in der Bettstelle eines Polnischen Juden. Zertritt man eine dieser Ideen-Wanzen, so läßt sie einen Gestank zurück, der jahrtausendelang riechbar ist. Eine solche ist das Chr[istentum], das schon vor achtzehnhundert Jahren zertreten worden, und das uns armen Juden seit der Zeit noch immer die Luft verpestet.

Brief an Immanuel Wohlwill, d.1.April.1823
in: Friedrich Hirth, Heinrich Heines Briefwechsel
Erster Band, 1914, S.202

Heine was er in zijn jonge tijd dus van overtuigd dat de dagen van het christendom geteld waren. Flaubert dacht daar toen anders over: de samenleving zal verdrinken in negentien eeuwen stront.

Marc Vanfraechem (1946) werkte voor Klara (VRT-radio); vertaler, blogger http://victacausa.blogspot.com sinds 2003. Hij schrijft het liefst, en dus meestal, artikels met daarin verwerkt vertaalde citaten van oude auteurs, die hem plots heel actueel lijken.

Meer van Marc Vanfraechem
Commentaren en reacties