Forum
Marc Reynebeau en de realpolitiek
Philippe Clerick: ‘Je kunt Bart De Wever met enig recht verwijten dat hij niet helemaal consequent is in zijn kritiek op gemoraliseer, als hij zelf wat later in gemoraliseer vervalt.’
—

Philippe Clerick (1955) studeerde romanistiek en germanistiek en is leraar Nederlands. Politiek ongebonden na een extreemlinkse jeugd. Hij houdt een Clericks weblog bij van wat hem te binnen valt over Karl Marx, Tussy Marx en Groucho Marx. En al de rest.

Marc Reynebeau, journalist voor De Standaard.
foto © Belga
In de eeuwigdurende boksmatch die journalist Marc Reynebeau uitvecht met Bart De Wever op de opiniepagina van De Standaard – ik laat de gewichtsklassen van de boksers buiten beschouwing – heeft Reynebeau deze keer een punt gescoord.
Reynebeau schrijft dat De Wever veel van de ethisch geïnspireerde Israël-kritiek ‘naïef’ vond ‘in een tijd die gedomineerd wordt door brute machtspolitiek’, maar dat de premier daarna zelf een ethisch argument gebruikte door Israël te omschrijven als de ‘enige democratie in het Midden-Oosten.’ Dat laatste is volgens Reynebeau ‘feitelijk correct, voorlopig toch, maar de stelling beroept zich op de morele superioriteit van de democratie’.
Zwaardere fout
Hier is inderdaad een paradox. Je kunt Bart De Wever met enig recht verwijten dat hij niet helemaal consequent is in zijn kritiek op gemoraliseer, als hij zelf wat later in gemoraliseer vervalt. Toch is het punt van Reynebeau nog heel ver verwijderd van een knock-out.
De oplossing die hij namelijk suggereert is een veel zwaardere fout: in de internationale politiek 100 procent varen op ‘ethische regels, normen en waarden’ en op het ‘internationaal recht dat alleen kan voortbestaan als het consequent gehandhaafd blijft.’
Juiste regel
De juiste regel in de internationale politiek is volgens mij 70 procent realpolitiek en 30 procent ethiek. Als je dan realpolitiek en ethiek mengt, dan ben je onvermijdelijk inconsequent en stel je je bloot aan de beschuldiging van hypocrisie. Daar valt niets tegen te beginnen.
De vraag die ik mij sindsdien stel is: waarom niet meteen voor de volle honderd procent aan realpolitiek doen?
Ik heb een grondige opvoeding gekregen in realpolitiek redeneren toen ik in mijn uiterst linkse jeugd moest leren om het Stalin-Von Ribbentrop-akkoord te verdedigen. Stalin en Von Ribbentrop waren al lang dood, maar ‘primaire anticommunisten’ bleven het akkoord tussen de communisten en de nazi’s gebruiken om te bewijzen dat de communisten schurken waren.
Het antwoord dat ik leerde op vormingsvergaderingen was dat Stalin gelijk had toen hij de tegenstellingen tussen de kapitalistische landen uitbuitte, en op die manier een Duitse aanval op Rusland uitstelde. Ik vind die redenering nog altijd juist, en kan ze nu gebruiken om uit te leggen waarom de democratische landen met een schurk als Stalin moesten samenwerken om Duitsland te verslaan.
De volle 100 procent
De vraag die ik mij sindsdien stel is: waarom niet meteen voor de volle honderd procent aan realpolitiek doen? Waarom nog 20 of 30 procent ethiek? Daar zijn drie redenen voor.
Ten eerste verwijst realpolitiek alleen naar de middelen (bewapening, louche bondgenootschappen…), maar het uiteindelijke doel moet een ethische component hebben: de nationale onafhankelijkheid, een machtsevenwicht dat tot vrede leidt, een bloeiende handel die welvaart voortbrengt, desnoods de zuiverheid van het ras of het wereldcommunisme.
Meer vrede
Ten tweede kunnen ethische overwegingen de realpolitieke keuzes beïnvloeden. Zo kan een bondgenootschap tussen liberaal-democratische landen een stabielere basis hebben dan een tussen democratieën en dictaturen. Het zal niet altijd zo zijn, maar het kan.
Er is nog een derde reden. Bij een gunstige wind kunnen internationaal recht en internationale instellingen wel eens bevordelijk zijn voor plaatselijk wat meer vrede en rechtvaardigheid. Maar daarop rekenen is naïef. Bij een columnist die daarop rekent denk je: ‘Dat is geen gebroken been.’ Bij een politicus die erop rekent denk je: ‘Hopelijk is hij hypocriet en gelooft hij het niet zelf.’
Theo Francken
Er is eigenlijk nog een vierde reden. Er kunnen zich situaties voordoen waarbij er zich vanuit realpolitiek oogpunt twee gelijkwaardige keuzes aandienen. Dán verdient de ethische keuze natuurlijk de voorkeur.
Ik lees bij Reynebeau dat Theo Francken legermateriaal besteld heeft bij het Amerikaanse bedrijf Palantir. Theo Francken beweert dat Palantir het beste heeft wat er op de markt is, en ‘alleen het beste is goed genoeg’. Waarop Reynebeau een kamerlid van Groen citeert.
Palantir zou een bedrijf zijn ‘dat geen scrupules heeft en vervolging en moord als businessmodel’ hanteert
Palantir zou een bedrijf zijn ‘dat geen scrupules heeft en vervolging en moord als businessmodel’ hanteert. Als Palantir – dat in data en AI doet – inderdaad het beste materiaal heeft, dan moet Francken vanuit realpolitiek oogpunt dát materiaal kiezen.
Maar als er nu een tweede bedrijf is dat net zo goed materiaal aanbiedt én als het kamerlid van Groen gelijk heeft, dan is het beter dat Francken dat tweede bedrijf als leverancier kiest. Als het nog niet te laat is natuurlijk.
| Categorieën |
|---|
| Personen |
|---|

Philippe Clerick (1955) studeerde romanistiek en germanistiek en is leraar Nederlands. Politiek ongebonden na een extreemlinkse jeugd. Hij houdt een Clericks weblog bij van wat hem te binnen valt over Karl Marx, Tussy Marx en Groucho Marx. En al de rest.
Philippe Clerick: ‘Zijn vrouwen fanatieker dan mannen? Dat zou mij verwonderen, maar misschien zijn ze op een andere manier fanatiek.’
Gekkigheid mag, maar het moet wel gekkigheid blijven.











