Mijn krolse eeuwige liefde

Koning Charles III en Christopher Barnard in Washington D.C.
foto © BB
Aangeboden door de abonnees van Doorbraak
Dit gratis artikel wordt u aangeboden door onze betalende abonnees. Neem zelf ook een abonnement en lees alle plus-artikelen én ons driemaandelijks magazine.
Ik neem ook een abonnementZondag 12 april
Het is de sterfdag van mijn moeder. Ze ging op bed liggen – ‘Ik ben een beetje moe’, zei ze tegen mijn zus – en haar ogen braken. Dat is 31 jaar geleden. Ik was op bezoek bij Peter, die even buiten Lausanne in een zonnige kliniek lag te herstellen van zijn eerste hartoperatie. Het Meer van Genève blikkerde in de zon; achter onze rug verrezen de zinloze granieten massa’s van het Alpendom.
Tiny.
Hier leg ik een bos bloemen op haar graf. Ik rust in gedachten op mijn linkerknie en teken tussen mijn voorhoofd en hart het Romeinse executietuig dat in Europa als totempaal dienst doet. Ik staar naar mijn denkbeeldige boeket sterfgevallen en denk aan die grote blauwe ogen, steeds groter en blauwer bij het vorderen van haar dementie: ze spiegelden de zomerluchten die zich in de laatste jaren van het ‘lage, oneerlijke decennium’ – zoals Auden het noemde, maar voor mijn maagdelijke moeder waren het juist gelukkige jaren – boven de Hollandse kust welfden.
Toen kwamen de nazi’s en op de piano speelde haar kleine zus met één vingertje
Op de hoek van de straat stond een NSB’er.
’t Is geen mens, ’t is geen dier, ’t is een farizeeër.
Met de krant in de hand, staat hij daar te venten,
Hij verkoopt zijn vaderland voor vijf losse centen.
Die toekomstige tante, Elisabeth geheten, ging na de oorlog naar het conservatorium, werd pianiste en heeft onlangs, nog geheel compos mentis, op haar 90ste verjaardag dit populaire verzetslied ten beste gegeven, zuiver en schel zingend als een Lotte Lenya, begeleid door haar eigen artritische vingers, de laatste overlevende van acht kinderen.
Bij de thee
Als lezer ben ik allereerst gevormd door mijn ouders. Ik herinner me mijn moeder die Simone de Beauvoir las, door mijn vader ‘een heilige in de kerk van het feminisme’ genoemd. Zelf werkte hij in de echte kerk, maar dat deed niets af aan zijn bewondering voor verlichte schrijfsters als Iris Murdoch (met wie hij correspondeerde), Muriel Spark en Anna Blaman. En Barbara Pym, wier Excellent Women een luchthartige charge tegen de machtsverhoudingen tussen de seksen is.
Excellent women zijn dienstbare vrouwen, altijd gratis beschikbaar voor taartbakken in kerkelijk verband. Mijn moeder was onderwijzeres, maar moest ontslag nemen toen ze in 1946 trouwde (toevallig ook het jaar waarin Pyms roman speelt). Ze schikte zich in haar rol van domineesvrouw, die inhield dat het koor, de vrouwenvereniging en het hele dorp voortdurend een beroep op haar deden, hoezeer mijn vader dat ook poogde te beperken. Mijn moeder las liever. Ze ging liever naar concerten. Op een keer, toen ze weer eens iets moest doen wat ze niet graag deed, barstte ze in tranen uit. ‘Ik stond echt heel graag voor de klas,’ zei ze. Dat zinnetje, door snikken geritmeerd, gaf ze mij toen mee, een feministisch manifest van acht woorden.
Dinsdag
De ejaculaties van het Amerikaanse leger boven Teheran zijn voorbij. De Zonnekoning en de Perzen onderhandelen nu, maar de onderhandelingen dreigen te mislukken.
Zaterdag 18 april
Nicht Mary en haar echtgenoot Paul hebben achternicht Jessica bezocht: deze dochter uit Mary’s eerste huwelijk studeert in Exeter Magie & Occulte Wetenschappen. Poppy en ik hebben afgesproken het onderwerp magie te laten rusten nu ze bij ons logeren.
Boven de vis en patat in de Red Lion vertelt Paul van zijn ervaring vannacht op de overloop: hij moest als kerel van zekere leeftijd plassen en in de bleke schemering buiten de slaapkamerdeur flikkerde op ooghoogte een andere dimensie, op en neer deinende roze elektrische vlammen, die na een seconde of tien uitdoofden.
Merkwaardig – net als de rede de magie verjaagd heeft, bezoekt die laatste ons huis. De gebruikelijke sceptische grappen rollen van mijn tong, maar Paul is advocaat en een matige drinker zonder fantasie.
We laten het esoterisch-exeterische verschijnsel verder rusten, maar hoe is het gesprek nu in hemelsnaam op feng-shui gekomen, hoe zijn we van Exeter in China beland? Mary omhelst als de westerse mens van de late 19de eeuw het oriëntalisme en verklaart hun huis in Olympia van negatieve energie te hebben ontdaan. Deze onzin is besmettelijk: nu verklaart mijn vrouw zowaar dat ze ons huis ook wil 風水-en. ‘Je bedoelt opruimen’, zeg ik. ‘Jij gelooft nergens in’, zegt ze.
Zondag
Ze had misschien gelijk met die opmerking, maar evengoed zit ik in de kerk, met mijn kont op het eikenhout van de traditie en mijn neus in een tekst over de gevolgen van de Opstanding. Ik geloof dat ik mezelf niet zozeer als een gelovige moet zien, maar als een mislukte atheïst, zoals de evolutie voor een mislukte aap heeft gezorgd.
Maandag
Ik ben door opvoeding en zelfstudie een geëmancipeerde lezer en ik neem op deze plaats graag de bescheiden taak op me de door vrouwen geschreven literatuur aan te prijzen. Vrouwen blinken uit in lichtvoetige diepzinnigheid. The Prime of Miss Jean Brodie van Muriel Spark is even prikkelend als tragikomisch. Over Excellent Women heb ik het al gehad. Ach, ik kan er zoveel opnoemen.
Maar emancipatie als abstractie, als ideologie, gedoceerd aan faculteiten genderstudies, is een kenau die haar eigen karikatuur baart. Zelf lijk ik op de jongeman in The Europeans van Henry James (1878) die verklaart: ‘You see, I believe greatly in the influence of women.’ Of anders wel op die Franse heer aan wie gevraagd werd of hij van bellettrie hield: ‘Je ne la crains pas!’
Dinsdag 21 april
Bij Gary’s broer Philip op bezoek (de Moskouse broer).
Hij woont op de benedenverdieping van een anoniem huis uit 1890, in een kleurloze straat in Hastings, dat achter de voordeur openbloeit: het is een klein museum van zijn schilderijen, waar hij met een benedictijnse arbeidsvreugde aan werkt. Ze hangen onder de hoge plafonds van woonkamer en slaapkamer, landschappen in Sussex, interieurs van tingeltangels in Londen, portretten die neerkijken op het schamele meubilair uit de jaren zestig, dat mij aan het appartement van mijn vrienden in het communistische Praag herinnert, tientallen jaren geleden alweer.
Philip. Hij gebaart met zijn hand, een magere, nerveuze hand, de hand waarmee hij tekent en schildert. Ik ben nooit eerder bij hem op bezoek geweest, maar hij wilde me zijn huis laten zien, en daarin vooral zijn eigen kunst, voor zover ik die niet eerder onder ogen heb gekregen. We drinken thee en praten over zijn herinneringen aan Moskou. Aan de muur tegenover me hangt een grote tekening, een man met een pet op een straathoek.
‘Die vent verkocht lucifers,’ zegt Philip.
‘Wanneer was dat?’
‘Eind jaren 90.’
Een vent met een pet. Op de rug gezien en dermate knap getekend dat je de tekening om wil draaien om zijn gezicht te zien.
‘Kapitalistisch realisme.’
Hij lacht, Philip, een van de duizenden begaafde kunstenaars die onbekend blijven omdat ze geen moeite doen binnen te dringen in de onderwereld van curatoren en verzamelaars.
De olieverf druipt op de grond, de lucht is verzadigd van het gruis van de houtskool.
Zaterdag
Maandag mag mijn zoon de hand van Karel III drukken op een feestje in de tuin van de Britse ambassadeur in Washington. Mij valt altijd op hoe gezwollen de vingers van die hand zijn, nog geaccentueerd door de zegelring, dik en stomp als leverworst – misschien een gevolg van de aristocratische inteelt waaraan ook de Windsors niet ontsnappen (de Habsburgers ontwikkelden een roofvogelprofiel).
Dinsdag
Christopher stuurt een foto waarop Charles charmant nee, schalks naar hem lacht: ‘De koning vroeg me uitdagend of die Trump wel naar me luisterde (sprekend over het milieu), waarop ik antwoordde: “We are doing our best, sir.”’
Ik kijk naar het achterhoofd van mijn zoon, naar die in lichtblauwe stof gehulde, iets voorovergebogen rug, en ervaar bij dit indirecte portret van mijn kind een irrationele trots, het licht vulgaire sentiment van de verwekker. Maar dan overrompelt de liefde me, die geen boodschap heeft aan mijn zelfzuchtige genen (of juist wel): genen waarvoor Anna irrelevant was.
Woensdag 29 april
Ik zit de brieven van Keats aan Fanny te lezen. Waar zijn de vrouwen die nog door een Roman naar het altaar geleid willen worden om met een Gedicht te trouwen? Mijn eigen krolse eeuwige liefde – ik kus haar voetzooltjes – houdt niet eens van poëzie.
| Tags |
|---|

Benno Barnard is een schrijver die meent dat het heden gewoonlijk ongelijk heeft.
Vrijdag Beckett over stijl: ‘Steeds meer komt mijn taal me voor als een sluier die verscheurd moet worden om de daarachter liggende dingen (of het daarachter liggende niets) te bereiken. Grammatica en stijl. Ze lijken mij net zo aftands geworden als een biedermeier badpak of de onverstoorbaarheid van een gentleman.’ Het trefwoord is ‘niets’. Als achter alles niets ligt, moet je …
Europa blijft ons ergeren met regeltjes, en bereidt ondertussen de vorige oorlog voor. Pijnlijk.











