Buitenland

Katanga, het Vlaanderen van Kongo?



Op 11 juli 1962 was Elisabethstad, de hoofdstad van Katanga, in feeststemming. Niet zozeer om de 660ste verjaardag van de Guldensporenslag te vieren (al zal her en der in de stad een inwijkeling van Vlaamse afkomst dat wel gedaan hebben), maar wel om de tweede verjaardag van de Katangese onafhankelijkheid, uitgeroepen op 11 juli 1960, te herdenken.

Historisch bestond er al in de jaren 1960 in Vlaanderen nogal wat sympathie voor de Katangese separatisten en hun leider Moïse Tsjombe. Wanneer een grondwet moest worden geschreven voor de nieuwe staat, deed de Katangese regering hiervoor onder meer een beroep op de Gentse hoogleraar publiekrecht André Mast. En de Katangese onafhankelijkheid zorgde ervoor dat Nederlands in dit deel van het voormalige Belgisch Kongo nog enkele jaren langer dan in de rest van de ex-kolonie een obligaat vak in het middelbaar onderwijs bleef.

De fundamentele band tussen Katanga en Vlaanderen zat echter dieper – maar om dat te begrijpen moeten we even teruggaan in de geschiedenis. De Belgische kolonisatie in Centraal-Afrika was destijds begonnen aan de Atlantische kust, nabij de monding van de Kongostroom. Die rivier werd ook later de slagader van de kolonisatie, waardoor gebieden die langs het water lagen gemakkelijker en dus sneller onder Belgisch gezag werden gebracht. Dat gold niet voor Katanga, dat echter om andere redenen bijzonder aantrekkelijk was, meer bepaald de bodemrijkdommen, en met name de kopermijnen. Die rijkdommen waren trouwens meteen de reden waarom de Britten, prominent aanwezig in het naburige Noord-Rhodesië (nu Zambia) geen kans onbenut lieten om de afspraken omtrent de verdeling van het Afrikaanse continent tussen de Europese mogendheden weer ter discussie te stellen, als het om Katanga ging.

Regionalisme in Kongo
België had dus alle reden, maar niet meteen de middelen om Katanga onder koloniaal bestuur te brengen. Daarom werd in dit gebied een ietwat andere bestuursstructuur opgezet dan elders in Kongo. Enerzijds zocht de koloniale overheid niet de confrontatie, maar wel de samenwerking met de regionale traditionele leiders, die werden bevestigd in hun macht, zij het als intermediair niveau tussen de lokale hoofden en het Belgische bestuur in Leopoldstad en Brussel. Anderzijds werd voor de exploitatie van de rijkdommen van de provincie een vroege vorm van publiek-private samenwerking op poten gezet, waarbij Belgische investeerders taken op zich namen, die anders door de overheid zouden worden uitgeoefend – en dus ook meer macht kregen toegewezen.

Zodra de Belgische regering echter over de middelen beschikte om ook in Katanga de elders in Kongo gebruikelijke bestuursmethoden toe te passen, werd deze beperkte vorm van provinciale autonomie stap voor stap teruggeschroefd, tot in 1933 niets de koperprovincie nog onderscheidde van de andere provincies. Dat dit op het terrein slechts matig werd geapprecieerd, spreekt voor zich: uiteenlopende belangengroepen als de traditionele leiders, de blanke kolonisten, de missie (met bisschop de Hemtpinne als voornaamste woordvoerder) en de mijnbouwbedrijven vonden elkaar in een regionalistische stroming, die uiteindelijk aanleiding zou geven tot de onafhankelijkheidsbeweging. Meer autonomie was dus – net als in het Vlaanderen van die dagen – een middel om een economische sprong voorwaarts te kunnen maken.

De vraag naar ruimere autonomie voor Katanga werd acuter naarmate beslissingen moesten worden genomen over de structuren van een onafhankelijk Kongo, aan het einde van jaren 1950. Wie de debatten van toen herleest, wordt getroffen door de stugheid waarmee met name de rood-blauwe regering-Van Acker zich verzette tegen elke vorm van federalisme in Kongo. Op de achtergrond van die houding stond zeker ook een bezorgdheid van interne aard: het aanvaarden van federalisme in Kongo zou een erkenning inhouden van de zin van dit model – mogelijk ook in België.

Kongo moest en zou dus een unitaire staat worden, naar het model van het moederland, zelfs wanneer dit ertoe zou leiden dat een notoir ongeleid projectiel als Patrice Lumumba het land zou gaan leiden. Dat Lumumba de economische samenwerking met België en de interne veiligheid in het gedrang bracht, nam men er maar bij in Brussel – maar niet in Elisabethstad, waar Tsjombe, onder de indruk van zware onlusten in Leopoldstad en omgeving, op 11 juli 1960 de onafhankelijkheid uitriep. 

Uitzondering
Katanga werd een uitzondering op het algemene patroon in Afrika na de onafhankelijkheidsgolf van de jaren 1950 en 1960, en met name doordat het zich resoluut inschreef in de logica van de internationale economie van de vrije markt. Zeker, die keuze was in het nationale belang van het nieuwe land, dat zich kon profileren als een betrouwbare leverancier van bodemrijkdommen, maar zij stak ook af tegen de ideologische fundamenten van de meeste andere Afrikaanse landen, die stuk voor stuk kozen voor een lijn die het middel hield tussen het socialisme en het panafrikanisme.

Multiraciale staat
Katanga was daarnaast ook een uitzondering op de regel door zijn keuze voor een multiraciale samenleving. Hoewel de volledige Katangese regering uit zwarten bestond, was er een vlotte samenwerking tussen blank en zwart in de provincie, die trouwens als enige provincie van het voormalige Belgisch Kongo een belangrijke Europese aanwezigheid kende. Het nieuwe Katangese establishment verwierp de rassenstrijd en koos resoluut voor de klassenstrijd – maar dan wel aan de kant van de ondernemende zwarten en blanken in het land, tegen elke vorm van etatisme.

Vijftig jaar later is het duidelijk dat de Katangese keuzes hun verdiensten hadden en allicht nauwer aansloten bij de lijn van de geschiedenis dan die van hun Afrikaanse tijdgenoten. In 1960 echter klonken zij als vloeken in de kerk: de voormalige koloniale mogendheden zagen hun keuze voor het behoud van de koloniale grenzen in vraag gesteld en de socialiserende Afrikaanse landen voelden zich gekrenkt in hun ideologische keuzes, die zij namens geheel Afrika meenden te kunnen maken.

Er ontstond binnen de Verenigde Naties een onwaarschijnlijke anti-Katangese coalitie, die er uiteindelijk toe leidde dat onder meer Ghanese, Indiase en Ethiopische troepen met VN-mandaat, met moord, plundering, en verkrachting als methoden, een einde maakten aan de Katangese onafhankelijkheid. Tot vandaag is Katanga allicht het gebied waar de VN het meest gehaat zijn.

Unitair of federaal?
Wanneer in 1965 Mobutu aan de macht komt in Kongo, is de keuze voor het centralisme totaal. Eventuele Katangese ambities worden bij voorbaat gefnuikt door de nationalisering van de Union Minière, de sterke mijnbouwgroep die in 1960 had bijgedragen tot het succes van de onafhankelijkheidsbeweging. Twee invallen in het inmiddels tot Shaba omgedoopte Katanga door het wat schimmige Front national de libération du Congo in 1977 en 1978, hadden fundamenteel minder te maken met Katangees separatisme dan met de onvrede van de Lunda-stam met het beleid van de Président-Fondateur, wat de internationale media echter niet belette de rebellen voor te stellen als volwaardige en bloeddorstige erfgenamen van het Tsjombe-regime.

Het zou duren tot 2007 eer de kwestie van de Katangese autonomie weer op de tafel kwam. Toen werd immers Moïse Katumbi, net als zijn voornaamgenoot Tsjombe, een succesvol zakenman, verkozen tot gouverneur van Katanga. Katumbi slaagde erin weer economische dynamiek te brengen in zijn provincie, onder meer door slimme allianties te sluiten met Congolees president Kabila jr, die zijn verkiezing met name dankte aan Katangese stemmen, en met de Chinezen, die op dat moment massaal investeerden in de Afrikaanse economieën en bereid waren dat ook te doen in infrastructuur, en niet enkel in onderwijs en gezondheidszorg zoals westerse landen dat plegen te doen. Op dat moment werd in het inmiddels tot Lubumbashi herdoopte Elisabethstad, zeker in zakenkringen, soms luidop gedroomd van een nieuw Katangees avontuur, waarbij ook richting Vlaanderen werd gekeken als een mogelijke bondgenoot op het internationale forum.

Na twee mandaten heeft gouverneur Katumbi echter beslist terug te keren naar het zakenleven. Zijn teleurstelling in de politiek en in zijn voormalige bondgenoten is groot, en hij betwijfelt of er binnen de bestaande structuren een leefbare toekomst voor zijn provincie kan worden gecreëerd. De teleurstelling van de uittredende gouverneur wordt door velen gedeeld, en sinds kort duikt er weer een resoluut separatistische gewapende rebellie op, in de gedaante van de Coördination pour le référendum de l’autodétermination du Katanga (CORAK). De bevolking, en met name het ondernemende deel ervan, heeft het gevoel geld te storten in een bodemloze put, die van de Kongolese overheid, en niet te worden gehoord als zij vraagt om onderhandelde hervormingen. Een bekend verhaal?

Aangeboden door de Vrienden van Doorbraak


steun doorbraak

Dit artikel wordt u aangeboden door de Vrienden van Doorbraak

Door een jaarlijkse of maandelijkse bijdragen financieren de Vrienden van Doorbraak de publicatie van de gratis toegankelijke artikels op doorbraak.be. Onze vrienden krijgen ook korting in de Doorbraak winkel en exclusieve uitnodigingen.

Ik word vriend van Doorbraak.

Doorbraak redactie